De finale

66

Hoi, ik ben Lotje. Ik ben 12 jaar. En ik zit al voor zo lang als ik me kan herinneren op turnen.

Ik weet nog dat het eigenlijk allemaal startte toen mijn vader me vertelde dat je soms niet voor altijd verliefd blijft op dezelfde persoon. Die zin ben ik nooit vergeten. Want er zijn zoveel ouders met kinderen en die zien er altijd heel verliefd en gelukkig uit.
Dus waarom kon hij niet altijd verliefd blijven op mama? Dat was in elk geval de reden waarom mijn ouders toen zijn gescheiden. Het is al zo lang geleden gebeurd dat ik er eigenlijk bijna niets meer van weet. Alleen de zin: soms blijf je niet voor altijd verliefd op dezelfde persoon.

Na de scheiding ging ik bij mijn moeder wonen. Die werkte zich helemaal kapot. Want ze wilde er zeker van zijn dat ik niks te kort zou komen door de scheiding.
Door al dat werken had ze opvang nodig en zo moest ik de maandag- en woensdagmiddag naar de turnles. Eerst bakte ik er natuurlijk helemaal niets van. Maar na een tijdje begon ik het leuker te vinden; door al het oefenen werd ik er ook steeds beter in.
Er waren wedstrijden. Die waren vaak op zaterdag dus dan kon mama soms mee. Ze zat wel meer op haar laptop of telefoon mails te sturen voor haar werk dan naar mij te kijken. Maar dat vond ik niet erg, want ik wist dat ze hard moest werken en vond het leuk dat ze er tenminste toch bij was.

Ik werd steeds beter in turnen en werd steeds vaker eerste… Dan mocht ik naar het selectieteam. Daardoor ging ik nog meer trainen. En dat ging allemaal heel goed. Ik was echt in topvorm! In alle wedstrijden was ik eerste en voor alle competities was ik doorgestroomd. Ik trainde nu zelfs vóór school op dinsdag en vrijdag. Dan moest ik vroeg opstaan, maar dat vond ik niet erg. Ik voelde me op school zelfs fitter.
Maar toen gebeurde het…

Het was ‘s ochtends. Samen met mijn vriendin was ik naar school aan het fietsen. Terwijl we aan het trappen waren, dacht ik bij mezelf hoe goed alles ging. Op school, bij het turnen. Zelfs met mama, die op het werk meer geld begon te verdienen. Ik weet nog hoe ik zo helemaal aan het dagdromen was op de fiets en ineens opschrok door een heel luid getoeter, een auto…
BOEM

Ja, dat gebeurde dus. Een ongeval. Ik werd weer wakker in het ziekenhuis. Met al mijn vriendinnen om me heen en met mijn moeder erbij. Ze keek me heel raar en ongerust aan.
M’n vriendin Babet glimlachte naar me en zei tegen de verpleegster dat ik mijn ogen open had gedaan.
De verpleegster, met rode vlechtjes in haar haar en sproeten in haar gezicht, glimlachte naar me en begon te praten: “Hoi Lotje, je bent in het ziekenhuis. Je was slachtoffer van een auto-ongeluk. Je hebt gekneusde ribben, een gebroken been en de scan van je schouder moet nog binnenkomen. Je voelt hier waarschijnlijk niets van, maar dat komt door de pijnstillers. Ik moet nu even van je weten hoe je je voelt? Ben je duizelig? Misselijk? Of heb je nog ergens anders last van?”

Ze praatte zo snel dat ik er merendeel niet van hoorde. Er gingen maar vier woorden door mijn hoofd heen: auto-ongeluk, ribben, been, schouder… En dan nog een woord, in hoofdletters zo luid: TURNEN.
“Eehhh, nee nergens last van. Maar al deze dingen die je net zei klinken niet zo goed.”
Over 3 weken waren de finales van de nationale kampioenschappen en als ik daar niet bij kon zijn…

De zuster keek me met medelijden aan en zei: “Ja meisje, je hebt gelijk. Je bent er eigenlijk juist helemaal niet goed aan toe. En toch heb je in jouw geval nog geluk gehad. Dit hele ongeluk met die auto had nog veel erger af kunnen lopen…”
“Ja dat begrijp ik, maar ik wilde eigenlijk even vragen wanneer ik weer mag turnen, want over een paar weken zijn de finales en tja, daar moet ik iedereen even inmaken.”
Ik moest lachen om wat ik zei, want ik was nog nooit zo ver doorgestroomd dus dit zou ik eigenlijk onmogelijk winnen, maar ik vond het grappig hoe het uit mijn mond kwam.
De zuster keek me een beetje raar aan, ik kon niet echt iets van haar gezicht aflezen. “Ehhmm, ik denk dat… Tja eigenlijk weet ik bijna zeker dat je revalidatie langer dan 6 weken zal duren.”
Toen ik dat hoorde, stortte alles in. Ik kreeg even geen adem en het enige waar ik maar bleef aan denken was ‘turnen’ met een rood kruis erdoor. Ik zag mijn vriendinnen, de verpleegster en mijn moeder dingen tegen elkaar zeggen, maar ik begreep er niets van. Het enige waar ik aan dacht was geen turnen, geen turnen, GEEN TURNEN…

~~~

De sportzaal. Mijn moeder deed de deur open. En ik liep onhandig met mijn krukken naar binnen. Er hing een geur van turnpakjes en magnesium. Het moeilijkste zou nu komen, dat wist ik, maar het kwam nu wel heel dichtbij. Ik moest vandaag kijken naar mijn teamgenootjes en met mijn coach praten over de revalidatie. Ik had, volgens de dokter, geluk dat er niets ergs met mijn schouder aan de hand was. Maar voor mijn gevoel had ik helemaal geen geluk. Na de knuffels van mijn teamgenoten en een kort gesprek met mijn coach stond ik in het clubhuis te kijken naar de cooling down. Het viel uiteindelijk nog wel mee. Het gesprek en de knuffels gebeurden allemaal binnen tien minuten dus lang moest ik het niet volhouden. En daar zat ik dan, achter het glas, te kijken…

Ineens kwam mijn vroegere trainster Rita naast me zitten. Zij was degene die mij voor het eerst die maandag- en woensdagmiddag les had gegeven. Ze had nog steeds haar vriendelijke gezicht, het gezicht waardoor je elke keer dat je viel toch meteen weer opstond.
“Wat is er met jou gebeurd?” Rita keek bezorgd naar mijn krukken.
“Auto-ongeluk.”
Mijn antwoord kwam er makkelijker uit dan eerst. Omdat ik het al vaker had moeten zeggen. Het viel iedereen namelijk nogal op dat het meisje dat altijd radslagen maakte in plaats van te lopen, nu plots geen radslagen meer maakte…
Ik had met Rita een kort gesprek over hoe het ging op school, maar ons gesprek ging al snel weer richting turnen. Toen ze hoorde dat ik het niet ging redden om mee te doen aan de finale, haalde ze haar wenkbrauwen op en keek ze weg.
“Wat is er?” vroeg ik.
Ze keek me weer aan. “Als er één kind is waarvan ik zeker weet dat die zich altijd volledig voor iets inzet, en als die iets wil ze er ook voor zorgt dat ze het krijgt, dan ben jij dat!’
“Wat bedoel je, ik moet nog tot 2 weken na de finale revalideren?”
“Ja lieverd, dat zeggen de dokters. Dat is doktersadvies voor normale kinderen, maar jij bent niet normaal.”

Ik ben niet normaal! Dat werd mijn nieuwe motivatie.
Ik keek bij elke training mee en trainde dan zelf thuis. Als ze in de training balkoefeningen deden, schreef ik alles op en oefende ik het thuis met mijn krukken op een lijntje op de vloer. Zo kende ik alle oefeningen en trainde ik zelf. Ik deed wat ik kon. Mijn armen werden sterker en mijn rechterbeen ook. Ik moest die namelijk vaker gebruiken dan mijn linker. Ik voelde mezelf nog beter dan voor het ongeluk, voor alle narigheid. Mijn ribben waren al hersteld. Alleen ‘sprong’ en mijn series op de vloer verliepen niet goed door het gebroken been.

Toen ik de rest van wat ik had geleerd een week voor de finale aan mijn coach liet zien, was hij erg trots. Zo trots dat we meteen naar het ziekenhuis zijn gegaan. Bij de scan bleek dat mijn been nog niet helemaal hersteld was. En even dacht ik dat al mijn harde werk voor niets was geweest… Maar dat bleek uiteindelijk niet zo.
Want ik sta er. Vandaag is de dag van de finale en ik sta er! Je denkt nu waarschijnlijk, hoe dan? Wel, ik ben toch blijven trainen, gewoon doorgevochten. Net zoals Rita zei. Ik ben niet zoals de rest, ik ben anders.
Vandaag ben ik nog met mijn trainer naar het ziekenhuis gereden. Op de scan bleek dat mijn been goed was. Ik kan niet mijn ‘sprong’ en ook geen series voor mijn vloeroefening, want die heb ik niet kunnen trainen, maar ik sta er. En Rita en mijn moeder zitten in het publiek. Mijn moeder straalt en Rita’s lieve gezicht kijkt me aan. Het maakt niet uit hoeveelste ik word, ik heb mijn doel bereikt: ik sta er, in de finale, op 2 benen en zonder krukken!

Reageer!