CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In het eerste deel van het verhaal ontving de familie Verschuren een gouden enveloppe. Ze hadden de hoofdprijs gewonnen! Maar van wat?
De burgemeester verklaarde dat de koning volgend jaar naar hun dorp zou komen om z’n verjaardag te vieren. Freule Amalia en meneer Hinkepink willen beiden de leiding nemen, maar…

“Kunnen jullie het dan niet samen doen?” vraagt de burgemeester.
Meneer Hinkepink en freule Amalia kijken elkaar verschrikt aan.

“Als die man denkt dat hij het beter weet, moet hij het maar doen,” zegt freule Amalia en haalt haar neus op. “Ik weet als ik teveel ben. Ik trek me terug.”
“Als meneer Hinkepink de leiding krijgt, wordt het vast een akelig feest,” fluistert moeder in vaders oor. “Hier moet iets gebeuren.”
“Doe geen domme dingen hoor,” zegt vader.
Moeder schudt haar hoofd en loopt snel de zaal uit. Joris en Hondje gaan met haar mee.
Buiten gekomen zegt moeder tegen Joris. “Nu moeten we zien dat alle kinderen van Burgerdam zo snel mogelijk naar het Kerkplein komen. Hoe gaan we dat doen?”
Hondje blaft en zegt tegen Joris. “Als ik het aan de honden vertel en de honden allemaal naar het plein komen, zullen de kinderen er vanzelf wel achteraan gaan.”
“Goed idee,” zegt moeder. “En dan tover ik dat de kinderen begrijpen wat ze moeten doen.”
Joris en Hondje rennen weg. Joris zegt het tegen alle kinderen en Hondje vertelt het aan de honden. De boodschap gaat als een lopend vuurtje door het dorp: alle kinderen en alle honden moeten naar het Kerkplein komen. Moeder ontvangt de kinderen die op een holletje aan komen lopen met open armen. Ze vertelt hen over het feest van de koning en over haar plannetje.

In Hotel de Kroon komt de politieagent de zaal binnen rennen. Hij loopt rechtstreeks naar de burgemeester en fluistert hem iets in het oor. De burgemeester wordt wit om zijn neus. Hij staat op en slaat met zijn vlakke hand hard op de tafel net zo lang tot het doodstil is.
“Beste mensen, ik begrijp dat u opgewonden bent, maar de agent hier vertelt me dat er oproer in het dorp is. Ik moet snel weg.”
O jee, denkt vader, wat heeft moeder nu weer gedaan.
Achter de burgemeester aan lopen de mensen de zaal van Hotel de Kroon uit. De burgemeester is al niet meer te zien.
Het geluid van zingende kinderen en blaffende honden komt uit de richting van het Kerkplein. Nieuwsgierig lopen de mensen die kant op.

Alle kinderen van Burgerdam zijn op het Kerkplein bij elkaar gekomen en zingen uit volle borst: “Oranje boven, oranje boven, leve de koning”.
Moeder staat voor ze op een trapje en slaat de maat.
“Hoe heb je al de kinderen zo snel op het Kerkplein gekregen?” vraag vader.
“Dat wil jij helemaal niet weten. Ik mag van jou toch niet toveren,” zegt moeder. “Dat is ons geheim he, Joris.” Ze geeft hem een knipoog.

De burgemeester loopt haastig naar voren en schreeuwt: “Stop, stop, dit kan zomaar niet!”
“De kinderen van Burgerdam willen geen deftige ontvangst, meneer de burgemeester. Ze willen een groot oranjefeest. We zijn vast aan het oefenen,” roept moeder.
De burgemeester probeert met armgebaren de kinderen tot zwijgen te brengen.
“Ja toch kinderen?” roept moeder.
“Jaaaa,” roepen de kinderen luidkeels.
“Ik hoor jullie niet, willen jullie feest?”
“Wij willen feest, wij willen feest,” roepen de kinderen om het hardst.
“U hoort het meneer de burgemeester, de kinderen willen feest.”
Moeder trekt de burgemeester naast zich op het trapje.
“Niet zo’n deftig grote mensen feest maar een kinderfeest.”
“Maar dat kan toch niet,” stamelt de burgemeester. “De koning komt, wat moet die wel niet van ons denken?”
“De koning heeft zelf ook kinderen, die kunnen mooi meedoen.”
De burgemeester schudt zijn hoofd en heeft moeite zijn evenwicht te bewaren op het wankele trapje.
“Maar dat kan toch niet, dan denkt de koning dat wij niet feest kunnen vieren. Dat is een schande voor ons dorp.”
“Er is toch geen mooier feest dan een kinderfeest, nietwaar kinderen?”
“Wij willen feest, wij willen feest,” roepen de kinderen opnieuw.
De burgemeester kijkt angstig om zich heen.  Hij wil van het trapje af, het wiebelt een beetje. Zijn mooie plan valt helemaal in duigen.
“Ik heb een idee,” zegt moeder. “We maken een kinderfeest voor de kinderen van de koning en een deftig grote mensenfeest voor de koning zelf. Wat dacht u daarvan, meneer de burgemeester?”
“Ja, ja goed idee,” zegt de burgemeester. “Mag ik nu weer van het trapje af?”

En zo kwam het dat er dat jaar bij het bezoek van de koning aan Burgerdam voor het eerst ook een groot kinderfeest op het Kerkplein was. Het plein was versierd met slingers en vlaggetjes in oranje, rood, wit en blauw.
De kinderen deden allerlei spelletjes, zoals koekhappen, zaklopen, touwtrekken, paalklimmen en nog veel meer. Er was limonade en taart voor iedereen. De kinderen van de koning deden de hele dag mee.
De koning zelf praatte over gewichtige zaken met de notabelen van het dorp in het huis van de burgemeester. Ze dronken thee uit dure porseleinen kopjes en de freule deelde deftige koekjes rond die de bakker speciaal op haar aanwijzing gebakken had. Op het einde van de dag zei de koning dat hij nog nooit zo’n leuke verjaardag had gehad.

Vorig verhaalDe hoofdprijs
Volgend verhaalPoezenbeest

Reageer!