‘t Was lente en het was al vrij warm voor de tijd van het jaar. Kareltje, een musje dat nog niet geboren was, zat op zijn gemak te spelen in zijn eitje. Best wel gezellig dacht hij, hier zo op mijn eentje. Maar terwijl hij dat dacht, vroeg hij zich af of er nog zouden zijn zoals hij. Vogels in een eitje, met een snaveltje, en pootjes die nogal veel lijken op zo van die vorkjes die je krijgt als je frietjes gaat eten in de frituur.

Kareltje werd zo langzamerhand enorm nieuwsgierig en dacht om toch maar eens te kloppen op de schaal van zijn eitje. Wie weet waren er daarbuiten nog andere vogeltjes waarmee hij kon spelen. Heel voorzichtig tikte hij tegen het eierschaaltje. Tik, tik, tik… Geen reactie. Jammer. Nog maar eens proberen dacht hij. Maar nu iets harder. TOK, TOK, TOK! En krak! Zijn oogjes werden ineens verblind door de felle zon.
“Wie heeft hier dat felle licht aan gestoken!”, dacht hij. Maar ‘t was Kareltje zelf! Hij had zijn eitje gebroken. En nu wou zijn mama niet meer op zijn eitje broeden uit schrik dat hij in haar poep zou prikken met zijn snaveltje. Er zat dus niets anders op dan de rest van het eitje kapot te maken en kennis te maken met de wereld. Zo stapte hij uit zijn eitje de wereld in.

Kareltje keek voorzichtig om zich heen. Hij zag dat hij heel hoog in een boom zat in een soort kommetje dat helemaal gemaakt was van gevlochten takjes. Waarschijnlijk had zijn papa dat gemaakt, als huisje, ver weg van stoute dieren. Kareltje keek vol bewondering naar zijn mama en papa die hoog door de lucht vlogen. Hij zag dat ze ook met andere vogels speelden en af en toe kwamen ze kijken naar het nest of alles nog goed was met Kareltje. Mama bracht dan soms een worm mee. Lekker lekker!

Kareltje vond het allemaal goed zo. Mama bracht af en toe een worm, papa zorgde voor het nestje, en Kareltje genoot van zijn plekje daar hoog in de boom. Het leven kon niet mooier zijn voor een jonge vogel zoals hij.

Tot de dag dat Kareltje toch eigenlijk wel eens benieuwd was om ook eens naar zo’n andere boom te vliegen zoals mama en papa. Maar eigenlijk durfde hij niet echt. Hij had een beetje schrik voor die andere vogels die daar vlogen. Misschien zouden ze hem maar een rare vogel vinden. En eigenlijk wist hij ook niet zo goed hoe hij tegen die andere vogels moest praten, laat staan ernaartoe te vliegen. Misschien zouden ze het niet leuk vinden dat hij hun boom zou bezoeken. Dus besloot Kareltje dat hij voor altijd in zijn eigen boom in zijn eigen nest zou blijven. Tenslotte had hij daar ook wel een mooi uitzicht en hoefde hij niet te leren vliegen op die manier. Zijn besluit stond vast. Hij, Kareltje het vogeltje, zou niet vliegen en zou voor altijd in zijn nestje blijven.

Maar toch vroeg hij zich dikwijls af waar zijn mama en papa naartoe geweest waren. Hij was een beetje nieuwsgierig. Ze babbelden soms over hoe leuk het was en hoe mooi het was in die andere bomen, en bossen, en tuinen van mensen. Ze vertelden ook dat ze al hadden moeten opletten voor stoute katten.
Kareltje was diep onder de indruk. Misschien moest hij toch maar eens zijn angst overwinnen en proberen zijn vleugels uit te slaan. Gewoon maar eens om te proberen. Nee, niet om te vliegen hoor. Gewoon, om die vleugels eens te strekken. Kwestie van zeker te zijn, voor als het eens zou stormen en hij uit de boom zou waaien met nest en al. Eens oefenen kon geen kwaad, dacht hij. Kareltje strekte zijn linker vleugel uit, en daarna zijn rechter, en hij wapperde eens goed heen en weer. Zozo, dat liep gesmeerd.
Eigenlijk best wel indrukwekkend, zo’n vleugel. Hij probeerde nogmaals, maar deze keer met iets meer kracht. Hij voelde hoe zijn pootjes bijna het nest losten. Oeioei, dacht hij. Bijna was ik gaan vliegen! Genoeg voor vandaag. Straks gaan ze nog denken dat ik een echte vogel ben. Ik ben tenslotte Kareltje het vogeltje dat niet zou vliegen!

De dag erna zat Kareltje weer in zijn nest te spelen met zijn veren. Mama en papa waren gaan vliegen en eigenlijk verveelde Kareltje zich wel een beetje. In zo’n nest is er eigenlijk bitter weinig te beleven voor een vogel. Hij besloot nog eens te spelen met zijn vleugels en hij wapperde fors heen en weer. Hij ging er zo in op, dat hij niet door had dat hij boven het nest hing te fladderen en zijn nest verlaten had. Daar hing hij dan in de lucht!
Hij keek rond zich heen en zag een andere boom. En nog één. En nog één. Hij bewoog zijn vleugels en hij voelde de wind eronder door waaien. Hij genoot en vloog van de éne boom naar de andere. Hij riep naar andere vogels en ze waren allemaal blij dat ze er een nieuwe speelkameraad bij hadden. Ze vroegen zijn naam, en ze toonden welke trucjes ze al konden met hun snavels en hun vleugels. Kareltje was zo blij en wou dat tegen zijn mama en papa gaan vertellen. Hij vloog terug naar zijn nest en vertelde zijn hele verhaal.
Wat waren ze trots op hem. Trots dat hij eindelijk gedurfd had om het nest los te laten, en trots dat hij zoveel vrienden had gemaakt. Ze vertelden hem dat hij altijd voorzichtig moest zijn en ver weg moest blijven van stoute katten. Papa beloofde hem zelfs dat hij hem trucjes zou leren om nooit in de klauwen van stoute katten te geraken.

Kareltje was trots en die nacht droomde hij van alle avonturen die hem nog te wachten stonden met zijn nieuwe vrienden in het bos, en in de tuinen van de vele huizen, en in het park, en wie weet waar nog allemaal. Waar zou jij graag eens heen vliegen?

Loz (L. B. Tettenborn), Passer domesticus detail(loz), CC BY-SA 2.5
Vorig verhaalDe twee zoutkorrels
Volgend verhaalLucas en zijn Belgische avontuur

Reageer!