Kasper zwom snikkend langs de waterkant. Om hem heen klonk geplons en gespat. Alle krokodillenkinderen hadden vakantie en hoefden vandaag niet naar school. Ze deden staarttikkertje. Wie hem was, moest met zijn staart een flinke mep geven.
“Au… auw,” klonk het steeds, want krokodillen vinden het nu eenmaal leuk om een beetje gemeen te zijn. Vorige week nog hadden ze bijttikkertje gedaan, toen moesten ze hun scherpe tandjes even in de staart van de andere krokodillenkinderen zetten en wie gebeten werd die was hem. Een uurtje later zwommen bijna alle krokodillenkinderen met een pleister op hun staart.

Kasper hield niet van die spelletjes, hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om een harde tik met zijn staart uit te delen, laat staan iemand te bijten. De krokodillenkinderen hadden hem uitgelachen en hem een extra mep met hun staart gegeven. Hij had wel vijf blauwe plekken op zijn groene krokodillenlijf. Nu mocht hij niet meer meedoen, omdat hij niet gemeen genoeg was.
Zijn moeder had gevraagd of hij haar dan wilde helpen, maar daar had hij vandaag geen zin in. Hij wilde spelen, net als de anderen.
“Dan zal je op zoek moeten naar nieuwe vriendjes,” mompelde zijn vader, terwijl hij de krokodillenkrant las.

Kasper was meteen naar Barend de bever gezwommen die met zijn zusjes verstoppertje speelde langs de waterkant.
“Mag ik meedoen?” vroeg Kasper. De zusjes van Barend doken van schrik kopje onder.
“Euhhh,” antwoordde Barend, “ik ben bang dat mijn zusjes dat niet willen, ze zijn nu eenmaal niet dol op krokodillen.” Snel zwom Barend weg, op zoek naar zijn zusjes.

Kasper keek om zich heen. In de verte zag hij Zeger de zwaan. Zeger was met een leeg flesje, dat hij in het water gevonden had, aan het snavelballen met zijn vrienden. “Mag ik meedoen?” vroeg hij vriendelijk.
Zeger begon meteen naar Kasper te blazen en ook zijn vrienden kwamen blazend aanzwemmen.
“Ik kan goed keeperen,” probeerde Kasper nog, “met mijn staart houd ik elke bal tegen,” maar het geblaas van de zwanen werd steeds luider. Snel zwom hij weg en dook achter een omgevallen boom die half in het water lag. Stilletjes wachtte hij totdat de zwanen weer met hun snavels het lege flesje door het water snavelden.

De tranen kwamen al snel bij Kasper en nu zwom hij dus snikkend door het water. Hij had geen vrienden en niemand wilde vrienden met hem worden.

~~~

Plotseling hoorde hij iemand zingen. Een hoog, zuiver stemmetje klonk prachtig over het stille water. Kasper keek om zich heen, maar zag niets. Hij keek onder water, maar daar zag hij alleen Stefan de snoek. Die lag heerlijk te luieren in een oude laars op de modderige bodem. Boven water hoorde hij opnieuw het gezang. Voorzichtig duwde hij met zijn lange snuit het riet wat opzij. Hij hield zich muisstil, want hij wilde niet dat iemand van hem zou schrikken. Het zingen klonk nu wat dichterbij, hij kende het liedje wel dat daar gezongen werd. Zachtjes neuriede hij mee. Meteen stopte het gezang.

“Wie zingt daar de tweede stem?” vroeg iemand.
“Ik,” antwoordde Kasper verlegen.
“Wie is ik?” vroeg het stemmetje weer.
“Ik, Kasper de krokodil,” antwoordde hij.
“Kom dan eens te voorschijn?”
“Dat durf ik niet.”
“Waarom niet?”
“Iedereen is bang voor mij.” Kasper hoorde het riet een beetje bewegen. Ineens keek hij in de ogen van een eendenkuikentje. Een donzig, geel kuikentje zat parmantig op een oud nestje van een meerkoet.

“Wat doe jij hier?” vroeg Katharina het eendenkuikentje met grote vragende ogen.
“Ik zoek iemand om mee te spelen,” antwoordde hij.
“Heb je geen krokodillenvrienden dan?”
Kasper wilde bijna weer gaan huilen, maar kon zijn krokodillentranen gelukkig wegslikken. Het kuikentje keek hem zo vriendelijk aan, dat hij meteen begon te praten. “Ik heb geen vrienden,” zei hij, ” niemand wil met me spelen. Ik vind het niet leuk om harde klappen uit te delen met mijn staart of iemand te bijten met mijn scherpe tanden, daarom mag ik niet meer meedoen met mijn krokodillenvrienden.”

Katharina keek hem sip aan. “Ik heb echt mijn best gedaan om nieuwe vrienden te maken, maar andere dieren zijn bang voor me.”
“Ik niet hoor,” zei Katharina met haar hoge stemmetje. “Je kunt mooi zingen, dat hoorde ik net. Zullen we samen zingen?” Meteen begon Katharina een nieuw liedje te zingen.
Zonder erbij na te denken zong Kasper meteen mee, het klonk werkelijk prachtig. Ze zongen samen alsof ze hun hele leven niets anders gedaan hadden. Het ene lied na het andere klonk over het water.
Toen ze hun laatste liedje zongen, klonk er ineens vanuit het niets een luid applaus. Zonder dat ze het in de gaten hadden gehad, waren de andere dieren uit de rivier op het gezang afgekomen. Zeger de zwaan met zijn vrienden, Barend de bever met zijn zusjes, de krokodillenkinderen en zelfs Stefan de snoek had de moeite genomen om te komen luisteren. Kasper keek Katharina verlegen aan. Katharina knipoogde naar hem. Natuurlijk zongen ze nog één laatste lied voor iedereen die het horen wilde.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Het was inmiddels al een beetje donker geworden. “Ik ga naar huis,” zei Katharina.
“Tot morgen,” zei Kasper nog snel tegen Katharina.
“Slaap lekker,” zong ze zacht terug.

Vorig verhaalStreepje en haar vriendjes
Volgend verhaalNaar de kerstmarkt

Reageer!