In een dorpje ver bij ons vandaan, woonden boswachter Siem en zijn vrouw Vera. Ze waren gelukkig samen in hun oranje huisje aan de rand van het Hoge Bos. En toch, heel soms, staarde Vera stilletjes uit het raam. De boswachter sloeg dan verdrietig zijn arm om haar heen. Hun grootste wens ging maar niet in vervulling.

Gelukkig kwam elke dag, als de school uit was, de kleine Mus binnengestormd. Vanaf het moment dat Mus zijn eerste woorden sprak, had hij geroepen dat hij ook boswachter wilde worden. Zijn vader, de kleermaker, had eerst ‘nee’ gezegd – want wie moest dan later zijn winkeltje overnemen – maar Mus hield vol totdat zijn vader knikte dat het goed was.

Mus liep met Siem mee op zijn rondes door het bos. Zijn oren gloeiden van de prachtige verhalen die Siem vertelde over de dieren. Hij probeerde de namen van de planten en bomen te onthouden die Siem aanwees. Als ze terugkwamen, dronken ze chocolademelk – warme in de winter en koude in de zomer – en dan vertrok Mus weer.
“O, wat gezellig toch, zo’n jongetje,” zuchtte Vera verlangend als ze naar hem zwaaide en de deur weer sloot.

Op een koude middag in december, stapten Siem en Mus stevig door om warm te blijven. Hun voetstappen maakten diepe sporen in de sneeuw. Siem vertelde over een ree die hij gisterenochtend gewond had aangetroffen.
“Stropers… maar we zullen ze krijgen,” mopperde hij. “Ze mochten wil…” Siem stond plotseling stil. Mus keek verbaasd op. Een tel later vloog er een zwerm eksters krijsend over hen heen. Een vleugel sloeg Mus in het gezicht, een snavel pikte in zijn wang. Ze beschermden hun gezichten tegen de wilde vogels.

“Er is daar iets! Daar, achter de oude eik. Kom op!” riep Siem en hij trok Mus mee. “Wat krijgen we nu? Midden in de winter?” Siem wees omhoog. In de top van een dennenboom zat een groot nest. Een donkerblauwe vogel probeerde zich te beschermen tegen de eksters die haar aanvielen. Het waren er te veel.

Met een wanhopige kreet trapte ze met een poot door de bodem van het nest. Er viel een lichtgroen ei met spikkeltjes naar beneden. Siem dook naar voren en ving het ei op in zijn pet. Mus geloofde zijn ogen niet.
Met haar snavel gooide de vogel nog twee eieren over de rand. Het leek wel of ze mikte op Siems pet. Siem ving ze gelukkig alle drie. Daarna stortte het nest naar beneden. De vogel vluchtte. Een donkerblauwe staartveer dwarrelde naast hen neer. Het werd doodstil, de eksters waren verdwenen.

“Wat was dat? Ken jij die vogel, Siem?” vroeg Mus.
“Nog nooit gezien, jongen. Maar wat een dapper beestje!”
Verward liepen Siem en Mus terug.

“Ik snap er niets van, Mus. Het leek wel een tropische vogel! Wat doet die hier in de winter?”
Mus haalde zijn schouders op.
“Loop een beetje door, we moeten zorgen dat de eieren warm blijven,” zei Siem.

Thuis gaf Siem zijn pet voorzichtig aan Vera.
“We zullen kijken of we ze kunnen redden,” zei Vera, en ze legde de eieren in een warm dekentje bij de open haard.

Dagenlang gebeurde er niets. In geen enkel boek kwam de vogel voor. Ze vergaten de eieren zelfs een beetje. Tot op een nacht Siem wakker schrok van een luid gekraak. Hij rende de trap af en stak een kaars aan. Vera kwam achter hem aan en keek over zijn schouder. Op de grond lagen eierschillen. In de deken bij de haard bewoog iets. Voorzichtig liep Siem naar de haard. Opeens rende Vera voor hem uit.

“Pas op, Vera!” Siem probeerde haar tegen te houden.
“Nee… Siem, kijk!” Haar ogen straalden als sterren toen ze de deken opensloeg. In het midden van de deken lagen drie baby´s. Twee meisjes en een jongen. Ze knepen hun donkerblauwe oogjes dicht tegen het kaarslicht en geeuwden. Siem wreef in zijn ogen… en nog eens. “Een wonder,” mompelde Siem en gaf Vera een kus.

De dorpsbewoners verbaasden zich erover dat ze niet eerder iets aan Vera gemerkt hadden. Ze had haar dikke buik goed weten te verbergen! Alleen Mus wist beter, maar die hield zijn mond. Dat was iets tussen boswachters, daar praatte je verder niet over.

Als Siem de kleintjes onder hun kin kietelde met de donkerblauwe staartveer, schaterden ze van plezier. Het jongetje, Mees, sliep de eerste jaren met de blauwe veer in zijn bedje. Tot ieders verwondering kon hij eerder fluiten dan praten.

Merel, het eerste meisje, wees naar elk vliegtuig dat overvloog, klom op een stoel, wapperde met haar armen en sprong. Gelukkig kwam ze altijd goed terecht.

Zwaantje, het tweede zusje, volgde met haar ogen de vogels als ze naar het zuiden vlogen. “Mee, mee?” Ze keek haar moeder vragend aan. Vera hield haar hart vast en trok haar dochter dicht tegen zich aan.

Na vier zomers zat er een donkerblauwe vogel in de meidoorn achter het huis. Aandachtig bekeek ze de drie spelende kinderen. Toen ze Siem zag, floot ze een zacht vragend wijsje. Siem liep langzaam naar haar toe. Ze hield haar kop scheef. Hij begreep wat ze verwachtte.

“Bedankt voor je vertrouwen, lieve vogel. Mees fluit al onze zorgen weg. Merel is onze durfal en Zwaantje zal vroeg uitvliegen. We houden zo verschrikkelijk veel van ze. Kom ze alsjeblieft niet halen.”

De vogel leek even na te denken, knipoogde toen tevreden en vloog weg.

Afbeelding van Holger Detje via Pixabay

Reageer!