CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Er was eens lang geleden een erwtje Piwi genaamd. Piwi was het zoontje van meneer en mevrouw Boon. Hij hing maar wat rond op het veld tot op zekere dag men hem plukte, grondig waste en samen met duizenden andere erwtjes in een bokaaltje stopte.
Piwi huilde in het begin erg hard omdat hij helemaal niet makkelijk zat in de bokaal. Maar na een tijdje leerde hij zijn makkers Groentje en Lichtgroentje kennen en vond hij het al wat prettiger in die bokaal. Ze werden zelfs dikke vrienden en zaten met hun gedrieën knusjes en gezellig aan het raam van de bokaal.

Piwi keek naar buiten en zag dat ze werden opgeladen in een groot ding op wielen. Na een tijdje werd het donker en hoorden Piwi en zijn vrienden niks anders meer dan het geronk van een motor. Af en toe werden ze flink door elkaar geschud.
Na enkele dagen werden ze gewekt door een verschrikkelijke knal.
“Hé, wat gebeurt er?” schreeuwde Piwi.
“Kweetniet,” zeiden Groentje en Lichtgroentje in koor.
En een gerinkel en geklingel en geklangel volgde na de knal. Plots bevonden ze zich op straat, want alle bokalen waren kapot. Het was aan de rand van een bos. Het grote ding met de motor lag op zijn zijkant en pufte zachtjes.
Piwi zei tegen zijn vriendjes: “Kom, we gaan er vandoor!”
En zo snel hun dunne beentjes hen konden dragen rollebolden ze weg.

Ze gingen het struikgewas in en na een tijdje kwamen ze bij een rivier.
“Als we nu eens een vlot maken,” stelde Groentje voor.
“Een vlot? Hoe?” zei Lichtgroentje.
“Met takjes, kijk er liggen genoeg takjes op de grond!” antwoordde Groentje.
Als gekken begonnen ze met hun drieën takjes te sprokkelen en aan elkaar te knopen met gras.
“Voila,” zei Piwi na enkele uren, “ons vlot is af!”

Wat later dobberden ze met hun drieën op het vlot de rivier af. Na enkele uren stroomafwaarts te gaan, kwamen ze in een stad aan. Wat een zicht, ze zagen een grote toren en enkele prachtige oude gebouwen, soms gingen ze met hun vlot onder een brug en links en rechts van de grote rivier stond een bordje met ‘SEINE’ op.
“Huh,” zei Piwi, “ik denk dat we in Parijs zijn.”
“P’rijs ? Wa is da?” zegden Groentje en Lichtgroentje in koor.
“Hebben jullie dan niet goed opgelet op de erwtenschool misschien?” vroeg Piwi en hij was een beetje op zijn groene teentjes getrapt.
Zijn beide vriendjes schudden het hoofd. Piwi draaide zich verontwaardigd om.
“Kijk, daar staat de Eifeltoren en daar is de Notre-Dame,” en Piwi wees de gebouwen aan. “De Notre-Dame is een oude kerk waar vroeger nog Quasimodo heeft gewoond,” voegde hij toe.
“Hoe heet dat beest?” vroeg Groentje.
“Laat maar,” mompelde Piwi.

Het was een vermoeiende reis geweest. Op een bepaald moment vielen ze dan ook alle drie in slaap. Maar wat later werden ze gewekt omdat het vlot plots enorm begon te schokken. Ze wreven zich de groene oogjes uit en keken rond. Vlak naast hen vaarde een enorme
boot en ze moesten zich stevig vasthouden aan het vlot.
Ze kwamen op een groot water aan.
“Dit is de Atlantische oceaan,” sprak Piwi.
“D’ atalantiese wat?” zei Lichtgroentje.
Piwi besefte dat zijn beide vriendjes niet erg snugger waren en reageerde niet. Hij vroeg hen beleefd om hun erwtenmond te houden en te luisteren.
“Ik denk dat we binnen enkele uren in Afrika zullen aankomen. Dat is een mooi land, waar allemaal blije mensen wonen.”
Groentje en Lichtgroentje keken elkaar aan.
“Kijk, ginds ligt China,” en Piwi wees over de oceaan.
In de verte zagen ze een strand en er liepen gele mensen op.
“China is een zeer groot land en daar eet men geen erwtjes maar rijst,” verklaarde Piwi.
“Oh, laten we dan maar daar gaan wonen, ik wil niet opgegeten worden!” zei Groentje.
“En ik ook niet, want ik wil niet tussen wortelen of zo belanden, ik haat wortelen!” zei Lichtgroentje.
“Geen schrik vrienden, ik zorg er wel voor dat we met ons vlot op een goede bestemming geraken,” zei Piwi weer.

Enkele dagen later wees Piwi naar de horizon. “Kijk, ginds ligt Amerika, dat noemt men het beloofde land. Als je heel goed kijkt, zie je
de skyline van Manhattan”.
Groentje en Lichtgroentje gaven hun ogen goed de kost en genoten van het zicht en de uitleg van hun vriend Piwi. Na lange tijd varen kwamen ze ook voorbij Egypte, Israel, Chili, Spanje, Frankrijk, Denemarken en nog heel wat andere landen.

Uiteindelijk kwamen ze in een klein landje aan.
“Ik denk dat we nu in België zijn,” zei Piwi.
“Maar dan zal men ons oppakken en opeten!” schreeuwden zijn vriendjes in paniek.
Ze hadden dit nog maar net geroepen of een grote golf gooide hun vlotje op het strand. Toen ze verdwaasd op het strand lagen, werden ze opgepakt door iets. Ze keken naar boven en zagen een lief blond jongetje dat hen zachtjes in zijn hand hield.
“Ooh, dit zijn mooie erwtjes voor in de les biologie,” zei het kereltje.
Hij stak de drie vriendjes in zijn broekzak.

De volgende dag nam hij ze mee naar school en hoorden ze iemand iets vragen.
“En…jongens, hebben jullie allemaal jullie erwtjes bij?” vroeg een grote dame.
De kleine jongen haalde de drie vriendjes uit zijn broekzak. Plots stonden er wel dertig jongetjes rondom hem.
“Wel, wel, waar heb jij die mooie en grote erwten gevonden?” vroeg de dame.
“Op het strand juf, echt waar!” zei het jongetje.
“Oké kinderen, allemaal terug op jullie plaats nu. Dus je weet het: als je thuiskomt steek je de erwtjes in een stuk spons en doe er water bij en laat me weten wat er gebeurt na enkele dagen, goed?”

De kleine jongen reed wat later met zijn fietsje huiswaarts. Hij ging naar de garage en zocht een spons, knipte er een groot stuk uit en stopte dat stuk in een glazen bokaaltje. Dan stopte hij er de drie vriendjes in en goot er water bij.
“Lekker hé,” zei Piwi, “zo’n douche.”
“Ja tof, maar ik krijg precies wat scheuten links aan mijn lijfje,” zei Groentje.
“Ik ook,” zei Lichtgroentje.
Ze waren verbaasd en een beetje bang. Vanop de vensterbank zagen ze dat het kereltje in de tuin speelde met zijn hond. De zon maakte hun erwtenvelletje lekker warm en ze vielen in slaap.

Na een lange tijd werden ze wakker. Ze konden hun ogen niet geloven, de pot zat vol bladeren die uit hun lijfje kwamen en de pot werd zelfs te klein voor hen!
Elke dag kieperde het jongetje er nog wat water bij. Na drie weken werden ze in de grond gestopt en de drie kameraadjes voelden zich
uitstekend, alsof het zo moest zijn, ze voelden zich geweldig!
“Misschien tot kijk vriendjes,” zei Piwi en hij knikte naar Groentje en Lichtgroentje alvorens het jongetje hem in de grond stak. Ze knikten terug en ook in de grond gestoken.
Na enkele weken stonden er op die plaats drie reuzenstruiken met bonen aan, zo groot als sinaasappels.

“Wel buurman, waar heb jij die superbonen gehaald?” vroeg een man aan de vader van het kereltje.
“Mijn zoontje heeft die gevonden!”

Na alweer enkele dagen werd plots de grond omgewoeld. Als bij toeval belandden Piwi, Groentje en Lichtgroentje weer bij elkaar. De plantjes die uit hun lijf groeiden waren weg, hun haar was weg en ze hadden vele rimpels. Ze voelden zich moe maar gelukkig.
“Ja,” zei Piwi, “we hebben goed gewerkt denk ik.”
En de papa van het kind gooide de reuzenbonen in een mandje en droeg ze in het huis.
“Prachtig schat, dat zal smaken,” zei een vrouwenstem.
De drie vriendjes werden achtergelaten in het zand. Piwi, Groentje en Lichtgroentje keken elkaar lachend aan. Nog weken lagen ze in de zon te genieten van hun oude dag.
Als ze zich verveelden vertelde Piwi over de vele landen die ze bezocht hadden. En op een heldere sterrennacht, kwam de erwtengeest hen rustig halen en met zijn drieën vlogen ze naar de eeuwige erwtenvelden waar ze nog lang en gelukkig leefden en later erg wijze erwtengeesten werden…

Vorig verhaalHet draakje dat geen kuiken was
Volgend verhaalEen onbereikbare droom

Reageer!