Het kwijte meisje

77

Er was eens een meisje. Haar naam was Brinta. Ze had een pony. Zo’n lange pony dat je haar ogen maar amper zag.
Brinta woonde vlak bij boer Joop. Iedereen noemde die meneer zo, omdat hij Joop heette en omdat hij altijd buiten aan het werk was. Zijn handen waren vies, onder zijn nagels zat zand. Maar boer Joop was een aardige man. Hij zwaaide naar je als je langs kwam fietsen en als het mooi weer was, zong hij liedjes.
Brinta had een liedje van hem geleerd: ‘Zeg, ken jij de mosselman’ heette het. Ze zongen het weleens samen. De meisjesstem van Brinta en boer Joop met zijn luide mannenstem.

Op een dag wilde Brinta naar het bosje bij hen in de straat. Ze wist niet waar papa en mama waren. Brinta riep: “Daag, ik ben naar het bos!” maar niemand zei iets terug. Papa en mama waren altijd druk, dus kon ze mooi haar eigen gang gaan.
Haar fietsmandje deed ze vol lekkers, zodat ze geen honger zou krijgen. Vandaag droeg ze ook haar nieuwe tuinjurk. Ze wilde hem de hele winter al aan, maar mama had steeds gezegd dat het te koud was. Vandaag scheen de zon, dus mocht het vast wel.
Ze sprong op haar fiets. Brinta kon heel hard fietsen, het hardst van de klas.
“Hee, daar hebben we Brinta,” zei boer Joop toen ze langs zijn tuin fietste.
“Ga je mee naar de hut?” vroeg ze.

Brinta had een hut gebouwd in het bos, vorige zomer al. Ze had er vaak in gespeeld met haar pop en met haar neefjes die kwamen logeren. Boer Joop had haar geholpen met het maken van het dak. Als het regende zat ze in haar hut gelukkig droog.
Boer Joop liep met haar mee. Zijn benen waren oud maar lang. Als Brinta zachtjes fietste en hij flink doorstapte dan lukte het precies om naast elkaar te blijven.

De vogels floten.
“Waar komen die nu ineens vandaan?” vroeg Brinta.
“Ze zijn op vakantie geweest,” zei boer Joop. “Vogels houden niet van kou, ze vliegen naar de warmte.”
“Hoe weten ze welke kant ze op moeten?” vroeg Brinta.
“Dat voelen ze gewoon. Eentje gaat voorop, die heeft er een neusje voor, de rest volgt. Je ziet ze weleens gaan, toch, netjes in een rijtje, zoals op school, als jullie naar de turnles gaan.”
Brinta zei dat er dan altijd kinderen waren die voor wilde dringen of je zomaar duwden en dat de juf dan altijd boos werd.
“Kinderen zijn als jonge geitjes, die lopen niet graag in rijtjes,” zei boer Joop.
Ze keken elkaar lachend aan.

~~~

De papa en mama van Brinta waren in de keuken. Ze hadden die ochtend muziek gemaakt in de schuur. Dat deden ze heel vaak. Ze wilden dat Brinta ook muziek leerde spelen, maar Brinta wilde alleen maar op haar toeter. Zo noemde ze haar blokfluit.
Als ze boos was, floot ze erop. Van blazen op haar toeter werd ze altijd weer blij.
“Waar is Brinta?” vroeg mama aan papa.
“Ik weet het niet,” zei papa.
Mama zuchtte, ze waren haar vaak kwijt. Ze woonden ook in zo’n groot huis met zo’n grote tuin. Ze kon overal wel zijn.

~~~

Ondertussen klommen Boer Joop en Brinta over het hekje om bij de hut te komen. Brinta had er een bezem neergezet. Snel veegde ze wat takjes aan de kant.
In de hut stond een bank. Een oude, rode die ze van oma had gekregen. En er lagen boeken, veilig opgeborgen in een koffer. Die koffer lag onder een kist met daaroverheen nog een zeiltje. Zodat de regen er niet bij kon.
“Ach toe, wil jij weer voorlezen?” vroeg Brinta. Als boer Joop voorlas, leek je wel op reis te zijn, in een ander land.

~~~

Papa en mama konden Brinta nergens vinden.
“Opa en oma komen zo, die willen haar natuurlijk zien,” zei papa.
Mama had speciaal een cake voor hen gemaakt, maar ook die kon ze nergens meer vinden. En de nootjes met rozijnen waren ook al weg!
Ze liepen de tuin in om te kijken of ze haar buiten ergens zagen. Maar nee, geen Brinta te bekennen.
Ze riepen haar.

~~~

“Brintaaaaaa!” klonk het in de verte.
Boer Joop en Brinta keken elkaar aan. “Volgens mij zijn ze je kwijt,” zei hij.
Brinta giechelde: “Ze moeten me maar komen zoeken.”
“Zullen we ze dan een handje helpen?”
“Hoe dan?” vroeg Brinta.
“Door een lied te zingen, zo hard dat ze het wel moeten horen. Ik zal je een nieuw lied leren. Weet je nog dat verhaal laatst over dat meisje dat de zee op ging en dat toen verloren raakte?”
“Ja, dat was heel spannend,” zei Brinta.
“Zing maar met me mee, dat kun je best.”

~~~

“Wat hoor ik daar in de verte?” vroeg mama aan papa.
“Kinderen in het bos, denk ik.”
“Daar zou ze kunnen zijn, kom mee!”
Op een drafje gingen ze erheen. Toen ze dichterbij kwamen, hoorden ze hen zingen: ‘Daar was laatst een meisje loos’. Een liedje van vroeger, over een meisje dat op zee ging varen.
Bij het hek zagen ze Brinta’s fiets al staan, met in haar mandje cake en nootjes. Papa en mama keken elkaar lachend aan.

~~~

Van onder haar pony zag Brinta haar ouders al aankomen. “Kom maar binnen,” riep ze vrolijk.
En zittend op de bank zongen ze met z’n vieren verder:

“Daar was laatst een meisje loos,
die ging uit varen,
die ging uit varen.
Daar was laatst een meisje loos,
die ging al varen als zee-matroos.”

Reageer!