Het toverkonijn

138

“Vader, kun je eens vertellen over toen moeder nog heks was?” vraagt Joris. Ze zitten buiten in de late middagzon. Moeder heeft verse thee gezet. Het kon wel eens de laatste keer zijn dat ze dit jaar nog buiten kunnen zitten.
“Dat moet moeder zelf maar doen, maar ik kan je wel vertellen hoe ik moeder heb leren kennen. Wil je dat horen? Vind je het goed dat ik dat Joris vertel Elisa?”
“Ja hoor,” zegt moeder, “het is zo’n leuk verhaal en ik wil het zelf ook nog wel een keer horen.”
Joris knikt en zegt: “Dan ga ik Hondje even halen. Hij is nog binnen in zijn mandje, hij wil het verhaal vast ook horen.”

Even later zitten Hondje en Joris naast elkaar op het houten bankje naast de keukendeur en ze kijken vader vol verwachting aan.
“Toen ik nog een jongeman was,” begint vader, “zwierf ik graag door de bossen. Eigenlijk had ik boswachter willen worden, maar dat is een ander verhaal. Op een keer was ik in een deel van het bos waar ik nog nooit geweest was. Ik kwam op een open plek en zag een konijntje weg huppelen. Even later zag ik dat het konijntje in een braamstruik vast was komen zitten en aan een pootje gewond was geraakt. Ik heb het konijntje voorzichtig losgemaakt en mee naar huis genomen. Na een paar dagen was het pootje genezen. Ik bracht het konijntje naar het bos, maar het huppelde achter mij aan terug naar huis. Het konijntje bleef bij mij.”
“Je moet weten,” valt moeder in, “dat ik dat konijntje was. Toen ik nog heks was, veranderde ik mijzelf altijd in een konijntje als er mensen in de buurt waren. Dan kon ik weg komen zonder dat ze me in de gaten hadden, snap je?”
Joris knikt en kijkt naar zijn moeder. Hij weet dat ze heks is maar dit is wel heel bijzonder. “Kun jij jezelf in een konijntje veranderen?”
“Ja, toen wel. Ik weet niet of ik het nog zou kunnen. Het is al zo lang geleden. Zal ik het eens proberen?”
“Stop, stop,” roept vader, “ik ben een verhaal aan het vertellen.”
“O ja, sorry,” zegt moeder.
“Dat konijntje bleef dus bij mij, tot het op een dag verdwenen was. Ik vond het jammer maar het was ook goed. Konijntjes horen in het bos. Een paar dagen later, toen ik de hele dag in de tuin had gewerkt, was ik tegen een boom gaan zitten. Ik was er moe van geworden. Het zonnetje scheen en mijn ogen vielen al gauw dicht. Ik droomde dat er een konijntje op mijn schoot kwam zitten. Het konijntje werd groter en groter en veranderde langzaam van gedaante. Toen werd ik wakker en zat moeder op mijn schoot.”
“Ja, dat vond ik zo leuk,” zegt moeder. “Toen heb ik je vader verteld dat ik dat konijntje was. Dat ik me in een konijntje veranderd had toen hij in de buurt kwam, maar ik raakte in braamstruiken verstrikt en was door hem meegenomen.”
“Maar waarom was je dan weggegaan?” vraagt Joris.
“Je vader had zo goed voor mij gezorgd dat ik bij hem wilde blijven wonen. Maar ja, ik was een heks! Dat kon zo maar niet, dat moest ik eerst aan de oppertoverheks gaan vragen.”
“Zij vond het goed,” gaat vader verder. “Dat betekent wel dat hoe langer moeder gewoon mens is hoe minder ze nog heks is. Vandaar dat het toveren ook niet altijd even goed gaat. Eigenlijk vindt de oppertoverheks dat moeder maar niet meer moet toveren. Maar ja, moeder vindt het zo leuk. Hè Elisa?”
Moeder knikt en zegt: “Zal ik nog eens proberen om in een konijntje te veranderen?”
Voordat vader iets kan zeggen zit er een klein konijntje op de stoel waar moeder net nog zat. Ze is zwart met wit en heeft lange oren.

“Wat een lief konijntje.” Het is de stem van Josephine die aan de hand van de freule de tuin binnen komt lopen.
“Dag meneer Verschuren, dag Joris,” zegt de freule. “Wat is het heerlijk dat we nog van de zon kunnen genieten. Vind u ook niet?”
Josephine pakt het konijntje op en gaat ermee op schoot zitten.
“Ik wist niet dat jullie konijnen hadden,” zegt de freule. “Het doet me denken aan vroeger thuis. De tuinman had achter zijn huis hokken met konijnen. Niet van die kleintjes maar van zulke grote.”
Ze laat met haar handen zien hoe groot die konijnen wel waren.
“Als klein meisje mocht ik ze van de tuinman elke dag een wortel geven. In de loop van de winter verdwenen de konijnen de een na de ander.”
De freule zucht diep.
“Ik vind het zielig dat konijnen in hokken moeten zitten,” zegt Josephine met een pruillipje.
“Dit konijntje hoeft niet in een hok,” zegt vader.
“Maar daar kom ik niet voor,” zegt de freule. “Ik wil jullie uitnodigen aanstaande zondag voor een high tea bij mij. Vroeger toen mijn man zaliger nog leefde, gaven we altijd rond mijn verjaardag een high tea.”
“Oh, ik weet niet of ik dan kan,” zegt vader. De freule kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan.
“Zoiets moet u echt een keer meemaken hoor,” zegt ze. “Ik begrijp best dat voor eenvoudige mensen zoals jullie een high tea spannend is. Het is echt enig, er komen zulke interessante mensen.”
Vader zegt: “Ik weet het niet hoor, ik zal het met Elisa overleggen.”
“Waar is uw vrouw, meneer Verschuren?”

Vader kijkt naar het konijntje dat van de schoot van Josephine afspringt en het grasveld op huppelt. Josephine rent er achter aan en probeert het konijntje te vangen, maar dat is haar steeds te vlug af.
“Laat het konijntje maar met rust,” zegt vader. Met een paar grote sprongen is het konijntje achter de heg verdwenen. Een paar tellen later komt moeder achter de heg vandaan. Ze slaat het gras van haar handen.

Hoe vergaat het de high tea van de freule? Ontdek het morgen!

Reageer!