CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Op een warme zomerdag, toen Hupsakee thuiskwam, vond hij een briefje op de tafel. Daarop stond te lezen: “Hei Hupsakee, heb jij zin om met mij vandaag te gaan zwemmen?”
Met daaronder: “jouw vriend Joepie”.
Daar moest Hupsakee even over nadenken, want eigenlijk kon hij helemaal niet zwemmen. En al kon ie het, waar zouden ze dat dan moeten doen?

De vrienden Hupsakee en Joepie woonden in het Land van Melk en Honing in een tijd toen er nog geen auto’s bestonden, en geen telefoons. Elektriciteit was wel al uitgevonden, maar waar zij leefden op de boerenbuiten, buiten de stad, was daar nog niet veel van te merken.

De enige manier om met iemand in contact te komen was er heen te lopen of een brief of kaartje te sturen via de Post. De Post, ja, die was ook al uitgevonden.

 

Hupsakee twijfelde niet langer en besloot om meteen op stap te gaan naar de boerderij waar zijn beste vriendje Joepie woonde. Al na een tiental minuten kwam hij aan bij de hoeve.
Alsof hij het had aangevoeld, stond Joepie zijn kameraad al op te wachten bij de poort.
“Joepie!” riep Joepie, die zijn naam niet gestolen had: “je bent gekomen, Hupsakee!”
“Ja, hupsakee, hier ben ik,” zei Hupsakee, die ook niet verlegen zat om zijn naam.
“Hoe zit dat nu met dat zwemmen,” vroeg Hupsakee meteen: “jij weet toch dat ik dat niet kan?”
“Tuurlijk weet ik dat wel,” zei Joepie met een brede glimlach: “dus ga ik je het vandaag leren!”

Zo gezegd, zo gedaan.

“Momentje,” zei Joepie. Hij snelde de hoeve binnen en nam er twee handdoeken uit de linnenkast. “Komaan, weg zijn wij,” riep hij en slingerde een handdoek over de schouder van zijn vriend.
“Waar gaan we naartoe?” vroeg Hupsakee.
“Naar de waterpoel in het bosje,” zei Joepie.
“Ja, natuurlijk, het bosje achter de paardenweide,” knikte Hupsakee. Daar hadden ze al dikwijls samen gespeeld.

Het was een klein kwartiertje lopen. Het zonnetje scheen op hun krullenbollen. Een frisse duik in het water zou hen deugd doen. Al snel kwamen ze aan de rand van het bos en liepen naar het poeltje.
“Kleren uit!” riep Joepie.
“Euh…” twijfelde Hupsakee, maar al vlug stond hij in zijn blootje. Joepie volgde zijn voorbeeld. Ze renden over het mulle zand en sprongen in het ondiepe water.
“Hupsakee,” zei Hupsakee bij het springen en natuurlijk kon Joepie niet achterblijven en riep luidkeels: “Joepieieieie!”

Een blauwe reiger die wat verder op één poot rustig in het water stond, vloog verschrikt weg. Terwijl hij statig boven hun hoofden scheerde, krijste de vogel: “Grrrèngk!”

Eerst was het een gespartel van jewelste, maar al vlug volgde de eerste zwemles. Joepie deed voor hoe het moest. Daarna nam hij zijn vriendje stevig vast bij zijn middel en Hupsakee bootste de bewegingen van een kikker na.
“Al goed dat de reiger weg is,” lachte Joepie, “die is gek op kikkers.”
Na een tijdje kon Hupsakee warempel al op eigen krachten boven blijven drijven. Dan liet Joepie hem volledig los en zwommen de vrienden gezwind naast elkaar.

“Dat heb je wel heel vlug geleerd,” zei Joepie, trots dat hij zo’n goede zwemcoach was. Toen Hupsakee wilde antwoorden en zijn mond opende, liep die vol water. Hij proestte het uit. Joepie proestte het ook uit, maar dan van het lachen.

Ze bleven nog een hele tijd in het frisse nat tot ze zich, moe van het zwemmen, uitstrekten langs de waterkant. Daar lieten ze hun blote basten drogen in de zon. Tja, zonnemelk moest toen ook nog worden uitgevonden.
Melk? Zij kenden enkel de nog lauwe drank die ze elke morgen dronken net na het melken van de koe.
In die tijd was dat heel gewoon.

Reageer!