Trilili zegt op een goede morgen: “Ik ga maar eens naar Tralala.”

En zo vertrekt Trilili, op weg naar Tralala.
Maar wie ziet Trilili daar op straat?
Als dat Trololo niet is?
“Hey Trololo,” roept Trilili.
“Dag Trilili,” zegt Trololo.
“Waar ga je naar toe?” vraagt Trilili.
“Ik? Ik ga naar Tralala.”
“Nu dat is toevallig,” zegt Trilili. “Ik ga ook net naar Tralala, zullen we samen gaan, dan?”
“Mij best,” zegt Trololo.

Even later bellen ze aan bij Tralala.
Die doet haar deurtje open en roept verbaasd: “Wie we daar hebben, mijn beste vriendjes Trilili en Trololo! Kom binnen. Ik zet meteen een kopje thee voor ons drietjes.”
“Dat is leuk,” zegt Trilili.
“Vind ik ook,” knikt Trololo.
Ze horen al snel hoe de waterketel in de keuken fluit en even later zitten ze blij en vrolijk samen met een zelfgebakken koekje en een kopje thee in het gezellige huisje van Tralala.

“Weten jullie het al?” vraagt Tralala.
“Wat dan?” zeggen Trilili en Trololo in koor.
“Van Trululu,” zegt Tralala.
“Neen!” schrikken Trilili en Trololo.
“Hij is gisteren van zijn fiets gevallen en ligt nu in het ziekenhuis,” zegt Tralala: “hij heeft vast veel pijn.”
“Wat erg. Zullen wij hem een bezoekje brengen?” stelt Trilili voor.
Dat vinden Trololo en Tralala een uitstekend idee en even later stapt het drietal op de bus naar het grote ziekenhuis waar Trululu in zijn bedje ligt. Ze hebben de overgebleven koekjes in een doosje gestopt met een mooi papiertje en lintje eromheen. Dat is een cadeautje voor Trululu.

Copyright Guido Aerts

Langs een enorme draaideur gaan ze het ziekenhuis binnen. Dat vinden ze best leuk, zo’n deur die draait. Het lijkt wel een kermismolen. Maar hier mag niet gespeeld worden. Dat weten ze wel. Ze weten ook dat je in een hospitaal geen lawaai mag maken, dus praten ze zachtjes.
Het hospitaal heeft vele gangen en wel duizend kamers. Ze kijken hun ogen uit. Hoe moeten ze nu de kamer van Trululu vinden? Daar zien ze een bord met het woord ‘receptie’. Onder het bord zit een lieve dame die hen vraagt wie ze zijn en wat ze zoeken.
“Ik ben Trilili,” zegt Trilili.
“En ik ben Tralala,” zegt Tralala.
“Mijn naam is Trololo,” lacht Trololo.
De receptioniste lacht ook en zegt: “wat een schattige namen.”
“Jullie komen vast op bezoek bij Trululu,” vervolgt ze.
“Hoe weet u dat zo, mevrouw?” vraagt Trololo verbaasd.
“Wij hebben maar één Trululu in dit ziekenhuis en ik dacht: met zo’n namen kan het haast niet anders dan dat jullie naar hem op zoek zijn.”
“Dat klopt,” anwoordt Trololo.
“Trululu ligt op kamer 321. Jullie nemen ginds de lift naar de derde verdieping en dan gaan jullie naar rechts. De kamer ligt aan de linkerkant van de gang.”

Ze zoeven met de lift naar boven en kunnen zich haast niet inhouden om naar de kamer van Trululu te snellen. Maar ze weten dat je in een ziekenhuis niet mag rennen.
Net voor de deur van de kamer stormen ze met zijn drieën naar binnen. Trululu ligt in een groot bed en zijn rechterbeen is ingepakt en hangt met een ketting omhoog aan een haak.
Naast hem staat een verpleger die zegt: “Ho,ho, ho, kalmpjes aan, straks breken jullie ook nog je botten!”

Trululu kan zijn blijdschap niet op. Zijn vriendjes hebben aan hem gedacht en zelfs een cadeautje meegenomen! Dan moet Trululu vertellen wat er allemaal is gebeurd. De drie vrienden luisteren met ingehouden adem naar zijn verhaal over het fietsongeluk.
De verpleger in witte jas daarentegen, die muist er stilletjes van onder. Hij heeft dat verhaal al meer dan eens moeten aanhoren.

3 REACTIES

Reageer!