Joris had een droom over een rare meneer. Hondje wist dat het zijn toveropa was; Joris heeft nog wel meer familie in Nevherland. Maar van mama mag hij nog niet op bezoek…

Joris loopt met Hondje naar het Kerkplein. Hij is boos, heel boos, alles loopt verkeerd vandaag. Op het bankje onder de beuk zitten de oude mannen. Opa is er ook al niet.

“Dag Joris,” hoort hij de stem van Josephine. “Ben jij ook met je hondje aan het wandelen?”
“Nee,” zegt Joris en draait de andere kant op.
“Waarom ben je boos?”
“Dat zeg ik niet.”
“Wil je een Haags hopje?” Josephine houdt hem een snoepje voor.
Joris schudt zijn hoofd. Hij wil geen snoepje.
“Heb jij een opa?” vraagt Joris en gaat op een stoeprand zitten. Hondje zit naast hem.
“Ja hoor, ik heb er twee: opa Johannes en opa Theodoor.”
“Zie je ze wel eens?”
Josephine schudt van nee en zegt: “Ze wonen allebei ver weg.”
“Waarom vraag je dat?”
“Zomaar,” zegt Joris. Josephine mag niet weten dat zijn grootvader een tovenaar is. Hij pakt toch maar het snoepje.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Op dat moment komt er met gierende banden een glimmende zwarte auto door de Kerkstraat gereden. Er lijkt niemand achter het stuur te zitten. Met piepende remmen en rokende banden stopt hij bij het huis van Joris. Als het stof is neergedaald stapt een man uit de auto. Hij heeft een lange zwarte mantel om zich heen geslagen.
Joris zijn hart bonst in zijn borst als de man hem met aankijkt. De ogen van de man gloeien als vurige kooltjes.
“Wie is dat?” vraagt Josephine met een klein piepstemmetje.
“Ik moet naar huis,” zegt Joris. “Kom Hondje.”
Joris staat op en zonder verder nog naar Josephine te kijken, rent hij naar huis.

De grote man met de zwarte mantel zit in vaders stoel. Moeder is in de keuken.
De man kijkt Joris aan, knikt en zegt: “Gegroet, Joris.”
Joris staat met bibberende knieën te kijken.
Moeder komt binnen met een dienblad met een pot thee en schaal eigengebakken koekjes en zegt: “Joris, dit is mijn vader, tovenaar Ambrosius. Geef hem maar een handje.”
“Oh,” zegt Joris. Hij is blij dat moeder er is, maar houdt zijn handen stevig in zijn broekzakken.
“Wat een grote auto heeft u,” zegt hij.
“Ja, ik kan moeilijk met de bus komen. Daarom dacht ik, laat ik een auto toveren, dan val ik niet op in mensenland.”
“Zijn er in Nevherland geen auto’s?” vraag Joris.
“Nee jongen, die hebben wij niet nodig. En ik snap niet dat de mensen nog steeds in die ongemakkelijke dingen rondrijden.”
“Ik vind het heel fijn in mensenland,” zegt moeder.
“Ik snap niet wat je er hier zo leuk aan vindt. Er gebeurt nooit eens iets onverwachts.”
Hij knipt met zijn vingers en ineens zit er een enorme, vervaarlijk grommende tijger naast vaders stoel.
Hondje rent piepend weg. En Joris kruipt achter moeders rokken weg.
“Vader, doe niet zo vervelend. Ik weet heus wel dat je een grote tovenaar bent,” zegt moeder. Ze heeft blosjes op haar wangen.
Grootvader lacht. Hij knipt met zijn vingers en de tijger verdwijnt.
“Dat bedoel ik dus,” zegt hij.
“Waarom ben je eigenlijk hier?” vraagt moeder.
“Ik heb gehoord dat Joris in Nevherland is geweest. Ik wilde met eigen ogen zien of hij er al aan toe is, om bij mij in de leer te komen.”
Moeder kijkt naar Joris, die nog steeds achter haar staat.
“Hij wil graag een keer naar Nevherland komen, hè Joris?”
Moeder duwt de tegenstribbelende Joris in de richting van de tovenaar.
“Je vader is maar een gewoon mens, Joris,” zegt de tovenaar. “Dus een echte tovenaar kun je nooit worden, maar wat eenvoudige dingen kan ik je wel leren.” Hij glimlacht nu vriendelijk, waardoor zijn gezicht er ineens heel anders uitziet.
“Mag Hondje dan ook mee?”
“Natuurlijk jongen.”
“Deze zomer, in de schoolvakantie,” zegt moeder. “Dan kan vader ook mee.”

“Hmm,” zegt de tovenaar. “Ik weet niet of een gewoon mens in Nevherland zo’n goed idee is.”
“Als vader niet mee mag, gaat het feest niet door,” zegt moeder met fonkelende ogen.
De tovenaar slaat zich lachend op de knie.
“Je kunt wel zien dat je een dochter van mij bent. Niet voor een kleintje vervaart.”
Hij staat op en zegt: “Dan hoor ik het wel wanneer jullie komen.” Hij knipt met zijn vingers en weg is hij. Joris kijkt met ontzag naar de plek waar een klein rookwolkje de plek aangeeft waar de tovenaar net nog stond. Er klinkt een licht geruis en de tovenaar is weer terug.
“Ik was vergeten dat ik met de auto was,” zegt hij en loopt dan met een knipoog de kamer uit.

Reageer!