CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Moeder is erg ziek: stekeltjeskoorts. De dokter heeft pillen gegeven, maar die helpen niet. Gewone mensen pillen werken niet bij een heks. Joris is via Hondje te weten gekomen wat wel werkt: brandnetelthee. Van brandnetels geplukt om middernacht bij maanlicht…

“Mag ik mee vader?”
“Het is midden in de nacht.”
“Hè toe, vader mag het?”
“Vooruit dan maar.”
Joris klapt in zijn handen van plezier.
“Nu gauw naar bed,” zegt vader. “Dan kom ik je straks wakker maken.”
Natuurlijk kan Joris niet slapen. Als vader hem wakker komt maken, lijkt het of hij net in slaap is gevallen.

Nog half in slaap loopt hij even later met Hondje en vader door de donkere straat. Iedereen slaapt, het is muisstil. Slechts hier en daar geeft een eenzame straatlantaarn wat licht.
“Waar gaan we naar toe?” fluistert Joris.
“In de bosjes achter de tuin van meneer Hinkepink staan veel brandnetels,” zegt vader.
“Gaan we dan door de tuin van meneer Hinkepink?” vraagt Joris.
“Dat is de kortste weg,” zegt vader. “Meneer Hinkepink slaapt toch. Hij zal er niets van merken. Kom mee.” Hij neemt Joris bij de hand.

Op hun tenen lopen vader en Joris door de tuin van meneer Hinkepink en langs het hok van Hector. Maar Hector is een hele goede waakhond.
Hij doet één oog open en ziet twee schaduwen voorbij sluipen. Hij springt op. Eindelijk gebeurt er wat. Nu kan hij laten zien dat hij een goede waakhond is. Hij begint woest te blaffen. Joris fluistert Hondje in het oor, dat hij tegen Hector moet zeggen dat het goed volk is. Hondje blaft, Hector stopt met blaffen en gromt alleen nog maar.
Het is te laat. In het huis van meneer Hinkepink gaan de lichten aan.
“Rennen, Joris,” zegt vader. Ze zetten het op een lopen dwars door een bloemperk heen.
In één ruk rennen ze naar de bosjes achter de tuin waar ze zich verstoppen en uithijgen van het harde lopen. Het is doodstil geworden. Hector blaft niet meer. Op hun tenen sluipen ze verder door de donkere bosjes. Joris houdt de jas van zijn vader stevig vast. Stel je voor dat hij in het donker zijn vader kwijtraakt. Hij moet er niet aan denken.

“Kijk Joris,” zegt vader. “Daar staan ze. Kom, dan gaan we plukken.”
Vader gaat voorop en Joris volgt hem. Het valt Joris op hoeveel licht de maan geeft. In de verte slaat de klok van de kerktoren twaalf uur.
“Heb je je handschoenen meegenomen?” fluistert vader. “Je weet dat brandnetels erg prikken.”
Vader heeft een mand bij zich en ze plukken tot de hele mand vol is.
Nu moeten ze terug . Er zit niets anders op dan door de tuin van meneer Hinkepink te gaan. In het grote huis zijn de lichten uit.
“Laat Hondje maar vooropgaan,” zegt vader. “Dan kan hij tegen Hector zeggen dat hij stil moet zijn.”
Op hun tenen gaan ze verder. De maan is achter de wolken verdwenen. Joris ziet geen hand meer voor ogen. Joris trapt op een dood takje. Het knappen van het takje klinkt als een pistoolschot door de stille nacht.
“Sssst,” doet vader. Joris grijpt de hand van zijn vader stevig vast. Zijn hart klopt in zijn keel. Voetje voor voetje gaan ze verder.

“Stop in naam der wet,” klinkt er een barse stem. “U bent in overtreding.”
Vader en Joris worden verblind door een scherp licht. Vader doet zijn arm voor zijn ogen en duwt Joris achter zich. Hondje staat tussen de benen van Joris te bibberen.
“Inbrekers zijn het.” Horen ze de stem van meneer Hinkepink. “Ik wist het wel, mijn nieuwe waakhond blaft niet voor niets. Ik zag hun sporen in mijn bloemperk. Ze moeten opgesloten worden.”
“Bent u meester Verschuren?” vraagt de politieagent. En laat het licht van zijn zaklantaarn over hen heen schijnen.
Vader knikt.
“Mijn dochtertje zit bij u in de klas. Mag ik u vragen wat u hier doet?”
“Dieven zijn het, inbrekers!” roept meneer Hinkepink. “Ik wist het wel. Hij heeft zelfs zijn zoontje bij zich om te leren inbreken. U moet u schamen, meneer Verschuren.”
“Zo is het wel genoeg, meneer Hinkepink,” zegt de agent. “Wel meneer Verschuren, hebt u een verklaring?”
“Ik wilde een roetvlek vangen. Dat is een zeldzame nachtvlinder. Om aan de kinderen op school te laten zien. Die vlinder leeft daar.” Vader wijst in de richting van de bosjes.
“Een roetvlek,” roept meneer Hinkepink. “Wat een onzin! Ik heb nog nooit van een roetvlek gehoord.”
“Hij bestaat toch echt,” zegt vader.
“Maar u bevindt zich op privé terrein, meneer Verschuren?”
“Dit is de kortste weg en ik dacht, iedereen slaapt, dus niemand merkt het.”
“Nou mooi mis,” schreeuwt meneer Hinkepink. “Mijn nieuwe waakhond heeft u op heterdaad betrapt. In die mand zitten vast gestolen goederen.”
Hij wijst naar de mand die vader in zijn hand draagt.
“Meneer Hinkepink mag de mand wel onderzoeken,” zegt vader. “Als hij het deksel maar zoveel mogelijk dicht laat, anders ontsnapt de vlinder.” Hij steekt de mand vooruit.
Meneer Hinkepink springt direct naar voren en schuift het deksel van de mand een klein eindje open. Joris kijkt naar meneer Hinkepink, hij zal toch niet…
Ja hoor, zonder een moment te aarzelen steekt meneer Hinkepink beide handen door het spleetje in de mand. Joris slaat zijn hand voor zijn mond. Even is het stil. Dan begint meneer Hinkepink te gillen, trekt zijn handen uit de mand, kijkt er met opengesperde ogen naar en rent met wapperende handen in de richting van zijn huis.
“Wat zit er in die mand?” vraagt de politieagent en hij doet een stap achteruit.
“Brandnetels,” zegt vader met een grote grijns op zijn gezicht. “Nachtvlinders leven op brandnetels. Hij zal nu wel ontsnapt zijn.”
De agent knikt en zegt: “Ja, ja, het zal wel. Loopt u maar gauw door en vraag in het vervolg toestemming voor u weer zoiets onderneemt.”
“Natuurlijk, meneer de agent,” zegt vader. “Het was wel een beetje dom van mij.”
Vader pakt Joris bij de hand en ze rennen de tuin van meneer Hinkepink uit. Op een holletje gaan ze door de donkere straat terug naar huis.

De volgende morgen gaat het al veel beter met moeder. Vader heeft ‘s nachts direct thee gezet en moeder heeft er om het uur een paar slokjes van gedronken. Vaag zijn de rode vlekken nog te zien, maar de pukkeltjes zijn weg en het steekt ook niet meer.
Joris gaat bij moeder op bed zitten en vertelt over hun nachtelijk avontuur. Dat het eng was om door het donkere bos te sluipen en over roetvlek, die zeldzame nachtvlinder en dat die domme meneer Hinkepink zijn beide handen in de mand met brandnetels stak. Moeder moet er erg om lachen.
“Ja ja, die vader van jou is een slimmerd.”
Joris is zo blij dat moeder weer lacht dat hij haar een dikke kus geeft.

Vorig verhaalStekeltjeskoorts
Volgend verhaalKakeltje Kip

Reageer!