De dienende dief

28

In de tijd van Arthur koning,
In een land van melk en honing,
Leefde eens een stoute dief.
Alleen stelen had hij lief.

Op een dag in het kasteel
Bakte kok echt heel erg veel
’t Was de koning z’n lievelingswafel
Ééntje voor elke gast aan de ronde tafel.

De wafels klaar, mooi als goud,
En nu werd de rover heel erg stout.
’t Was hij die de wafels pikte
En ze smakkend en smullend inslikte.

De koning, heel erg kwaad,
Door deze afschuwelijke daad,
Beval hem op te sporen!
Dat kwam ook de dief te horen…

De crimineel, beef en sidder,
Vreesde overal een ridder,
Kon geen dag van ’t leven genieten.
Tja, zo vergaat het de bandieten!

Toen hij zichzelf dan maar overgaf,
Kreeg hij een heel gepaste straf.
De dief hoorde de koning bevelen:
Je zult werken in plaats van stelen!

Vraag dus niet, wie is die man,
Die ginds staat te roeren in de pan,
Je weet nu immers zonneklaar
Hoe de kok komt aan een dienaar.

Vorig verhaalSterrenstof

Reageer!