Francis C. Franklin / CC-BY-SA-3.0, Erithacus rubecula with cocked head, CC BY-SA 3.0

“Het is op. Het lukt niet meer en het wil niet meer. Ik denk dat het weg is,” zei de schrijfster vanaf haar bankje in de tuin en ze zuchtte eens diep.
“Weg?” tjilpte het roodborstje vanaf de hoogste tak in de kersenboom, “Wat is weg?”
“Nou,” zei de schrijfster, “mijn verhaaltjes. Mijn verhaaltjes zijn weg, op, niks meer.”

“Hoe kan dat nu,” zei het roodborstje. “Het kan niet ineens zomaar weg zijn. Je verhaaltjes kunnen niet zomaar op zijn. Nee hoor dat kan niet, dat zou een ramp zijn!” en hij hipte zenuwachtig op de tak heen en weer.
“Tja, ik weet het niet maar opeens was het weg, er komt geen enkel verhaaltje meer uit mijn hoofd. Ik heb het idee dat het daar nu leeg is.”
En de schrijfster schudde eens met haar hoofd alsof ze hoopte dat er een verhaaltje uit kwam rollen.
“Gisteren was het er nog, ik schreef zomaar een verhaaltje over de zon die hoog aan de hemel stond. Ik hoefde daar niks voor te doen, het was er zomaar in één keer. Plop.”
De schrijfster ging eens verzitten op de bank, ze werd een beetje zenuwachtig van haar lege hoofd.

“O ja, die, ik werd daar zo blij van. Over de gouden zon die aan de prachtige blauwe hemel stond. Ik werd daar zo blij van dat ik toen een vrolijk liedje heb gemaakt.”
Het roodborstje floot het wijsje dat hij gisteren had gecomponeerd.

“En nu is het weg. Echt waar, kijk maar.”
De schrijfster hield haar hoofd schuin zodat het roodborstje vanaf de tak in haar oor kon kijken.
“Tjilp.” Het roodborstje tjilpte vanaf zijn tak van de kersenboom richting het oor van de schrijfster, maar er rolde geen enkel verhaaltje uit.
“Wacht, misschien tjilp ik te zachtjes, ik kom wat dichterbij,” en het roodborstje vloog van de hoogste tak van de kersenboom tot op de schouders van de schrijfster. Met zijn kleine snaveltje pakte hij voorzichtig een paar plukjes haar op en legde die aan de kant. Op deze manier kon hij precies op het oorlelletje van de schrijfster zitten.
“TJILP,” tjilpte hij heel hard in haar oor. En nog een keer, “TJILP!”.
Maar het bleef leeg, geen enkel verhaaltje, geen enkel woordje kwam tevoorschijn.

“Ooo, wat nu. Wat moet ik nu gaan doen om geld te verdienen. Ik vind het niet leuk om in een kantoor te werken of achter de kassa te staan in een winkel. Ik wil kunnen leven van mijn verhalen. Mensen en kinderen blij maken, dat is wat ik wil. Maar dat kan nu niet meer…”
Een dikke traan viel uit de ogen van de schrijfster via haar wang op haar hand. “Ooo wat moet ik nu doen?”

Het kleine roodborstje werd er verdrietig van. Ook hij voelde dat er een klein traantje naar boven kwam, maar roodborstjes huilen niet dus hij slikte zijn traan gauw weer weg.
“Nee, ik geloof het niet dat al je verhaaltjes weg zijn. Kom laat mij nog eens een keer kijken.”
Met zijn kleine kraaloogjes keek het kleine roodborstje diep in haar oor. Hij tuurde en hij tuurde. Heel diep in het oor, maar dan ook heel diep, zag hij iets kleins. Iets heel kleins. Het leek wel alsof het bewoog.
“Doe je hoofd nog iets schuiner en blijf dan heel stil zitten.”
De schrijfster deed haar hoofd nog schuiner. “Zie je iets?” vroeg ze.
“Sttt, niks zeggen.”
Heel voorzichtig ging het kleine roodborstje met zijn snaveltje diep in het oor van de schrijfster. Met het puntje van zijn snavel voelde hij daar iets bewegen. Langzaam greep hij het kleine dingetje diep in het oor en liep toen naar achteren over de oorlel naar de schouder van de schrijfster. Daar legde hij het kleine wiebelige ding neer.

Het was een zwarte grote letter A. Een letter die waarschijnlijk vast had gezeten in het oor omdat hij zo groot was.  De A, het begin van het alfabet. De A, die in alle verhaaltjes van de schrijfster voorkomt, had vast gezeten, gewoon omdat hij veel te groot was.
“Ooo, is dat de reden dat er geen verhaaltjes meer kwamen,” zei de schrijfster terwijl ze keek naar haar schouder, “zou het nu opgelost zijn?”

Het roodborstje keek naar het oor waar hij net met veel geduld de grote letter A uit had gehaald. En wat kwam daar uit het oor lopen? Daar waren de letter B en de C en daar achter liep een kleine letter d.
“Ja,” schreeuwde het vogeltje, “daar komen ze weer, de letters, het begin van alle verhaaltjes. Het is gelukt!” en hij vloog van plezier een rondje over het hoofd van de schrijfster.

De schrijfster pakte gauw haar pen en papier want ze wist dat als de letters eenmaal kwamen, dan kwam het verhaaltje vanzelf.

Reageer!