CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Job en Roos bouwen een huis van dozen. Het is zo groot dat ze er samen in passen.
Ineens staat het huis in brand.
Job belt de brandweer: “Help,help, ons huis staat in brand!”
“Tatuu tatuu,” daar komt Roos in de brandweerauto aan.
“Rustig maar meneer, ik blus de brand en ik red uw kinderen.”
“Ik heb geen kinderen,” zegt Job. “Alleen een poes, maar die is buiten.”
Brandweervrouw Roos heeft de brand snel geblust, maar het dozenhuis is ingestort.

“We gooien het huis weg,” zegt Roos. “Ik ben de vuilniswagen.”
Job zet alle dozen bij elkaar en Roos pakt ze met grote grijphanden op.
Ze gooit de dozen in de gang, dat is de vuilnisbelt.

“Jij was toch wel een beetje ziek geworden van de brand Job. Je moet naar de dokter. Ik ben de dokter.”
“Dag dokter, mijn huis stond in brand en nu heb ik buikpijn,” zegt Job.
Dokter Roos kijkt in de keel van Job. Ze pakt een plastic flesje en doet er een beetje water in.
“U moet dit drankje slikken, twee keer per dag, dan gaat de buikpijn over. En je mag gewoon naar school, want we gaan schooltje spelen. Ik ben de juf.”

“Nee, we gaan verkleden,” zegt Job, en hij doet de grote mand met verkleedkleren open.
Hij heeft iets heel moois gezien. Een jurk! Een roze jurk met rode bloemen en groene blaadjes.
Die is van de mama van Roos geweest.
Onderin de mand liggen slippers. Witte slippers met glitters en hakken.
Job wil prinses zijn!

“Nee Job,” zegt Roos. “Ik wil die jurk aan,” en ze trekt de jurk uit de handen van Job.
“Geef terug,” gilt Job. “Dat is mijn prinsessenjurk!”
“Nee, jongens hebben nooit een jurk aan. En ik wil de slippers. Meisjes hebben slippers met hakken, jongens niet!”
“Echt niet, ik ben de prinses,” en Job duwt Roos weg. Roos geeft Job een klap op zijn hoofd en Job trekt aan de haren van Roos. Ze slaan en duwen elkaar. Ze maken zoveel lawaai dat papa komt kijken.
“Hé, hé, hou daar eens gauw mee op. Waarom vechten jullie zo?” vraagt papa.
“Ik wil de jurk aan, want ik ben een meisje,” snikt Roos.
“Nee, ik wil prinses zijn,” snikt Job. “En ik had hem eerst.”
“Jongens hebben geen jurk aan, alleen meisjes,” zegt Roos nog een keer.
“Niet waar,” zegt Job. “Jij bent alles al, brandweer, vuilnisman, dokter, nou wil ik prinses zijn.”

Roos kijkt nog even boos, maar dan pakt ze blauwe hakkenschoenen en een rood hoedje uit de mand. Job heeft gelijk, zij kan alles zijn.
“Oké, jij mag prinses zijn, dan ben ik je lakei.”
Job trekt de jurk aan en Roos helpt hem met de knoopjes. De glitterslippers staan heel mooi, en prinses Job loopt trots door de kamer. De hakken lopen wel een beetje moeilijk, maar gelukkig houdt lakei Roos hem goed vast!

 

Vorig verhaalDe schrijfster en het roodborstje
Volgend verhaalPandabeer en Giraf op zoek naar de zon

Reageer!