Geelpoot

Ik ruik iets. Het ruikt heel erg lekker. Ik snuffel in de lucht, met mijn kattenneusje ruik ik álles. Vis van de viskraam, brood uit de bakkerij, vlees van de slagerij. En dan is er nóg een geur die ik opsnuif. Papier! Ik houd zoveel van papier.

Ach, ik ben zo druk aan het snuffelen dat ik vergeet mezelf voor te stellen. Je zult je wel afvragen wie ik ben. Ik ben Zwartpoot, een zwerfkat. Zwartpoot is mijn naam omdat ik vier zwarte pootjes heb. Mijn oortjes en mijn staart zijn wit. Ik had dus ook Witoor kunnen heten, of Witstaart. Maar ik heet Zwartpoot. Ik ben zwartwit en iedereen vindt me mooi. Jij vindt me ook mooi, dat weet ik zeker.

Misschien vraag je je wel af waarom ik een beetje dun ben. Dat komt omdat ik een zwerfkat ben en geen huis heb. De meeste zwerfkatten lopen heel erg ver weg. Maar ikke niet hoor, ik ben een beetje een luie kat en ik slaap meestal op een bankje in het park en daarna loop ik achter de geur van vlees, brood, koekjes, taart, appel en banaan aan. Ik weet het, ik ben een beetje raar.

Banaan is mijn lievelingseten. Nou ja, mijn op één na lievelingseten. Beloof je dat je me niet uitlacht? Dan verklap ik je mijn geheimpje.

Het allerlekkerste vind ik papier. Gewoon een piepklein hapje hoor, anders word ik misselijk. En dan vooral bladzijden uit kinderboeken. Met veel plaatjes. Die smaken het lekkerst. Dat komt door alle kleuren, denk ik. En die ruik ik nu ook. Een gekleurde bladzijde. Of misschien wel heel veel bladzijden. Het ruikt erg sterk.

Ik volg de geur verder en verder, tot ik bij een grote winkel ben. Een winkel vol boeken, wel een miljoen denk ik. Boeken links en rechts van me op hoge stapels tot aan het plafond. “Miauw,” ik maak een vreugdesprongetje en ren zo hard ik kan door de winkel. Ik smak tegen stapels boeken aan en die vallen om. Maar ik heb lol en spring erover heen. Hup. En nog eens, hup.

Maar dán ben ik niet snel genoeg. Een groot boek valt op mijn staart. “Miauwwwww,” krijs ik. Au, dat doet zeer. Zie je hoe dik mijn staart nu is? Wel drie keer zo dik als net. Ik wiebel mijn staart heen en weer. Misschien kan ik de pijn eruit wiebelen. Het werkt een klein beetje en het ziet er nog grappig uit ook.

Een man kijkt naar me. Hij heeft grote bruine ogen, die glinsteren wanneer hij lief naar me lacht. Zijn hand aait me. Het is een warme hand, die zachtjes door mijn haren glijdt. Ik spin. Ik schrik er zelf van, dat heb ik al heel lang niet meer gedaan. Ik doe het nog eens: “prrrrr.” Mijn staart doet bijna geen pijn meer, merk ik. Het spinnen helpt. Ik probeer het nog eens; “prrrrr.”

De man lacht nu zo hard dat ik al zijn tanden zie. “Je mag wel bij mij komen wonen, je bent erg grappig,” zegt hij en hij schudt nog steeds van het lachen. “Ik woon boven de winkel. Ga je mee?”

Ik volg hem de trap op.

“Heb je honger?” vraagt hij. Ik wil ja miauwen, maar dat lukt niet, omdat ik net een hapje uit een krant neem die op de bank ligt. Maar ik zie dat hij iets geels pakt. Ik slik vlug het stukje papier door en doe vast mijn bek open. Jippieeee, ik ruik al wat het is. Banaan!

“We delen hem,” zegt hij tegen me. Hij pakt een vrolijk schoteltje met bloemetjes erop waar vier plakjes banaan op liggen. Ik peuzel het op. Daarna legt hij de schil op mijn voorpoten en zegt: “kijk je hebt gele pootjes. Ik ga je Geelpoot noemen.”

Ik miauw eventjes tegen hem en lik dan de bananenschil helemaal uit. Als ik écht niets meer op kan en bijna ontplof, kijk ik naar mijn voorpootjes en denk: ik ben de gelukkigste Geelpoot op de hele wereld!

 

Illustratie: Robert Weelink