Een heks op een bezemsteel

Maartje was stomverbaasd toen het heksenmeisje haar hulp vroeg.
“Ehhh, ja, natuurlijk wil ik je helpen… Maar hoe?”
“Wel,” zei het heksenmeisje, “twee zien meer dan één zegt mijn mama, en dan kan ik ook beter opletten met vliegen, zo goed ben ik nog niet.”
“O, ja dat is waar. Maar hoezo vliegen?”
Help! dacht Maartje, moet ik achterop een bezemsteel?

“Ja, hoezo vliegen?” zei het heksenmeisje een beetje kattig. Alle heksenmeisjes zijn een beetje kattig. “Hoe gaan we anders mijn kat vinden, te voet schiet het niet op. Dus klim je raam uit en stap achterop, dan gaan we!”
“Ik… Ik ben in mijn pyjama…” zei Maartje zachtjes, “Dat lijkt mij wel een beetje koud?”
“Hmmmm,” zei het heksenmeisje, “dat is waar, wij heksen hebben daar nooit veel last van, maar jullie wel. Ik kan nog niet goed genoeg toveren om je een jas te geven. Maar van dat dekbed kan ik wel wat maken, geef maar hier.”

Maartje pakte haar mooie roze dekbed met bloemetjes en sleepte het naar het raam.
“Ga maar even bij de deur staan. Je weet maar nooit, straks tover ik jou per ongeluk om in een jas,” lachte het heksenmeisje.
Maartje moest ook lachen, dat zou wat zijn.

Het heksenmeisje dacht na. Hoe kon ze dit het beste doen? Een slaapzak was makkelijker geweest, daar tover je gewoon 3 gaten in. “Abracadabra… klein!” zei ze heel hard terwijl ze met haar toverstok draaide.
Er kwamen allemaal sterretjes uit de stok en POEF! daar was Maartjes dekbed, maar dan veel kleiner.
“Nu nog 2 gaten, voor je armen en een grote knoop voorop.”
Weer draaide ze met haar toverstaf en POEF!
“Trek maar aan, je nieuwe jas,” giechelde het heksenmeisje.

Maartje trok de jas aan en hij paste perfect. “Dat heb je mooi gedaan.”
“Kom, we gaan mijn kat zoeken. Stap maar op de vensterbank, dan kan je zo achterop!”
“En… als ik val?”
“Als bestaat niet,” zei het heksenmeisje, “gewoon achterop gaan zitten en mij goed vasthouden.”
Maartje nam diep adem, klom op de vensterbank en sprong tot haar eigen verbazing achter op de bezem.
“Jippieeeeeee!” gilde het heksenmeisje terwijl ze keihard door de lucht vlogen.
De wind vloog door Maartje haar haren heen, en haar ogen traanden een beetje, maar het was geweldig. Ze was helemaal niet bang. “Harder, harder,” gierde Maartje en de bezem schoot vooruit.

Na een tijdje ging de bezem langzamer en ze daalden naar beneden. Maartje keek verbaasd om haar heen. “Maar dit is mijn school?”
“Ja, hier ben ik op het dak geweest samen met mijn kat, we wilde even uitrusten van al dat vliegen.”
Op het dak van je eigen school staan is best gaaf, dacht Maartje en ze huppelde heen en weer.
“Kom we gaan zoeken.”
Het heksenmeisje pakte Maartje haar hand vast en ze liepen samen over het platte dak van de school.

“Poes, poes, poes! Eum, hoe heet jou poes eigenlijk?” vroeg Maartje.
“Zwartje, want ze is echt pikzwart.”
“En hoe heet jij eigenlijk?” vroeg Maartje.
“Willemijn,” antwoordde Willemijn het heksenmeisje.
“Is dat echt een heksennaam?”
“Ja hoor, mijn oma heet ook zo. En ik weet dat jij Maartje heet, want ik stond al een tijdje bij jullie buiten, te wachten tot je op je kamer was en ik je kon vragen om te helpen.”
“Ik ben blij dat je mij gevraagd hebt,” zei Maartje, “het is een spannend avontuur.”
“Kom,” zei Willemijn, “we gaan verder. Zwartje is hier niet, want anders was ze al lang gekomen.”

Ze stapten samen op de bezem en vlogen de donkere lucht in. De lange groene sjaal van Willemijn wapperde achter de bezemsteel aan. Samen vlogen ze overal heen om te zoeken naar Zwartje. Naar de kerk, naar de slager, bij de vuilnisbak van de supermarkt… Maar Zwartje was nergens te vinden.
“Ik denk dat ik morgen maar weer verder moeten zoeken,” zei Willemijn een beetje verdrietig.
“Haal mij dan maar op, dan zoeken we weer samen,” zei Maartje en ze deed haar arm om Willemijn heen. “We vinden haar vast wel.”

~~~

Willemijn remde de vaart van de bezemsteel af en ging langzaam naar Maartje haar achtertuin.
“Had je hier de takken van mijn bezem verstopt?” vroeg Willemijn, terwijl ze afstapte. “Die wil ik graag terug hoor, want dan kan ik veel harder vliegen.”
Ze zette de bezem keurig naast de schuur, waar Maartje haar gisteravond had zien staan.
“Nee,” antwoordde Maartje, “de takken zitten onder mijn matras. Daar waren ze veiliger.”
“Ok dan vliegen we naar je slaapkamer om ze te halen, spring maar weer achterop,” zei Willemijn.

Maar dan hoorden ze plots: “Miauw, miauw.”
“Hoorde je dat?” zei Maartje verrast.
“Zwartje, poes, poes, poes, waar ben je?” deed Willemijn meteen.
“Het komt uit onze schuur,” zei Maartje. Ze deed de schuur deur open en daar lag Zwartje op het tuinkussen.
“Haha, die heeft lekker liggen slapen!” lachte Willemijn.

Zwartje sprong met een sierlijke boog op Willemijn haar schouder.
“Nu lijk je echt een stoere heks met Zwartje op je schouder,” zei Maartje.
Willemijn keek heel trots.
“Dank je. Kom, ik breng je naar je raam…”

Maartje sprong achterop de bezem alsof ze nog nooit anders gedaan had, en ze vlogen naar haar raam. Ze stapte op de vensterbank en ging naar binnen.
“Wel jammer dat ik morgen niet meer mee kan om te zoeken,” zei Maartje zachtjes, terwijl ze Willemijn haar bezemtakken terug gaf.
“We kunnen toch ook gewoon op avontuur en lekker vliegen,” glimlachte Willemijn.
“Dat zou echt super zijn, Willemijn!”
“Doei, tot morgen Maartje!”
En Maartje zag Willemijn en Zwartje weg vliegen, de nacht in.

Maartje liep met haar dekbedjas naar haar bedje en viel met een grote glimlach in slaap. Ze was heel blij met haar nieuwe vriendin!