Er was eens… een beer die in een groot bos woonde. Hij had een mooi huis, heel veel dierenvrienden, hij beleefde veel avonturen, maar toch was hij ongelukkig. Beer had namelijk al een paar dagen niets meer gegeten. Hij verlangde naar een grote pot lekkere honing.

Opeens dacht Beer aan zijn beste vriend meneer de Haas. Haas had altijd wel een voorraadje honing in huis. Opgewonden rende Beer ernaartoe en klopte op de deur. Er deed echter niemand open.
“Misschien zit Haas in bad,” dacht Beer. “Ik zal hem eens doen schrikken.”
Hij sloop stilletjes naar binnen. Maar Haas was er niet. Niet in de keuken, niet in de slaapkamer, niet in de badkamer, nergens. Treurig keek Beer in het rond, tot hij de pot honing die in de keuken stond ontdekte. Zijn gezicht klaarde helemaal op.
“Haas vindt het vast niet erg dat ik een potje meeneem. Ik geef er hem later dan wel ééntje terug.”

Dolblij liep Beer terug naar huis. Toen hij thuiskwam, maakte hij het zich gemakkelijk in zijn grote, gezellige zetel en stak zijn poot in de heerlijke, goudkleurige honing. Maar net toen Beer zijn poot erin stak, klapte de pot met een knal dicht.
“AUWWWWWWW!!!”
Beer schreeuwde het uit van de pijn. Hij rende, met zijn poot nog steeds in de pot, zo snel als zijn berenpoten hem konden dragen naar Haas. Haas had het bezoek al verwacht. Toen hij thuiskwam had Haas gemerkt dat er een pot honing ontbrak. Er was maar één iemand in heel het bos die de pot zou kunnen gestolen hebben.

“Haas, help me alsjeblieft!” jammerde Beer. “Mijn poot zit vast in de pot.”
Haas antwoorde: “Ik help je op één voorwaarde. Beloof me dat je nooit meer honing meeneemt zonder het eerst aan mij te vragen.”
“Ik beloof het,” snikte Beer. “Erewoord”.
“Goed dan,” zei Haas en hij bevrijdde de poot van Beer uit de pot. Beer was Haas zo dankbaar dat hij hem een hele dikke knuffel gaf, waardoor Haas bijna geplet werd.

Vanaf die dag vroeg Beer altijd aan Haas of hij honing mocht meenemen. En nu nog altijd leven Haas en Beer gelukkig in hun eigen, grote bos.

 

Reageer!