Net op tijd konden Joris en zijn familie nog op de vakantietrein geraken. Maar die valt stil… Moeder overtuigt de anderen om het bos in te gaan. Dat loopt niet zo best. Gelukkig vindt Hondje een huisje.

Moeder pakt de strijkplank en vader de koffers. Vol goede moed lopen ze achter Hondje aan, die met Joris vooroploopt. Al snel staan ze aan de rand van het bos. Daar staat inderdaad een klein huisje met een veranda ervoor.
“Is dit geen mooi vakantiehuisje?” zegt moeder enthousiast.
“Thomas, klop jij even aan?”

Vader zet zuchtend de koffers neer en klopt aan. Er gebeurt niets. Hij voelt aan de deur, die gaat zomaar open.
Hij roept: “Hallo, is er iemand thuis?” Geen enkele reactie.
“Ik vind het een leuk huisje,” zegt Joris.
“Hier wil ik best vakantie vieren,” zegt moeder en ze gaat in een schommelstoel op de veranda zitten.
“Als jullie nu hier blijven, dan ga ik kijken of ik iemand kan vinden die bij dit huisje hoort,” zegt vader.

Joris en Hondje willen de omgeving gaan verkennen.
“Niet te ver weg, Joris,” zegt moeder.
Maar Joris hoort haar al niet meer. Hij loopt over een steil paadje de heuvel af. Hondje dartelt om hem heen en schiet in de struiken. Joris er achteraan. Er is een groot gat in de berg. Joris probeert te zien wat er is. Het is erg donker achter in dat gat.
Voetje voor voetje loopt Joris het gat in de berg in. Hondje stijf tegen hem aan.
Dan zegt Hondje: “Er woont hier een dier.” Hij steekt zijn neus in de lucht.
Achter in de grot hoort Joris gescharrel. Hij houdt zijn adem in. Wat is dat?
“Zullen we maar teruggaan?” zegt hij.
Er klinkt gegrom achter uit de grot.
Hondje blaft, zijn nekharen staan recht overeind.
Vanuit het duister komt een grote zwarte schaduw naar voren gelopen. Joris kijkt nog eens goed. Hij ziet eerst alleen maar felle gele ogen in een zwarte kop en een grote bek met gevaarlijke scherpe tanden. Hij gilt en maakt dat hij wegkomt. Hij glijdt uit en tuimelt voorover in de modder. De hete adem van het dier voelt hij in zijn nek.
“Hondje, help,” schreeuwt hij.
Hondje blaft. “Joris, je hoeft niet bang te zijn. Het is een hond.”
Joris doet zijn ogen een klein stukje open. De hond staat met kwispelende staart naast hem.
Joris krabbelt overeind. Het is grote, magere hond met een vale, grauwe vacht. Zijn ogen staan treurig.
“Wat doet hij hier? Waarom woont hij niet bij mensen?” vraagt Joris en kijkt naar Hondje.
Hondje loopt op de grote hond af, geeft een kort blafje en vertelt: “De hond heet Bas. Hij woonde op een boerderij als waakhond. Hij lag de hele dag met weer en wind aan de ketting en moest blaffen als er vreemde mensen het erf op kwamen. De boer vergat hem dikwijls eten te geven en sloeg hem met een stok. Daarom is de hond weggelopen.”
“Hij mag wel met ons mee, als hij wil,” zegt Joris. “Moeder regelt wel wat te eten voor hem.”

“Joris, wat zie je eruit,” roept moeder als ze even later bij het huisje terug zijn.
“Ik ben uitgegleden,” zegt Joris. De modder druipt van hem af.
Met een doek maakt moeder zo goed en zo kwaad het gaat Joris weer schoon.
“Vanavond maar in bad,” zegt ze.
“Ik heb nog iemand meegebracht,” zegt Joris.
Moeder schrikt van de grote, zwarte hond, maar vindt hem ook zielig. Hij mag wel blijven. Ze vindt wel dat hij gewassen moet worden.
“Dan kunnen jullie mooi vanavond samen in bad,” zegt ze en moet hard lachen om het gezicht dat Joris trekt.

“Elisa, Elisa, kom eens mee.”
Vader komt de heuvel op rennen en roept al vanuit de verte.
“Wat is er aan de hand?”
“We hebben je hulp nodig.”
“Moet er getoverd worden?” vraagt moeder met een blij gezicht.
Dan ziet vader Bas en houdt in. “Zo, dat is een grote hond,” zegt hij.
Joris vertelt het verhaal. Vader knikt en zegt: “Maar eerst moet moeder meekomen.”
Vader neemt moeder aan de hand en Joris en Hondje rennen er achteraan. Bas blijft op het huisje passen.
“Wat is er aan de hand?” vraagt moeder.
“Kom maar kijken, ” zegt vader.
Even verder staat een groot buitenhuis. Joris heeft nog nooit zo’n mooi huis gezien. Het lijkt wel een paleis.
Op de trappen voor het huis staat een groep mensen. Ze praten druk en lopen door elkaar.
“Hallo mensen,” roept vader. “Hier ben ik weer en ik heb mijn vrouw meegebracht en die gaat jullie probleem zo oplossen.”
De mensen klappen en kijken allemaal naar moeder.
“Wat hebben die mensen vreemde kleren aan,” zegt Joris.
“Dat heb je goed gezien Joris,” zegt vader. “Dit zijn toneelspelers.”
“Elisa, zie je wat aan de kleren?” vraagt vader.
Moeder durft het niet hardop te zeggen. “Hun kleren zijn helemaal verkreukeld,” fluistert ze vader in het oor.
Vader knikt en zegt: “Vanavond moeten ze een hele belangrijke voorstelling geven. Dan moeten ze er piekfijn uitzien. Zelfs hun koning komt.”
“Waarom zien hun kleren er zo uit?” vraagt moeder.
“Een inbreker heeft hun koffers leeggehaald en alle kleren door de kamer gegooid, daardoor zijn ze zo verkreukeld.”
“Verschrikkelijk,” zegt moeder. “Het is geen zicht.”
“Kun jij ze niet helpen?”
Er glijdt een stralende lach over moeders gezicht.
“Zie je wel dat het een goed idee van mij was om mijn strijkplank mee te nemen,” zegt moeder.
“Thomas, ga jij even de strijkplank halen.”

Als vader de strijkplank heeft uitgeklapt en moeder het eerste kreukelige kledingstuk erop legt, slaat ze haar hand voor haar mond.
“Zie je wel, toch nog wat vergeten. Ik heb wel een strijkplank maar geen strijkijzer. Hoe kan ik nu strijken? Waarom heb jij daar nu niet aan gedacht Thomas. Ik moet ook overal zelf aandenken.”
Ze laat zich op een stoel vallen en jammert: “Hoe moet dat nu? Alles gaat fout vandaag.”
“Misschien kun je een beetje toveren,” fluistert vader haar in het oor.
Moeder kijkt vader stralend aan. “Meen je dat echt, Thomas?”
Vader zegt: “Ik zie geen andere oplossing.”
Moeder neemt haar hoofd in haar handen en beweegt langzaam heen en weer. Dat doet ze de laatste tijd steeds als ze een moeilijke toverkunst moet doen en het niet zo goed meer weet. Het lijkt te helpen.
Ineens klaart haar gezicht op. “Ik doe het gewoon met mijn handen.”
Ze gaat naast de strijkplank staan, strijkt met haar handen over het kledingstuk en mompelt een toverspreuk. De kreukels verdwijnen uit het kledingstuk de een na de ander.
“Prachtig,” zegt moeder. “Dit gaat nog beter dan met een gewoon strijkijzer.”
In een hoog tempo gaat het ene kledingstuk na het andere onder haar handen door. Ze lijken wel als nieuw. De toneelspelers klappen in hun handen als ze het resultaat zien. Zo mooi is hun kleding nog nooit geweest.

‘s Avonds mogen moeder, vader en Joris naar de voorstelling komen kijken. Wat zien de toneelspelers er prachtig uit.
Bij aanvang van de voorstelling staan alle mensen op en klappen in hun handen.
“Waarom gaan de mensen staan?” vraag Joris aan moeder.
“Omdat de koning binnenkomt,” fluistert moeder.
Joris knikt blij verrast. Hij heeft nog nooit een echte koning gezien.
Maar is dat nu een koning? Hij heeft geen kroon op en ook geen rode mantel om. Hij heeft gewoon een stijf pak aan. Net zoals meneer Hinkepink.

Omdat moeder de toneelspelers zo goed geholpen heeft, mogen ze van de baron en de barones, die in het prachtige buitenhuis wonen, de vakantie in het huisje doorbrengen. Moeder wast Bas grondig en nadat hij een bak met eten gehad heeft, ziet hij er glanzend uit. Joris gaat in de vakantie veel met Hondje en Bas op stap en amuseert zich rot.

En na de vakantie, wat gebeurt er dan met Bas? Na de vakantie mag Bas bij de baron en barones blijven. Ze waren erg geschrokken dat er ingebroken was in hun buitenhuis en kunnen een waakhond goed gebruiken. Zo vindt Bas zijn nieuwe thuis!

Vorig verhaalDe vakantietrein
Volgend verhaalFelien

Reageer!