De hele kamer ligt vol met spullen: met tassen, met koffers, met handdoeken, met haarborstels, met pyjama’s, met sokken, met… van alles.
“Kunnen de koffers nu eindelijk dicht,” roept vader. “De trein vertrekt over achttien minuten.”
“Oh, ik ben nog lang niet klaar,” zegt moeder. “Er moet nog van alles mee.”
“Maar de koffers zijn al boordevol,” zucht vader.
“Ik weet het niet meer,” zegt moeder. “Ik ben mijn lijstjes kwijt.”
“Zeker ook al ingepakt,” zegt vader met een grijns.
“Thomas, je bent gemeen,” zegt moeder.

Ze loopt naar de keuken en komt terug met de strijkplank.
“Die moet ook mee,” zegt ze.
“Maar daar is helemaal geen plaats voor,” sputtert vader tegen.
“En toch moet hij mee, er valt altijd wat te strijken.”
Vader schudt zijn hoofd. Moeder heeft altijd weer iets aparts.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

“Hebben we nu dan alles?”
“De mand van Hondje moet nog mee,” roept Joris. “En mijn schep en mijn rode bal.”
“En we moeten de zonnebrillen niet vergeten,” roept moeder. “We moeten vijf zonnebrillen meenemen.”
“Vijf?” vader fronst zijn wenkbrauwen.
“Ja vijf,” zegt moeder. “Eén voor jou, één voor mij, één voor Joris, één voor Hondje en één als we er ééntje kwijt raken.”
“Hebben we nu alles?” vraagt vader. Hij doet de koffers dicht. Bij de grootste lukt het niet.
“Elisa en Joris, gaan jullie eens boven op die koffer zitten.”
“Au, au,” brult vader dan. “Niet zo snel! Mijn vinger zit er nog tussen.”

Kreunend en steunend lukt het vader de koffer dicht te krijgen. De strijkplank bindt hij met een touw aan de grootste koffer vast. Dan sleurt hij de koffers naar de auto. Joris past net met Hondje op de achterbank tussen de tassen. Eindelijk kunnen ze op weg naar het station.
“Ik heb steeds maar het gevoel dat we iets vergeten,” zegt moeder.
“Alle koffers zitten stampvol,” zegt vader. “Er kan echt niets meer bij.”

Ze zijn net het dorp uit als moeder zegt: “Thomas, weet je zeker dat je de treinkaartjes bij je hebt?” Een kort moment is het akelig stil. Vader trapt zo hard op de rem dat de auto slippend tot stilstand komt.
Hij roept: “Die zou jij toch meenemen!” Hij grijpt met beide handen naar zijn hoofd.
“Zie je wel,” zegt moeder. “Ik wist het wel, dat we iets vergeten waren.”
Ruw draait vader de auto en in een vliegende vaart rijden ze terug naar huis.
“Thomas, rijdt niet zo hard,” roept moeder. “Straks krijgen we nog een ongeluk.”

Thuis aangekomen vliegt vader naar binnen en zwaait met de kaartjes als hij terugkomt.
Ze zijn laat, vader geeft flink gas.
“We halen het nog wel,” zegt hij. Hij heeft het nog niet gezegd of er staat een politieagent met opgeheven hand aan de kant van de weg. Vader moet stoppen.
“Heeft u enig idee waarom u moet stoppen, meneer?” vraagt de agent. Hij kijkt vader vragend aan van onder zijn pet.
“Ik reed te hard,” zegt vader.
“We moeten de trein halen,” zegt moeder. “We waren de kaartjes vergeten.”
“Zo, zo,” zegt de agent. “En dan rijden we maar veel te hard.”
“Nu missen we vast de vakantietrein,” huilt Joris op de achterbank.
“Ik moet u eigenlijk een bekeuring geven,” zegt de agent. “Maar ik wil voor deze keer over mijn hart strijken.”
“Dank u wel, meneer de agent,” zegt moeder. “U bent de liefste agent van de hele wereld.”
Ze geeft hem een dikke zoen op zijn wang.
“Ja, ja,” zegt de agent. “Zo is het wel goed en denk erom niet meer te hard rijden.”

Als ze eindelijk op het station aankomen, staat de speciale vakantietrein er nog.
“Vlug!” roept de conducteur. “Opschieten, we hebben op jullie gewacht.”
Hij helpt vader met de koffers in de trein te tillen.
Eindelijk zitten ze op hun plaats. De conducteur blaast op zijn fluitje en daar gaan ze.
“Wat moet u met een strijkplank op vakantie?” vraagt de conducteur als hij even later de kaartjes komt knippen.
“Ja ziet u,” zegt vader. “Mijn vrouw strijkt graag en ook op vakantie is er altijd wel wat te strijken.”

De trein rijdt al maar verder, van het ene station naar het andere. Joris zit aan het raam en ziet het landschap aan zich voorbijtrekken. Eindeloze groene weidevelden met hier een daar koeien. Hij valt er bijna van in slaap. Soms stopt de trein in een stad en stappen er nog meer vakantiegangers in.
Joris is nog nooit zo ver van huis geweest. Hij is nu klaarwakker en kijkt zijn ogen uit. Ze rijden tussen heuvels en soms wordt het ineens pikkedonker als de trein door een tunnel rijdt. Spannend vindt Joris dat.

Ineens remt de trein zo hard dat Joris van zijn plaats vliegt, zo voorover bij moeder op schoot. De conducteur komt langs.
“Wat is er aan de hand?” vraagt vader.
“De trein is ontspoort,” zegt de conducteur. “We kunnen niet verder.”
“Zeker een wissel die niet goed stond,” zegt Joris. “Dat heb ik bij mijn treintje ook altijd.”
De conducteur zegt: “Dat weet ik niet, maar voorlopig staan we hier wel een tijdje.”
“Hoe moet dat nu met onze vakantie?” vraagt moeder.
“Tja,” zegt vader. “Dat weet ik ook niet.”
“ik wil niet de hele nacht in de trein zitten wachten,” zegt Joris treurig.
“Weet je wat,” zegt moeder en kijkt naar buiten. “Het ziet er hier best vakantie-achtig uit zo met die heuvels en die bossen. Waarom gaan we hier geen vakantie vieren.”
“Wat een goed idee,” zegt Joris en klapt in zijn handen.
Vader kijkt een beetje bezorgd. “Waar moeten we dan slapen en zo?”
“Och, we vinden vast wel wat,” zegt moeder.
“Je gaat niet toveren hoor!” roept vader. Moeder steekt haar tong uit naar vader.

“We stappen hier uit,” zegt moeder tegen de conducteur.
“Weet u dat heel zeker, mevrouw?”
Moeder is vastbesloten en zegt: “Ja hoor, we gaan hier op vakantie.”
“Zo u wilt.” De conducteur doet de deur open.
“Thomas, draag jij de koffers, dan zal ik de strijkplank dragen,” zegt moeder.
De conducteur geeft vader de koffers aan.
“Ik wens u veel sterkte meneer,” zegt hij.
Moeder gaat voorop. Ze draagt de strijkplank en een paar tassen. Joris, die het mandje van Hondje draagt, loopt achter haar aan en vader sluit hijgend en puffend met de zware koffers de rij.
Moeder neemt het eerste het beste pad dat het bos in leidt.

Even verderop staat ze stil en wijst met haar vinger in de lucht.
“Hoor je de vogels?” vraagt ze aan Joris. “Dit wordt vast een heerlijke vakantie.”
Joris knikt en vraagt: “Waar gaan we slapen? En ik heb honger.”
“We komen vast wel een leuk plekje tegen,” zegt moeder. “Waar blijft je vader toch, ga jij eens kijken?”
Vader komt net om de bocht van het pad. Hij moet even zitten.

“Heb je nu lang genoeg gezeten, Thomas?” vraagt moeder. “Dan kunnen we verder.” Moeder loopt alvast door. “Dit wordt vast een hele leuke vakantie,” zegt ze.
Ze lopen en ze lopen. Er lijkt geen einde aan het pad te komen. Vader moet steeds even uitblazen. Het zweet staat hem dik op het voorhoofd. Zijn gezicht staat op onweer. Moeder trekt er zich niets van aan. “Nog een klein stukje,” zegt ze steeds. “Ik weet het zeker.”

Ze komen bij een splitsing. Moeder blijft staan.
“Moeder, ik ben moe,” zegt Joris. “Duurt het nog lang? Ik heb dorst.”
Moeder zucht, ze zet de strijkplank tegen een boom.
“Weet je het nog?” vraagt vader. “Ik kan echt niet veel verder meer.”
Moeder gaat naast de strijkplank tegen de boom zitten.
“Laten we even uitrusten,” zegt ze. “Er komt zo vast wel iets.”
“Ja, ja, dat zeg je al de hele tijd,” zegt vader. “Maar ik zie nog steeds niets.”
“Natuurlijk komt er wat,” zegt moeder. “Er komt altijd wat.”
“Gaan we hier nu links of rechts?” vraag vader.
Moeder kijkt naar links en naar rechts en schudt haar hoofd.
“Ik weet het niet,” zegt ze zachtjes
“Als jij het niet weet, wie moet het dan weten?” zegt vader.
“Ik weet toch ook niet alles,” zegt moeder.
“Daar zijn we dan mooi klaar mee,” zegt vader. “Zitten we hier midden in een bos zonder eten, zonder drinken.”
“Ik heb nog een rol koekjes in mijn tas en een fles water,” zegt moeder.
“Hoe moet dat nu?” vraagt Joris. “Gaan we in het bos slapen? En wat gaan we eten?”
Hij kruipt tegen moeder aan.
“Is dit nu vakantie?”
De zon verdwijnt achter de wolken. Vader kijkt omhoog.
“Welja, regen, dat kan er nog wel bij.”
Hij maakt een koffer open en haalt de regenjassen eruit. Van de strijkplank en de regenjassen bouwt vader een soort tent zodat ze tenminste droog kunnen zitten. Bedrukt zitten ze bij elkaar.
“Misschien komt er iemand langs aan wie we de weg kunnen vragen,” oppert moeder.
“Denk je dat nu heus,” zegt vader. “Wij lopen nu al uren in dit bos en zijn niemand tegengekomen.”
Moeder haalt de rol koekjes uit haar tas en geeft vader en Joris er ieder een. De regen klettert op de regenjassen, loopt in straaltjes naar beneden en vormt plasjes tussen hun voeten
“Als het weer droog is, zouden we ook terug kunnen lopen naar de trein,” stelt moeder zachtjes voor.
“Dan sjouw jij de koffers maar,” zegt vader boos.

Joris kruipt in elkaar en staart naar zijn vader en moeder die ieder met een boos gezicht een andere kant op kijken.
Dit lijkt helemaal niet op vakantie, denkt hij. Waren we maar in de trein gebleven.
De regen valt nu in rechte stralen onvermoeibaar naar beneden.

Hondje blaft. Joris bukt en luistert naar wat Hondje te zeggen heeft.
“Hondje heeft een spoor geroken. Hij wil gaan kijken waar dat heen gaat.”
Vader knikt. “In ieder geval beter dan hier zitten te wachten,” zegt hij.
Hondje verdwijnt in de regen. Hij blijft lang weg. Joris kijkt onder de regenjassen vandaan of hij Hondje al weer ziet. Gelukkig stopt het met regenen. Even later breekt zelfs de zon door.
Eindelijk komt Hondje vrolijk kwispelend terug.
“Het spoor leidt naar een heel leuk huisje,” zegt Hondje tegen Joris.

Begint nu eindelijk de leuke vakantie? We ontdekken het… morgen!

Vorig verhaalOp zoek naar kapitein Prikkelbaard
Volgend verhaalHet vakantiehuisje

Reageer!