Haar hele bed lag vol met zachte knuffels, maar haar favoriete puppyhond kon ze niet vinden. Ze had onder het bed en dekbed gekeken, maar daar lag hij niet. Waar was puppyhond toch? Het was een kleine, bruin met witte knuffel. Volgens moeder was het eerder donkerbruin met zwart en rook hij vies. Dat vond Sanne helemaal niet. Puppyhond rook gewoon naar puppyhond.

“Je moet nu gaan slapen lieverd,” zei mama.
Maar hoe dan? Slapen zonder puppyhond kan echt niet!
“Eén nachtje. Morgen is puppyhond weer terug.”
Sanne wilde niet morgen, ze wilde nu! Ze was bang in het donker, zonder puppyhond.

Het geluid van de regen tegen het slaapkamerraam en het draaien van de wasmachine waren veel enger dan anders nu puppyhond er niet bij was. En de kleren op haar stoel leken wel een monster. Haar onderlipje trilde.
Nu moest Sanne huilen. Heel hard. Dat wilde ze niet, maar de tranen gleden zo over haar wangen op haar kussen. Ze streek ze weg, maar er kwamen steeds nieuwe tranen. Haar kussen werd natter en natter! En Sanne werd banger en banger. Als het water zo uit haar ogen bleef lopen, dan zou haar kamer helemaal vollopen met water. Vreselijk!

Sanne kroop op haar knieën naar het randje van haar bed. Stevig hield ze zich vast aan de stangen van het hoofdeinde, toen ze voelde dat het bed bewoog. Nu kon ze het water niet meer van haar wangen vegen, want als ze los zou laten dan zou ze van het bed vallen. Ze voelde dat het bed dreef.
Als ze nu eens kon stoppen met huilen, dan zou het water ook niet verder stijgen. Maar de tranen kwamen gewoon vanzelf. Hoe hoger het water kwam, hoe harder ze huilde.

Ze zag, in het zwakke licht van haar nachtlampje, dat het monster op haar stoel in het water zakte. Haar knuffels waren van het bed gevallen en het water had de pijpen van haar pyjamabroekje bereikt.
Ze gilde toen ze haar knuffels zag drijven. Haar natte pyjama voelde erg zwaar. Opeens hoorde ze een zacht stemmetje in haar hoofd, die zei dat ze rustig moest blijven. Je moet niet bang zijn, zei het stemmetje. Wie was dat stemmetje?
Het water was inmiddels gestegen tot aan haar middel. Je moet trappelen, Sanne, fluisterde de stem in haar oor.

Sanne trappelde en het water spetterde. Dat was eigenlijk best leuk. Ze ging zitten en bewoog haar benen heen en weer. Steeds harder, toen ze zag dat het water tegen de muren spetterde en op de knuffels belandde. Ze kon er zelfs een klein beetje om lachen. Toch keek ze nog rond waar het monster was gebleven.
Niet bang zijn Sanne, het monster is alleen eng als je bang voor hem bent. Weer die stem.

De knuffels hadden gezien dat Sanne aan het trappelen was. Dat deden ze nu ook. Beer spetterde naar Konijn. Die keek verontwaardigd. Haar drieling poppen Anne, Hanne en Sanne begonnen te giebelen: het was een grappig zicht, de druppels die naar beneden bengelden aan de snorharen van Konijn. Konijn probeerde z’n verontwaardigde gezicht vol te houden, maar het lukte niet, ook Konijn begon te lachen. En spetterde terug, naar meneer Beer.

Sanne hoorde nu alleen nog het geluid van giebelende spelende knuffels en spetterend water. De enge geluiden waren verdwenen. Het waren alleen nog geluiden plezier.
Er kwam abrupt een einde aan het spelplezier toen haar slaapkamerraam openvloog en ze allen met de stroom van het water naar buiten dreven. Het water verspreidde zich en daar lagen ze dan samen, gierend van het lachen op het grasveld.

Het was al licht toen ze moeders stem hoorde.
“Wat is hier gebeurd!”
Sanne streek met haar vuistjes door haar ogen. Ze zag dat ze tussen haar kleren en knuffels op de grond lag. Haar dekbed lag deels aan het voeteneinde van haar bed en deels op de grond. Ze voelde haar pyjama, haar kussen, alles was kurkdroog.
“Niets,” giebelde ze.
“Malle meid, kijk eens wie ik hier heb.”
“Puppyhond!” Sanne stak haar handen uit. Ze drukte haar favoriete knuffel stevig tegen zich aan, maar hij rook niet meer hetzelfde.
“We moeten opschieten lieverd. Je eerste zwemles vandaag.”
Sanne zette puppyhond op de vensterbank.
“Moet hij niet mee?” vroeg moeder niet begrijpend.
Sanne schudde haar hoofd. “Daar heeft hij niets aan. Hij mag toch niet mee het water in.”
Moeder krabde zich een keer achter haar oren, maar Sanne had geen zin om het uit te leggen. Als ze een nachtje zonder puppyhond kon, dan kon ze ook wel een dagje zonder puppyhond.

Ze huppelde vooruit en moeder had moeite om haar tempo bij te benen.
“Vind je het dan niet eng?”
“Zwemles? Ik ben niet bang voor water.”
“Gisteren zei je nog wat anders.”
“Dat was gisteren. Nu ben ik niet meer bang voor het water.” Wist moeder veel dat ze vannacht al had gezwommen. Het was haar geheimpje. Niets was meer hetzelfde als gisteren.
“Als Jordy bang is, mag hij puppyhond wel hebben hoor.” Jordy was haar kleine broer.
“Dat is lief meisje, maar weet je dat wel zeker?”
Sanne hoorde moeder niet meer. Ze stond al op haar teentjes voor het loket. “Ik kom voor de zwemles,” zei ze trots tegen de mevrouw achter het loket.

Even later liep Sanne in haar badpak met een stel andere kinderen achter de badjuffrouw aan.
“Ik ben voor het eerst,” fluisterde Sanne tegen het meisje naast haar. Een jongetje achter haar huilde.
“Ben jij bang voor water?” vroeg ze het jochie. Hij knikte en streek de tranen van zijn wangen.
“Je moet niet bang zijn. Je moet gewoon trappelen,” fluisterde Sanne.

Afbeelding van Jan Haerer via Pixabay

Reageer!