Ergens heel ver hier vandaan lag vroeger Drakenland, waar heel veel draken woonden. Eén van die draken heette Drakan. Drakan hoorde bij de familie Draka en dat was de belangrijkste familie van het land.
Andere families heetten Dreka, Drika, Droka, Druka of Drijka. Maar geen van die families was zo belangrijk als de familie Draka. Daar kwamen namelijk de koningen en de ministers van het land vandaan en de vader van Drakan was koning Drakam!

Drakan kon op school heel goed leren. Als je hem iets vertelde, dan vergat hij dat nooit meer! En als hij eenmaal iets had gedaan, dan wist hij jaren later nog steeds hoe je zoiets moest doen. Toch was Drakan wel een beetje triest. Jarenlang wist hij niet dat hij iets heel belangrijks miste, maar op een kwade dag ontdekte hij dat toch.

Die bewuste dag was hij met een aardig drakenmeisje aan het rondwandelen door de bossen. Het meisje had een grote tas bij zich en na een lange wandeling maakte ze de tas open. Ze haalde een kleine barbecue met een mals kippetje en een voorraadje barbecuekooltjes tevoorschijn.

“Drakan, wil jij de kooltjes even aanmaken?” vroeg ze. Nu kunnen alle draken vuurspuwen, maar Drakan had het nog nooit geprobeerd. Hij haalde eens diep adem en blies die toen door zijn neusgaten naar buiten. En weet je wat er toen gebeurde? Helemaal niets!
De lucht die uit zijn neus kwam was niet eens warm! Het drakenmeisje liep woedend weg en Drakan bleef alleen achter bij de koude kip.

Al gauw wist bijna iedereen in Drakenland dat Drakan geen vlammen uit zijn bek kon krijgen. De arme jongen werd er vreselijk mee gepest. Een draak zonder vlammende bek is eigenlijk alleen nog maar een soort hagedis, zeiden de anderen. Ze riepen hem na: “Drakan, malle Jan. Waar is je vlammende bekje dan?”

Toen het pesten een maand of twee had geduurd, was Prins Drakan het zat. Terwijl iedereen sliep, sloop hij het Drakenpaleis uit. Hij had geen idee waar hij heen zou kunnen gaan. Niemand verliet ooit de stad waar hij geboren was. Alleen in de bossen rondom die stad, daar wandelden ze wel eens. Zoals toen met dat drakenmeisje.

Hij had al de hele dag flink doorgelopen, om zo ver mogelijk van de hoofdstad vandaan te komen. Weg van al die pestkoppen. Maar nu begon het donker te worden. Drakan keek om zich heen en zag een kleine grot. Hij besloot de nacht daar maar in door te brengen.

De volgende dag liep hij weer verder. Hij hoopte maar dat hij steeds verder van de hoofdstad vandaan liep en niet in een kringetje. Toen kwam hij langs een snelstromende beek. Opeens hoorde hij iets verderop een plons. Het klonk alsof er iemand in het water viel. Hij zag opeens een vreemd wezen met een bos vuurrood haar in het water voorbijkomen. Hij begreep meteen dat het vreemde wezen bezig was te verdrinken.
Snel stak hij zijn lange drakenstaart in het water en ja hoor, zijn plannetje lukte! Het dier, of wat het dan ook was, pakte met zijn voorpoten de staart beet en Drakan sleepte het naar de kant. Het vreemde wezen ging overeind staan op twee achterpoten. Je hebt vast al door dat het vreemde wezen gewoon een jongetje met rood haar was! Maar in Drakenstad kwamen nooit mensen en Drakan had er dan ook nog nooit één gezien.

De jongen ging voor de draak lopen en wenkte met zijn hand dat Drakan hem moest volgen. Na een poosje kwamen ze bij een hut. Een oude man kwam ze tegemoet.
“Wat is er gebeurd?” vroeg hij aan de jongen.
Die vertelde hoe hij door de draak was gered. Drakan begreep niet wat er gezegd werd. Gelukkig sprak de oude man een paar woorden Drakentaal en hij zei: “Ik ben heel blij dat je mijn zoon gered hebt. Kan ik misschien ook iets voor jou doen?”
Welnu, Drakan wist wel iets! Hij haalde eens diep adem en blies toen zijn adem weer hard uit. Weer gebeurde er helemaal niets.
“O, ik merk het al,” riep de man. “Misschien kan ik je wel helpen.”

De volgende dag ging de oude man, die eigenlijk een tovenaar was, allemaal vreemde dingen zoeken. Hij kwam thuis met een vuursteen, vuurvliegjes, bessen van de vuurdoorn, vuurpadden en nog een paar dingen. Hij maakte er met speciaal vuurwater een papje van. Hij smeerde het op de lange nek van de draak. Daaromheen deed hij een warm verband. “Zo twee dagen laten zitten,” zei hij.

Na twee dagen ging het verband eraf.
“Probeer het nu nog maar eens,” zei de tovenaar.
Drakan haalde weer diep adem en blies door zijn neusgaten uit. Hij wist niet wat hij zag! Uit zijn twee neusgaten kwam een flinke steekvlam naar buiten. Een struikje vlak bij hem vloog in brand en als de tovenaar er niet snel wat water overheen had gegooid, was het nog een bosbrand geworden ook!

Gelukkig wist de oude tovenaar ook hoe Drakan moest lopen om weer thuis te komen. Na een paar dagen liep hij de hoofdstad weer binnen. De eerste die hij tegenkwam, riep zodra hij Drakan zag: “Drakan, malle Jan. Waar is je vlammende bekje dan!”
Prins Drakan haalde even diep adem en twee tellen later rende de pestkop huilend naar huis omdat hij zijn billen had gebrand! Daarna werd Drakan nooit meer gepest en de nu niet meer triestige draak werd later een goede koning!

Afbeelding van chiplanay via Pixabay

Reageer!