CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“Kijk daar, een olifant!”
De schrijfster ligt lang uit op het groene gras en wijst met haar vinger.
Het roodborstje kijk verward rond. Hij was druk bezig om in de zwarte aarde naar wat kleine beestjes te zoeken. Met zijn kleine kopje kijkt hij verbaast om zich heen. “Wat, hoezo een olifant? Olifanten komen hier niet voor, ik zie niks.”
“Echt wel, kijk maar eens goed, hij vliegt recht boven je hoofd. Hij heeft hele grote oren en een heel klein slurfje. Aaah wat lief.”
De schrijfster heeft haar hand weer naar beneden gedaan en op haar gezicht zit een grote glimlach.

Het kleine roodborstje blijft staan en kijk naar boven. Hoog boven zijn hoofd ziet hij enkel de blauwe lucht met een paar donzige wolken. Enkele kraaien vliegen langs en krassen een rauwe goedemorgen. Voor de rest is de lucht leeg, geen enkele olifant te zien, zelfs niet één met grote oren en een klein slurfje.
“Pfff zie je wel”, zegt het roodborstje, “ik zie niks. Ben je niet in de war en zag je soms net de kraaien die langs kwamen?”
“Nee echt niet, kom hier maar eens naast mij liggen dan zie je het misschien beter.”
De schrijfster klopt met haar hand op het gras naast haar. Ze schuift een beetje op zodat het roodborstje precies op de juiste plek kan liggen.

“Oké, dan kom ik wel naast je. Maar het kan echt niet hoor, een vliegende olifant.”
Al mopperend hupt het roodborstje naar de schrijfster toe. Terwijl hij op de juiste plek gaat staan laat hij zich voorzichtig achterover op zijn staartje vallen.
“Zo, ik zit, vertel me nu maar eens waar die olifant van jou is.”
En opnieuw draait hij zijn kopje rond in de hoop dat hij nu wel een olifant ziet.

“Nee je moet gaan liggen, net zoals ik, dan kun je het veel beter zien.”
“Pfff,” zuchtte het roodborstje, “Oké, oké ik ga wel liggen.”
Hij verlegt zijn staartje en gaat met zijn rug op het koele gras liggen.
“Vertel nu maar, waar zie ik die olifant van jou dan?”
Het roodborstje klinkt een beetje geïrriteerd. Hij heeft helemaal geen zin om te kijken naar de lege lucht.

“Kijk, als je nu eens naar die grote witte wolk kijkt, dan zie je daar zijn slurfje en vlak daarachter zijn grote flaporen.”
De schrijfster wijst met haar vinger in de lucht richting een witte wolk.
Het roodborstje volgt de vinger van de schrijfster terwijl hij zijn kleine zwarte kraaloogjes een beetje samen knijpt. Hij kijkt naar de wolk die de schrijfster aanwijst.
“Mmm, een slurf en oren in een wolk. Een wolk is toch maar een wolk waar soms regen of sneeuw uitkomt. Dat kan toch niet zomaar een dier zijn.”
Het roodborstje knijpt nog meer zijn oogjes dicht en precies tussen zijn oogleden door ziet hij opeens een klein staartje en aan dat staartje zit een groot lichaam met 4 dikke poten. En… Een olifantenkop met flaporen en een heel klein slurfje.
“Jaaaaa,” schreeuwt het roodborstje, “je hebt gelijk. Ik zie ook een olifant.”
Het roodborstje schreeuwt zo hard dat poes die lag te slapen op de schommelbank van schrik haar oortjes recht overeind zet.

“Ooo en kijk daar verder op zie ik een donzig klein konijntje en een trein waar een grote stoomwolk uit komt. Ooo en daar, kijk daar, daar zie ik boer Piet met zijn pet terwijl hij zit op een varken. Whahaha, wat is dit leuk.”
En terwijl de wolken langzaam voorbij drijven, blijven het roodborstje en de schrijfster nog lang liggen op hun rug, genietend van het schouwspel, hoog in de lucht.

Vorig verhaalLucas en zijn Belgische avontuur
Volgend verhaalFreule Amalia

Reageer!