CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Ergens op een plek hier ver vandaan, verder dan de horizon en voorbij het grote woud, woonde een kikker. Het was een hele lieve kikker, die prachtig kon kwaken. Vandaag was de kikker echter somber.
Alles is zwart, dacht hij. Alles is zwart en stom, héél stom.

Somber ging hij op de oever van de rivier zitten. Als ik gewoon wacht, dan wordt het vast beter, dacht de kikker. En dus wachtte hij geduldig af. Maar het werd niet beter. Na drie dagen wachten zuchtte hij diep, stond op en besloot dan zelf maar op zoek te gaan naar het licht. Eén lichtpuntje, dacht de kikker, dan zal ik tevreden zijn. Als ik één lichtpuntje kan vinden weet ik dat het goed komt.
Dus trok de kikker trok zijn schoenen aan, sloeg zijn mantel om, pakte zijn knapzak en ging op weg. 

Na een tijdje kwam hij bij een muis die huilend op een steen zat.
“Wat is er, muis?” vroeg hij.
“Ik heb zo’n honger,” zei de muis, “ik heb al dagen niets gegeten en ik kan nergens iets vinden!”
De kikker sloeg een arm om de muis heen en zei dat hij wel iets van zijn brood mocht hebben. Dat nam de muis heel dankbaar aan. Toen de muis zich iets beter voelde, trok de kikker somber verder. Een huilende muis, dat was geen lichtpuntje.

Een tijdje later kwam de kikker bij meneer en mevrouw uil. Die waren heel triest, want hun baby was ziek! Baby uil bleef maar hoesten de hele tijd.
“Ach,” zei de kikker, “je mag wel wat van mijn keelsiroop hebben? Als ik kwaak, heb ik soms last van een zere keel. Dan helpt dat ook.”
Dankbaar zwaaiden meneer en mevrouw uil de kikker uit, die voor hun baby een flesje siroop had achtergelaten. Een zieke baby, dacht de kikker. Dat is ook niet leuk. Is er dan nergens een lichtpuntje?

Wat verder trof de kikker een bij aan. Normaal werd hij daar goedgehumeurd van, want bijen konden heel vrolijk zoemen. Maar… Deze bij zoemde niet vrolijk. Ze zoemde heel triestig.
Zuchtend ging de kikker bij de bij zitten. “Wat scheelt er aan, bij?”
“Ik… Snikzzz… Ik vindzzz geen bloemen! Enzz dan kan ik nikzz eten! Ik voelzz me zzzo zzzwak…” antwoordde de bij huilend.
De kikker stond weer op, maakte een aanloop en sprong dan zo hoog hij kon. Van daarboven in de lucht kon hij een paar bloemetjes zien, niet eens zo veraf. Hij nam de bij mee naar de bloemetjes, maakte weer een sprong en liet de bij pardoes midden in een bloem vallen. Daar vond ze nectar, en daar kon ze van eten.
“Oooh! Bedanktzz kikker!” riep de bij hem nog na. Maar de kikker was alweer verder aan het gaan. Hij was nog steeds somber. Een bij die niet vrolijk zoemt? Tja, daar word je natuurlijk niet blij van.

Zo trok de kikker een maand lang door het bos. Hij kwam veel dieren tegen, maar hoe hij ook zocht, hij vond geen lichtpuntje. Teleurgesteld keerde hij terug huiswaarts. Waarom was alles toch zo stom? Iedereen die hij tegen was gekomen had het zwaar! Alles is zwart en stom en zo zal het altijd blijven, bedacht hij droevig. De kikker had een hele maand gezocht en geen enkel lichtpuntje gevonden. Hij vond dat het allemaal maar naar was, heel naar.
Al denkend en piekerend kwam hij bij zijn huisje, stak zijn sleutel in het slot en opende de krakende deur. Zelfs de deur is niet gelukkig, dacht hij. Met tranen in zijn ogen stapte hij naar binnen.

“Verrassing!” riepen de dieren van het bos in koor.
De kikker sprong een meter de lucht in en kwaakte geschrokken. Eén voor één gaven de dieren hem een knuffel en bedankten hem. Verbaasd keek de kikker hen aan.
“Maar ik heb toch niets beter gemaakt?” vroeg hij. “Ik heb toch niets echt opgelost?”
Vader uil stapte naar voren. “Nee, kikker, je hebt onze problemen niet opgelost, maar je was voor ons wel een lichtpuntje in een hele donkere tijd, het kleine zetje dat we nodig hadden om weer vooruit te komen, en daarvoor willen we je bedanken. Toen baby uil niet meer zo moe was van het hoesten, heeft hij zelf de ziekte kunnen verslaan!”
“Toen ik weer wat was aangesterkt door je stukje brood, kon ik zelf op zoek naar eten!” riep de muis. “Ik heb er ook gevonden en kan nu weer zelf verder… Dat zou zonder jou niet gelukt zijn!”
“Enzz toen ik van de nectar had gegetenzz, van de bloem waar je me heenzz had gebracht, kon ik weer hoogzz vliegenzz… Ik vond meteenzz de andere bloemen weer!”

Toen begreep kikker het. Hij hoefde geen lichtpuntjes te vinden, hij mocht een lichtpuntje zijn. En als iedereen een lichtpuntje was voor een ander, dan zou de wereld er een stuk minder zwart en somber uitzien.
“Blijven jullie nog even?” vroeg de kikker.
De dieren knikten en tot laat in de avond bleven ze bij elkaar. Iedereen was blij en toen de dieren weer naar huis gingen had kikker een glimlach op zijn gezicht. Hij kroop zijn bed in en tevreden viel hij in slaap.

Vorig verhaalDe lente zien en ruiken
Volgend verhaalDagje aan zee

Reageer!