CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Lotte woont midden in het bos. Haar vader is boswachter. Oma komt straks. Mama bakt appeltaart. Dat ruikt lekker.

Mama heeft gezegd dat ze even weg mocht. Ze huppelt op haar gele regenlaarzen de tuin uit. Net buiten het hekje staat de beukenboom. Onder de dikke takken staat ze stil en kijkt naar boven.
Ze klapt drie maal in haar handen en roept “Beukenoootje”. Ze wacht. Er gebeurt niets. Dat is gek, normaal roetsjt Tim de eekhoorn meteen naar beneden. Weer klapt ze drie keer in haar handen, maakt een toeter en roept nog harder “Beukenoooooooooooootje”. Ze wacht en wacht.

“Pssst, pssst,” hoort ze opeens.
Het geluid komt achter de stam vandaan. Voorzichtig loopt ze er omheen. Hoe goed ze ook kijkt, ze ziet niets.
“Pssst, pssst,” hier ben ik. Het stemmetje klinkt ongeduldig.
Onder een struik ziet ze hem staan. Meneer Egel wenkt haar. “Kom mee, er is iets met Tim gebeurd. Hij heeft je hulp nodig.”
“Wat dan?” vraagt Lotte geschrokken.
“Niet vragen maar volgen,” antwoordt meneer Egel.
Ze kruipt achter hem aan. Eerst onder de struiken door, dan steken ze een modderpaadje over. Ze komen bij het dennenbos.
“Laag bij de grond blijven,” zegt meneer Egel. “Jij bent te groot, ik word niet graag gezien.”
Het valt niet mee om hem bij te houden. Af en toe kijken zijn bruine oogjes boos naar haar om.
“Schiet eens op,” zegt hij dan. Lotte is nog nooit alleen zo ver van huis geweest. Het is donker in het bos. Ze denkt aan Tim en droogt haar tranen. Dapper kruipt ze door.

“Zeg, kan je niet uitkijken, mijn dak stort bijna in!”
Mevrouw Mol steekt haar hoofd uit het raam en zwaait met haar stofdoek.
“Ach lieve mevrouw Mol,” antwoordt Lotte, “dat spijt me heel erg maar wij hebben haast. Mijn vriend Tim heeft hulp nodig.”
“Heeft die rode rakker zich weer in de nesten gewerkt? Als je even wacht dan pak ik mijn bril. Ik ga mee.”
De bril helpt niets. Mevrouw Mol staat telkens stil en roept “Waar zijn jullie nu?”
Lotte biedt haar aan mee te reizen in haar regenlaars.

Eindelijk komen ze bij een open plek. Lotte strekt haar benen.
“Au,” roept mevrouw Mol. Ze is in de laars naar beneden gegleden en met een plof op haar billen terecht gekomen.
“Ssssttt,” zegt meneer Egel. Hij loopt op zijn tenen en houdt een vinger voor zijn mond.
“Waarom moeten we zo zachtjes doen?” vraagt Lotte.
“Ssstttt! Niet vragen maar opletten,” antwoordt meneer Egel.

Ze staan voor een hek. Erachter staat een kleine schuur. En er ligt een grote zwarte hond. Hij ziet er gevaarlijk uit.
“Snap je nu waarom we stil moeten zijn Gisteravond, toen ik mijn avondwandelingetje
maakte, zag ik Tim door het open raampje van de schuur glippen. Hij is zo nieuwsgierig dat hij graag zijn neus in andermans zaken steekt. Misschien was hij op zoek naar voedsel voor zijn wintervoorraad.”
“Ja,” onderbreekt mevrouw Mol hem, “hij heeft de hele herfst niets uitgevoerd.”
“Juist, ja.” Meneer Egel schraapt zijn keel. “Goed, toen ik terugliep zag ik dat het raampje dicht was. Dat komt waarschijnlijk door de wind. In het maanlicht zag ik Tim voor het raam zitten. We moeten hem eruit krijgen voordat de boer komt. Hij en zijn hond houden niet van gasten.”
“Ik heb een idee,” zegt Lotte. “Als mevrouw Mol een gat graaft onder het hek dan kunnen we er door kruipen. Ik kan het raam open maken.”
“Dat zeg ik, niet vragen maar graven,” zegt meneer Egel. “Maar hoe komen jullie langs de hond?”
“U leidt hem af,” antwoordt Lotte.
Meneer Egel kijkt naar de lucht. “Wel, ik dacht naar huis te gaan. Het lukt jullie vast.”
“Wel heb ik ooit, wat ben je toch een vervelend mannetje.”
Mevrouw Mol zet haar handen in haar zij en kijkt hem boos aan. “Gebruik je stekels eens nuttig! Honden hebben een gevoelige neus. Als hij achter je aankomt maak je een bal van jezelf. Dat kun jij heel goed. Ondertussen kan Lotte Tim bevrijden.”
Wanneer mevrouw Mol iets wil, kan meneer Egel niet weigeren.

IJverig begint mevrouw Mol te graven. Lotte helpt mee. Meneer Egel snuit zijn neus.
Als het gat groot genoeg is, kruipen Lotte en meneer Egel onder het hek door. Die arme meneer Egel! Zodra de hond hem ziet, rent hij achter hem aan.
Lotte is vlug. Ze maakt zich lang en opent het raam. “Tim, snel, kom!”
Haar vriendje springt in haar armen. Lotte vlucht met hem naar de opening. Mevrouw Mol staat te wachten.
Even later horen ze de hond janken. Meneer Egel schuifelt tevoorschijn.
“Ahum, die heeft lelijk zijn neus gestoten,” zegt hij en veegt het stof van zich af.
“Jij bent mijn held,” zegt mevrouw Mol.
“Och,” antwoordt meneer Egel. Hij kijkt verlegen naar de grond.
Lotte en Tim dansen van plezier.
“Dank jullie wel, ik zal nooit meer zo dom doen,” zegt Tim.
“Dat zien we nog wel,” antwoordt mevrouw Mol niet overtuigd, “maar nu als de bliksem naar huis. Ik heb een boel werk te doen.”
“Ja, ik ga ook maar eens naar huis. Tot ziens.” Meneer Egel wandelt waardig weg.

De terugweg gaat veel sneller. Mevrouw Mol mag achterop bij Tim. Hij maakt grote sprongen. Ze houdt zijn staart vast. Lotte holt er achteraan.
Thuis zegt mama: “Zo meisje, je bent precies op tijd, de appeltaart is klaar.”
Oma zit op de bank. Ze geeft Lotte een knuffel. En een sprookjesboek.

Reageer!