Omgekeerde wereld

School is begonnen en Luc heeft zijn eerste schoolweek gehad. Het is vrijdagmiddag en Joost, Mijntje en Luc fietsen naar de sloot. Luc woont nog maar net in het dorp, maar hij had geluk. Hij maakte snel twee vrienden: Joost en Mijntje. Ze wonen bij hem in de straat en Joost zit ook nog bij hem in de klas. Hij is groot en heeft blond, krullend haar. Hij is sterk en stoer. Hij is een fijne vriend, want hij heeft altijd overal zin in, wat Luc ook bedenkt. Luc weet dat hij boft met zo’n vriend.

Ze gooien hun fietsen in de struiken en werpen steentjes in het water.
“Zullen we omgekeerde wereld spelen?” vraagt Luc.
Mijntje staat op en zoekt een grotere steen. Langs de kant liggen genoeg kleine steentjes, maar weinig grote. Ze loopt iets verderop waar een groepje keien ligt.
Luc kijkt naar Mijntje. Ze is klein en heeft kort donker haar dat rond geknipt is langs haar gezicht. Ze is dapper en Luc heeft haar nog nooit bang gezien. Ze kan het hardst fietsen van allemaal.

“Wat is omgekeerde wereld?” vraagt Joost.
“Dat je ja zegt en nee bedoelt, en andersom. Gewoon alles omkeren, snap je?” legt Luc uit.
“Nee,” zegt Joost.
“Hoezo nee, het is toch simpel!” roept Luc uit. Wat begrijpt Joost de dingen soms langzaam.
“Ik snap het wel,” zegt Joost, “maar ik speelde het al. Nee betekent ja, dus als ik nee zeg, dan doe ik mee.”
Daar moet Luc weer over na denken.

Mijntje komt terug met een grote steen die ze bijna niet vast kan houden. Ze werpt hem in het water, maar hij komt niet ver. De plons is ook niet wat ze ervan verwacht had.
“Ik wou dat de omgekeerde wereld de echte wereld was,” zegt ze. “Dat alles wat gezond is, ongezond was. Dat je dik wordt van groenten en fruit, en dat pizza’s vol vitaminen zitten. Dan zou mijn moeder zeggen: Mijntje, eet je mayonaise nou eens op!”
Luc en Joost proesten het uit. Joost heeft een handvol steentjes en gooit ze tegelijk in het water. Het maakt een knetterend geluid. Luc vult aan: “Of dat ik de spinazie mocht laten staan, als ik maar wel de hamburger met friet zou opeten.”
“En dat ik niet zoveel water bij de limonade moest doen,” zegt Joost. “Of dat de tandarts zou vragen of ik wel genoeg cola had gedronken,” schatert hij erachteraan.

Luc zoekt naar nog een steen, maar er ligt er geen meer. Hij tuurt over het water. “Krokodillen waren dan huisdieren,” zegt hij na een tijdje. “Maar je moest niet bij een hond in de buurt komen, want dat was levensgevaarlijk.”

Ze staan op en slenteren terug naar de fietsen om naar huis te gaan. In de verte wandelt een man met een hond. De hond loopt los, struint door de struiken en loopt dan weer op het pad. Hij komt steeds dichterbij.
“Kijk uit!” roept Joost ineens. “Daar heb je zo’n gevaarlijk beest.”
Luc, Mijntje en Joost gillen en rennen elk een kant uit als de man met de hond in hun buurt komt.
“Ren voor je leven!” roept Luc.

De man trekt z’n schouders op. Wat een vreemde kinderen.

 

Ingezonden voor de schrijfwedstrijd door Marieke Boeijen.