Diep in een holletje,
was een klein bang molletje.
Het molletje was zo bang,
Voor de uil en de slang.
En hij hoorde een eng geluid,
En durfde zijn holletje niet meer uit.
Het was zo donker, overal was gevaar.
Bang fluisterde hij, is iemand daar?
Toen dacht hij opeens: ik ben niet alleen.
God is bij mij en die gaat nergens heen.
Als ik slaap, houdt hij de wacht.
Toen viel de mol in slaap en snurkte zacht.

Vorig verhaalKabouter Pim en Julius
Volgend verhaalKabouter Pim en de stadswacht

Reageer!