Ik heb een poppenwagen. Opa ook, een hoge met een mandje. En hij heeft er een knuffel in, net als ik. Vroeger, toen ik klein was, had opa geen poppenwagen. Hij rende vaak heel hard achter me aan en riep: “Ik ben de grote, boze wolf en ik ga je opeten!”
Dan was ik best een beetje bang.

Nu spelen opa en ik treintje met onze poppenwagens. Staan we op een klein stationnetje, en ik ben het machinistje. Hakkehakkepufpuf weg zijn wij.
Maar opa blijft wel eens staan. Ik rij om hem heen en bots voorzichtig tegen hem aan. Opa gaat zachtjes vooruit. Dan moeten we heel hard lachen.

Op opa’s schoot doen we “hop, hop, hop, mijn paardje”.
Ik ga steeds hoger. Het doet pijn aan m’n billen. Opa heeft best harde knieën. Opeens schiet ik tussen zijn knieën door, val ik bijna op de grond. Dat vind ik echt heel eng.
Vandaag draagt opa een lange jurk. Nu klim ik graag bij hem op schoot. Ik vlieg niet hoog en val ook niet tussen z’n benen door. Zijn jurk is een heel mooie glijbaan. Daarlangs roets ik naar beneden. En opa heeft sloffen aan met lange, kromme punten. “Bananensloffen” noemt mama ze. Die zijn heel zacht. Daar glij ik lekker tegenaan.
Als ik onderaan de glijbaan op zijn sloffen zit, kijkt opa heel blij naar mij, en ik heel blij naar hem.

Bij het eten krijgt opa een slab om, net als mijn kleine broertje. Ze zitten allebei te knoeien met hun eten.
“Als jullie je bord niet netjes leeg eten, krijgen jullie geen toetje”, zegt papa of mama streng. Maar ze blijven gewoon knoeien.
Opeens gaat opa staan. Hij pakt twee theeglazen van de tafel in zijn ene hand. Met z’n andere hand tilt hij de theepot zo hoog als hij maar kan. Dan schenkt hij de thee van heel hoog in de glazen, zonder te morsen. Dat is knap! Opa lijkt wel een goochelaar.
Iedereen begint te klappen.
Opa maakt een deftige buiging en gaat weer zitten.
Ook al is zijn bord nog niet leeg, opa krijgt toch een toetje.

Opa zong altijd wilde liedjes, heel hard. Dan pakte hij me beet en gingen we heel snel heen en weer. Tot we omvielen.
“Voorzichtig! Niet zo wild!” riepen papa en mama dan.
Nu zit opa gezellig naast me op de bank en zingt hij heel zachtjes.
“Waarover zing je, opa?”
“Over de blauwe bergen.”
“De blauwe bergen?”
“Ja, mijn schattebout, daar komen we vandaan.” En opa zingt weer zachtjes verder.
“Moet dat nou?” vraagt papa.
Maar opa hoort dat geloof ik niet. Hij zingt gewoon door.
Mama begint na een tijdje mee te zingen en dan doet papa ook stilletjes mee. Ze slaan hun armen om elkaar heen. Ik mag er ook bij. Dan dansen we een beetje, niet zo wild voor opa, en zingen met z’n allen zachtjes over de blauwe bergen.
Ik vind dat opa heel mooi kan zingen.

 

Toen mijn broertje jarig was, kreeg hij taart met één kaars. Ik mocht die uitblazen. M’n broertje kan dat nog niet.
Opa is jarig en krijgt taart met heeeeeel veeeeel kaarsjes. Met z’n feestmuts op en z’n slab om, kijkt hij blij naar alle brandende kaarsjes.
We zingen “lang zal opa leven” en juichen drie keer “hoera”. Opa juicht niet mee. Hij zit stil te kijken naar al die kaarsen.
Weet opa wel dat hij ze moet uitblazen? Ik geloof van niet.
“Help jij maar met uitblazen”, zegt mama.
Ik haal diep adem en blaas – pffffffffffffffffffffffffffffffffffffffffffffffffft – in één keer alle kaarsjes uit. Dat kan ik heel goed.
En dan steekt opa zijn armen in de lucht en roept: hoeraaaaa!

Opa heeft zijn eigen kinderboerderij! In zijn tuin lopen opeens twee kippen en een geit. De buren van opa vinden het vast ook leuk. Ze hebben naar papa en mama gebeld “Kom gauw kijken wat hij nou weer heeft!”
Bij opa vandaan rij ik alleen met mama in de auto terug naar huis.
“Komt papa niet mee?”
“Nee, papa blijft bij opa om voor de beesten te zorgen.”
“Mag ik morgen weer naar opa, met z’n dieren spelen?”
“Nou,” zegt mama, “ik denk dat die beter naar een echte kinderboerderij kunnen. Daar hebben ze vriendjes om mee te spelen.”
Misschien heeft mama wel gelijk. Ik ga ook graag naar m’n vriendjes om met ze te spelen.
“En dan mag jij met opa naar de kinderboerderij, naar zíjn dieren kijken.”
Ja, dat vind ik leuk. Opa ook. Dat weet ik zeker.

Opa lacht zo grappig. Hij heeft geen tanden in zijn mond.
Mijn broertje heeft ook geen tanden.
“Die komen later,” zegt mama.
“Krijgt opa later ook tanden? En haar op z’n hoofd?” vraag ik.
Papa en mama beginnen te lachen.
“Ik denk van niet,” zegt papa, “vind je dat erg?”
“Nee, ik vind opa zo juist lief!” zeg ik.
“Mooi,” zegt mama, “wij ook.”
En net als mijn kleine broertje, heeft opa ook een luier om, onder zijn lange jurk.

Op de bank zit opa naast me. Ik zit dicht tegen hem aan. Hij geeft me een kusje op m’n bol. Ik sla m’n armen om hem heen.
Eigenlijk is opa net een heel leuk, groot klein babybroertje. Zo vind ik opa nóg liever.

 

Vorig verhaalNaar de bibliotheek
Volgend verhaalDe boekenworm

Reageer!