Sakurai Midori, Kastengel, CC BY 3.0

“Ga naar boven, Livia!” riep mama vanachter de tv. “Het is allang bedtijd.”

Livia was aan het wroeten in de koelkast. Ze zocht naar haar kaasstengels. Elke vrijdag en zaterdag mocht ze een paar kaasstengels mét mayonaise eten van mama. Ze had namelijk weer een Doordeweek overleefd.
Volgens mij is mama’s Doordeweek veel zwaarder dan de mijne, dacht Livia dan. Ik vind Doordeweek stiekem veel leuker dan Weekend. Ik zie mijn vriendjes, speel muziek en leer veel leuke dingen op school. Dus dat ze werd beloond met mayonaise was als een kers op de taart.
“Ja, mam!” riep Livia terug. “Ik ga al!”

Ze duwde stiekem de dikste kaasstengel in de mayo-pot en haalde er een hele dikke klodder uit. Ze legde de kaasstengels met dikke mayo-klodder op haar bordje en rende snel naar boven; eigenlijk mocht het niet op haar kamer en was ze een beetje een boef. Maar haar maag knorde al. En ze zou zometeen lekker haar boekje openslaan en verdwijnen in een andere wereld – met een met kaas gevuld buikje!

Ze lag al snel in bed. Half rechtop. Haar warme dekentje tot over haar middel getrokken. Bordje en boek op schoot. Buiten miezerde het al een tijdje. Het was namelijk herfst en dan moet het weer altijd een beetje vies doen. Maar ineens begon het toch wel heel hard te regenen en werd haar kamer duister. Het nachtlampje leek nauwelijks sterk genoeg.
Een donderwolk? dacht Livia.
Ze kon altijd erg genieten van donderwolken; binnen zijn is dan nóg gezelliger. Maar ook een beetje spookachtiger… En inderdaad, toen ze begon te knabbelen aan haar eerste kaasstengel, en die dipte in de mayo-klodder, zag ze het:

FLITS

Wow! Prachtig!
Links van haar, door de gordijnen heen, zag ze de wereld oplichten. De flits veroorzaakte een hoekige schaduw in haar kamer. Het was de schaduw van de grote boom in de tuin. De wind blies zo hard door de takken, dat de schaduwen wel lange armen leken.

Bliksem, dacht Livia. Nu nog wachten op de donder.
Eén.
Twee.
Drie.
Vier.
Vijf.
Zes. 

ROMMEL ROMMEL ROMMEL

Haar ramen trilden voorzichtig. Zes seconden, dacht ze. Dan moet de bliksem ongeveer twee kilometer verderop zijn.

FLITS

Eén.
Twee.
Drie.

ROMMEL ROMMEL ROMMEL

… begon het weer. De ramen trilden.

Eén kilometer.

FLITS
ROMMEL ROMMEL

Opeens ging Livia’s nachtlampje uit. Het was pikkedonker. Door de flitsen zag ze weer de donkere armen van de boom. De armen bewogen door haar kamer, langs de muren, naar het voeteneind van haar bed. Livia werd een beetje bang en een beetje duizelig.
De schaduwarmen begonnen haar benen te kietelen en haar lichtjes heen en weer te wiegen. Het wiegen en het gekletter van de regen tegen de ramen maakten haar moe.
Ze viel in slaap, als een steen in diep zand.

Even later werd Livia wakker. Het was nog nacht. Haar kamertje was gehuld in een vreemd blauw licht. De regen kletterde zachtjes. Verder was het doodstil.
Woesj. Woesj. Woesj, hoorde ze. Tikke-tikke-tikke.
“Wie is daar?” vroeg ze snel, terwijl ze zich vastklampte aan haar dekentje.
Woesj!
“Hallo?” Ze keek om zich heen. Niks…
Toen ineens vloog er een mayonaise-witte, doorzichtige flubberbol naast haar op en Livia schrok zich te pletter!
“Kaas!” schreeuwde het, terwijl het Livia strak aankeek met grote, lichtblauwe ogen.
“Huh?” zei Livia, “Kaas?”
“Worteeeel!” schreeuwde de bol toen, met toch wel een heel lief en hoog stemmetje.
“Hihi, volgens mij moet je ‘boe’ zeggen hoor,” zei Livia. “Je bent toch een spookje?”
“Ja,” zei het spookje en kreeg toen rode wangetjes. “Dat lukt me alleen niet.” Ze leek ineens wat meer op Livia – nou, ja, in ieder geval op een meisje, maar dan dus heel rond. Het was alsof ze haar doorzichtige flubbervorm kon aanpassen.
“Durf je mensen niet bang te maken, ofzo?” Livia was erg verbaasd.
“Nee… Maar ik wil het eigenlijk ook niet!” antwoorde het spookje geprikkeld, en haar vorm werd als een stekelvarkentje. “Gnoe!!! Gnoe-oeee-oeeeh!” riep ze.
Livia zuchtte. “Gnoe? Een gnoe is een dier. Dat is niet eng. Je bent toch een spookje!? Weet je… ‘boe’ betekent niks… ‘Boe’ is het onbekende, het donkere. Daarom is ‘boe’ enger en daarom zeggen spookjes ‘boe’. Niet ‘gnoe’.”

Het werd pijnlijk stil.

“Daarom word ik zo vaak gepest door de andere spookjes!” jammerde het spookje toen, en ze werd weer boller en zachter. “Zij zijn wel eng aan het doen. Zij doen hun werk goed. Zij krijgen wel betaald. Maar ik wil niet eng zijn. Dus ik…”
“Je mag best eerst eventjes eng zijn, hoor,” zei Livia snel, “als je daarna maar snel ‘sorry’ zegt en gezellig even blijft babbelen. Sommige mensen zijn erg eenzaam namelijk. Maar een beetje schrikken is nooit erg! Daar word je ook weer wakker van.”
Het spookje werd weer stil en moest echt even nadenken.

“Weet je wat,” zei Livia toen, “we doen het volgende: Elke keer dat de bliksem er is, gaan we wel even oefenen, oké? Begin vanavond maar met ‘boef!'”
Het spookje moest keihard lachen.
“Sssst. Niet zo hard,” waarschuwde Livia.
Plotseling vloog het spookje met kaasgele ogen op Livia af en riep: “Oké! Tot snel dan! BOEF!”

Woesj!

Livia schrok wakker.
Haar nachtlampje was weer aan. Haar boek ‘Spookjes Hebben Ook Een Baan’ lag nog open en haar bordje kaas en mayo nog op schoot. Ze keek naar het viezige bordje en moest ineens heel hard lachen. In de mayo stond namelijk iets geschreven, in dikke, glimmende letters…

BOEF

En Livia begreep de boodschap dondersgoed.

Reageer!