CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“De aarde draait niet alleen, hij slingert. Soms gaat hij naar links of naar rechts, maar hij kan ook naar voren of naar achteren gaan. Het is echt niet zo dat hij alleen maar netjes op één plek draait.”
De man tegenover me in de trein houdt zijn mond. Ineens begon hij zomaar tegen me te praten. Het lijkt wel alsof zijn ogen zich in mijn gezicht graven.
De man ziet er een beetje raar uit. Hij draagt een halve baard en een halve snor. Zijn baard zit aan de linkerkant van zijn gezicht en zijn snor aan de rechter. Hij glimlacht naar me. Ik kijk om me heen maar zie niemand naar de man kijken terwijl hij er, nu ik wat beter kijk, toch wel vreemd uit ziet.
Dat was me helemaal nog niet opgevallen, maar nu begrijp ik niet dat ik het niet eerder heb gezien. Hij heeft een gele onderbroek met roze hartjes over zijn lange broek aangetrokken en een gedeukte hoge hoed op zijn kop. Nu lacht de man heel hard.
“Je denkt dat alles logisch is, terwijl je daar vroeger helemaal niet over nadacht.”

Even doe ik mijn ogen dicht. Ik luister naar het ritme van de trein en probeer me voor te stellen dat de trein heel snel rondjes draait om de aarde zonder last te hebben van huizen, bergen en zeeën. Het maakt me wat rustiger. Ik leg mijn kin op mijn borst en doe mijn ogen weer open. Ik zie twee gewone schoenen. Gelukkig. Onder de bank achter de schoenen ligt een rode koffer.
“Mooie koffer hè? In die koffer zit alles wat ik nodig heb,” hoor ik hem zeggen. Ik kijk omhoog en zie nog steeds dezelfde man zitten. Zijn gezicht is ontspannen.

“Heb je honger?”
Ik weet het niet. Heb ik honger? Ik geloof het niet. Ik blijf de man aanstaren.
“Mijn koffer weet wel of jij honger hebt.”
Hij trekt de koffer onder de stoel vandaan, legt hem op zijn benen en klikt de sloten open. Daarna draait hij de koffer om en opent hem, zodat ik in de koffer kan kijken. De koffer is leeg. De man kijkt ook even in de koffer en mompelt: “Dat dacht ik al.” Hij sluit de koffer weer, draait hem om, opent hem opnieuw en haalt er een broodje uit. Voordat hij een hap wil nemen, kijkt hij me aan.
“Wat is er? Jij had toch geen honger?”
Mijn mond staat open. Ik dwing mezelf om hem weer te sluiten. Hij zet zijn tanden in het broodje en begint smakelijk te eten.
“Er was eens een jongen die dacht dat hij geen honger had…”
Hij opent de koffer opnieuw naar mij toe. In de koffer ligt een heerlijke sandwich.
“Neem hem snel voordat ik hem neem.” Hij lacht een beetje om zichzelf. Ik pak het broodje maar neem geen hap. “Haphap,” zegt hij.

Terwijl hij weer met zijn rug tegen de leuning gaat, zie ik zijn hoed bewegen. Een klein neusje komt te voorschijn. De man stoot een lach uit.
“Jaja, het konijn uit de hoge hoed, maar dan wel via de bovenkant.”
Het konijn steekt zijn kop helemaal uit de hoed en kijkt me aan. Zijn neusje gaat heen en weer. Op het moment dat de man zijn hand omhoog doet, duikt het konijn weer weg. Alsof er niets gebeurd is, vraagt de man: “Hou je van konijnen?”
Ik knik bijna onzichtbaar.
“Mooi.”
De man legt zijn hoofd tegen de ruit en zegt: “Ik zie de tunnel al.”
Dan wordt het heel donker. Het enige wat ik nog hoor is het ritme van de trein. Het duurt misschien tien twintig seconden, maar als het weer licht wordt is de man verdwenen. Op zijn plek zit een wit konijn met twee zwarte vlekjes rond zijn bekje.

Vorig verhaalBij de kapper
Volgend verhaalDe kikker die niet van regen houdt

Reageer!