Joris is vriendjes geworden met de circusdwerg Igor. Hij hoeft geen meneer meer te zeggen. Hij mag gewoon Igor zeggen. Per slot van rekening zijn ze bijna even groot. Joris wil wel de hele dag bij Igor zijn.

Joris mag gratis naar het kindermatinee. De freule en haar nichtje Josephine gaan ook mee.
Tijdens de voorstelling vraagt de dierentemmer of er een kind is dat op de rug van de neushoorn durft te gaan zitten. Joris kijkt rond, niemand durft. Maar hij wel.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, laat Joris zich boven op de brede rug zetten. Hij heeft nu geen raar gevoel meer in zijn buik en hij zwaait naar Josephine die naast de freule in de loge zit. Enthousiast zwaait ze terug en klapt hard in haar handen voor Joris.

In de pauze loopt hij met Josephine hand in hand naar de dierenverblijven.
“Joris is inmiddels kind aan huis hier,” had vader tegen de freule gezegd, toen die vroeg of het niet gevaarlijk was en of het allemaal wel goed zou gaan.
“Goed bij Joris blijven,” zegt de freule tegen Josephine.

“Na de pauze treden de wilde dieren op,” zegt Joris tegen Josephine.
“Wat stinkt het hier,” zegt ze en haalt haar neusje op. “Vind je het niet zielig dat die dieren in zulke kleine kooien moeten leven?” vraagt ze als ze langs de leeuwen en de tijgers lopen. Ze blijft zo ver mogelijk uit de buurt van de tralies.
Joris vindt eigenlijk dat ze gelijk heeft. Maar ja, je kunt zulke dieren hier nu eenmaal niet vrij laten rondlopen. Dat had Igor gezegd toen hij hem ernaar gevraagd had.
Joris neemt Josephine maar gauw mee naar de volgende tent, waar de olifanten staan. Ze kijkt naar de reusachtige dieren die met zware kettingen aan de vloer vast zitten.
“Ik vind het niet leuk, Joris,” zegt ze en trekt hem naar achter.
“Wil je hem een pinda geven?” vraagt Joris. Hij reikt haar een pindadop aan. Ze schudt van nee.
“Zullen we naar de paarden gaan?” vraagt hij. Hij kent de weg. Maar ze schudt opnieuw nee. Joris weet het ook niet meer en zegt: “Terug naar de tent dan maar?”

Terug in de tent is er in de piste een grote kooi opgezet en er klinkt vrolijke muziek. Het publiek zoekt zijn plaats weer op.
“De kooi is voor de wilde dieren,” zegt Joris tegen haar.
Josephine kruipt dicht tegen de freule aan en fluistert haar iets in het oor. Even later staan ze op en verlaten de tent. Joris begrijpt er niets van.
De muziek stopt, de directeur staat aan de rand van de kooi en schreeuwt: “Hooggeëerd publiek, nog nooit eerder vertoond, tijgers en leeuwen gelijktijdig in de kooi. Verwelkomt u onze dappere dierentemmer Anatoli met een applaus.”
Met zijn kaken rood van opwinding kijkt Joris naar de tunnel waardoor de leeuwen en de tijgers de kooi in komen. De dierentemmer, in een glitterpak, knalt met zijn zweep en op commando laat hij de dieren kunstjes doen. Hij steekt zelfs zijn hoofd in de muil van een tijger en tot slot laat hij een leeuw door een brandende hoepel springen. Joris stampt met zijn voeten en klapt zo hard in zijn handen dat ze er pijn van doen.

Als hij na afloop van de voorstelling naar huis loopt, ziet hij Josephine in de tuin bij de vijver op een bankje zitten. Hij loopt naar haar toe en gaat naast haar zitten.
“Vond je het niet leuk?” vraagt hij.
“Ik vind die dieren zo zielig,” zegt ze. “Vooral die neushoorn.”
“Maar hij is zo groot en sterk,” zegt Joris. Hij kan zich niet voor stellen dat zo’n geweldig dier zielig kan zijn.
“Alle dieren hebben nog andere om zich heen, zelfs de olifanten zijn met zijn vieren. Maar de neushoorn is altijd alleen in zijn kleine hok. Stel je eens voor dat jij altijd alleen was, zonder je vader en moeder, zonder Hondje, zonder je vriendjes, altijd alleen, dan ben je toch zielig.”
“Ja, misschien heb je gelijk,” zegt Joris zachtjes.

Stil zitten ze naast elkaar en kijken naar de goudvissen die traag in de vijver hun rondjes zwemmen.
“Nu heb ik een plannetje bedacht,” zegt Josephine. “Ik durf het alleen maar aan jou te vragen.”
Joris kijkt haar van opzij aan.
“Volgens mij zijn neushoorns helemaal niet gevaarlijk.”
“Maar die grote hoorn dan?”
“Die hebben ze om zich te beschermen tegen leeuwen en tijgers.”
“Die ziet er anders wel gevaarlijk uit,” zegt Joris. Hij begrijpt niet waar ze naartoe wil.
“Nu heb ik bedacht, als de neushoorn eens een paar uurtjes van de vrijheid zou kunnen genieten.”
“Je bent niet wijs,” valt Joris uit. “Hij zal mensen aanvallen en verwonden.”
“Ze eten alleen maar gras en hooi, dus hij is niet gevaarlijker dan een koe.”
“Weet je dat zeker?”
Ze knikt en zegt: “Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik heb een groot boek over de wildernis en daar staat het allemaal in.”
Joris kijkt Josephine aan. Zou het echt waar zijn? “Maar als hij niet gevaarlijk is, waarom zit hij dan in een kooi?”
Josephine trekt een beetje boos gezicht. “Als je mij niet gelooft, kun je het aan Igor vragen,” zegt ze.
De neushoorn vrij laten. Joris schudt zijn hoofd, dat is niet zo simpel.
“De kooien van de wilde dieren worden altijd zeer zorgvuldig gesloten,” zegt hij.
“Daar weet jij vast wel iets op te verzinnen,” zegt Josephine. “Jij bent zo slim.” Ze strijkt met haar hand langs zijn wang. Joris krijgt het er warm van.

~~~

Joris heeft niet zoveel zin om aan Josephines plannetje mee te werken. Thuis vraagt hij aan vader wat neushoorns eten. Vader zoekt het op in een dik boek. Josephine heeft gelijk, ze eten alleen planten. Ze grazen net als koeien.
“Dus ze zijn niet gevaarlijk?” vraagt Joris.
“Zolang ze niet boos zijn niet,” zegt vader.

Joris gaat terug naar het circus. Iedereen kent hem daar. Niemand kijkt raar op als hij er rondloopt. Hij gaat naar de kooi van de neushoorn.
De neushoorn kan twee stappen vooruit doen, twee stappen achteruit en met zijn kop heen en weer zwaaien, meer plek heeft hij niet. Achter hem ligt een grote hoop poep te dampen. Joris kijkt naar de kleine ogen in de kolossale kop. Het lijkt inderdaad of hij heel verdrietig staat te kijken. Joris begint medelijden met het grote dier te krijgen. Hij kijkt naar het hek. Er hangt een groot, zwaar hangslot aan. Dat is nog niet zo eenvoudig.
“De neushoorn is jouw speciale vriend hè, Joris?” klinkt de stem van Igor.
Joris schrikt en draait zich om. Achter hem staat Igor breeduit te lachen.
“Ja,” zegt Joris. “ik vind hem geweldig, hij is zo groot en sterk. Heeft hij ook een naam?”
Igor glimlacht en zegt: “Ik noem hem Sam. Zo heette de sterkste man uit het dorp waar ik vandaan kom.”
“Zijn hok is wel klein hè?” vraagt Joris voorzichtig.
“Als we op tournee zijn, is er niet meer ruimte voor hem.”
“Dus dan zit hij de hele tijd alleen maar in dit kleine hok?”
“Dat kan niet anders, Joris.”
Igor strijkt Joris over zijn bol en zegt: “Ik moet aan het werk, we hebben vanavond nog een voorstelling.”
Joris kijkt naar het slot van de kooi. Dat ziet er heel sterk uit. Het is maar de vraag of hij dat zomaar open krijgt.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Kan Joris iets voor de neushoorn doen? Ontdek het morgen!

 

Vorig verhaalPicknick op vaderdag
Volgend verhaalHet lekker verse gras

Reageer!