Glane23, Toast soldiers, CC BY-SA 3.0

De opa van Wilma is een beetje gek. Niet echt gek, maar leuk gek. Hij zegt soms dat hij Europa heet. Dan tovert hij chocoladen euro’s uit je oren. Hij zegt dat meeuwen schreeuwen omdat ze bang zijn dat ze kunnen vallen.
De oma van Wilma bakt lekkere cake met noten. Die gekke Europa noemt haar soms Aroma omdat het dan zo heerlijk ruikt in de keuken. Ze maakt ook soldaatjes van brood. Die gaan kopje-onder in het geel van een ei. Of in een zeetje van melk.

Woensdag is een hoeradag.
Elke woensdag is het feest voor Wilma. Dan logeert ze een halve dag plus nog een hele nacht bij oma en opa. Mama of papa brengen haar dan in de auto. Bij opa tovenaar en oma bakkerin is het altijd leuk. Koekje knabbelen. Filmpje kijken. Badje nemen. Soldaatjes happen. Gezellig ingestopt worden in het logeerbed.

En dan is er nog Leon.
Leon heeft geen tuin. Leon heeft een balkon.
Hij woont bijna in de wolken. In een hoge toren. Vlak naast het huis van oma en opa. Wanneer hij naar beneden kijkt van op zijn kleine hoge speelplaatsje, ziet hij Wilma in de tuin.
“Joehoe Wilma!”
Dat is de woensdagwuif. Wilma kan soms Leon zien, heel hoog in de lucht, op het kleine balkon van het appartement.
“Joehoe Leon!” doet ze dan. Dat is de woensdagwuif.

“Kom je spelen?” vraagt Wilma.
“Mag ik?” vraag Leon.
“Ja hoor. Van mijn opa en oma mag het. Mag het van je pa? Je ma?”
“Ja!”
Alleen Leon mag in de tuin bij Wilma. Broer Eftichios is al te groot, en broertje Babis en zusje Marzena zijn nog te klein.
Daar klinkt de bel van de voordeur al. Het is Leon en zijn papa.
“Kalimera, meneer Verbeeck,” zegt de papa van Leon beleefd.
“Kalimera, Nikos. Zeg maar Filip hoor. Of Europa, hahaha,” lacht opa.
“Dag meneer Filip. Hier is Leon voor twee uurtjes. Gaat dat voor jullie?”
“Dat is prima. Kom er maar in, Leon.”

“Hoi Leon!” roept Wilma.
“Hoi Wilma!” roept Leon terug.
Dan spelen ze samen.
Zandkasteel in de lente.
Waterkasteel in de zomer.
Luchtkasteel in de herfst.
Sneeuwkasteel in de winter.

Bijna elke woensdag is dat zo. Soms brengt Leon een gebakje mee. Of Griekse pannenkoeken. Zelfs eens een heuse omelet, zoals alleen Leons mama die kan maken. Hij smult ook van oma’s cake. En van broodsoldaatjes houdt hij ook.

“Ik wil ook zo’n oma,” zegt Leon soms. “Een oma zoals jij er één hebt.”
“Waar is jouw oma dan?” wil Wilma weten.
“Ver weg, in Griekenland.”
“Ga je er soms naartoe?” vraag Wilma.
“Ja, maar dan moeten we vliegen. In de vakantie. Met een vliegtuig. Zo!”
Leon vliegt door de tuin.
“Ik vlieg met je mee naar Griekenland!” roept Wilma lachend. Ze spreidt haar armen als vleugels en rent Leon achterna.

“Wat spelen we vandaag?” vraagt Leon even later.
“Ridder en prinses!” roept Wilma.
“Joehoe!”
“Joehoe!”
“Jouw ogen zijn gesmolten chocolade,” grapt Leon.
“Jouw krullen zijn kokosmelk,” giechelt Wilma.
“Ik was de zwarte ridder op een groot wit paard,” bedenkt Leon.
“Ik was de prinses en jij moest me redden,” vult Wilma aan.

Het is zo leuk in de tuin op woensdagmiddag. De tijd vliegt voorbij. Even later kunnen ze naar binnen voor het avondeten.
“En hoe gaat het op jouw school, Leon?” vraagt opa als ze aan tafel zijn gaan zitten.
“De juf is heel leuk,” zegt Leon.
“O, prima.”
“We hebben een speeltuin. En dieren.”
“Zorg je er goed voor?” vraagt opa.
“Ja hoor. Charlotte krijgt elke dag korrels en water.”
“Wie is Charlotte? Je leuke juf?” vraagt opa met opgetrokken wenkbrauwen.
“Nee! Haha! Onze klaspoes. Mijn juf heet Timi.”
“Ik heb thuis een schildpad,” zegt Wilma. “Ze heet Speedy.”
“Woont ze in huis?” wil Leon weten.
“Nee, in de tuin. Soms is ze langzaam, soms is ze vlug. Dan vinden we ze niet. Ze verbergt zich wel eens onder een blad in de struiken.”
“Eet ze ook soldaatjes?” vraagt Leon, terwijl hij er eentje naar zijn eitje laat marcheren.
“Nee, sla en broccoli,” lacht Wilma.
“Zou ik een schildpad op het balkon kunnen houden?”
“Ja hoor. Een schildpad houdt van de zon.”
“En als het koud wordt?”
“Dan stop je ze in een grote doos zonder deksel, met wat stro. Zo kan ze de hele winter lang slapen. Pas wanneer het warmer wordt, wordt ze weer wakker.”

Na het avondeten met soldaatjes en warme melk brengen oma en Wilma ridder Leon terug naar huis. Het is vlakbij, want ze zijn buren. Ze gaan mee tot aan de grote glazen deuren van het appartementsgebouw.
“Kalimera, mevrouw Karvelas,” zegt oma tegen de mama van Leon.
“Kalimera, Mieke. Zeg maar Iana hoor.”
“Dag mevrouw Iana. Hier is Leon terug.”
“Was het leuk, Leon?” wil Iana weten.
“O ja!” roept Leon.
“Wuif je straks nog even?” vraagt Wilma.
“Dat doe ik,” knikt Leon. En hij stormt al de trappen op.

Even later staat ridder Leon weer hoog op zijn toren. Hij wuift naar prinses Wilma, die in de tuin staat. Wilma wuift terug.

Dat is de woensdagwuif.
“Dag Leon!”
“Dag Wilma!”
“Tot volgende week!”

Kalispera!

Reageer!