Er was eens een kind, een jongetje, dat vaak Roodkapje werd genoemd. Dit kwam niet omdat hij altijd een rood kapje ophad. Nee natuurlijk niet. Het kwam door zijn oma, die altijd rode mutsjes voor hem haakte. Vroeger. En hem dan Roodkapje noemde.

Copyright Voorleestuin.be

Oma hield van gekke namen. Oma noemde zijn mama altijd Muisje en als ze papa nodig had riep ze: “hee bolle!” Dat was heel gek want papa was juist helemaal niet bol.

“Doe je rits eens dicht,” zei mama terwijl ze het mandje op de grond zette om zelf zijn rits dicht te doen.
“Dat kan ik zelf wel hoor,” zei hij streng. Mama vergat soms dat hij geen kleuter meer was.
“En je capuchon?” Ze ging al met haar handen naar hem toe maar hij schudde snel zijn hoofd. Hij ging natuurlijk niet met een mandje én een rode capuchon op naar oma. Wat dacht mama wel niet zeg!

“Je weet de weg? Op de stoep blijven, dan linksaf om het park heen…”
“Ja- ha,” zuchtte hij. “Daarna weer naar links en de derde straat naar rechts.”
Mama knikte tevreden. “En niet door het park dus he?”
“Nee-hee.” Hij stak zijn hand uit en pakte het mandje aan. “Als ik straks terug ben mag ik nog gamen, he?”
“Ga nu maar.” Mama duwde hem zachtjes de goede richting op.

Het mandje was niet licht. Er zaten wat dingen in om oma op te vrolijken, had mama verteld. Oma was thuis van haar werk, ze was gevallen met haar fiets. Ze had zo’n snelle fiets. “Levensgevaarlijk die dingen!” had papa een paar dagen geleden geroepen toen mama de telefoon inhaakte en vertelde wat er was gebeurd met oma.

~~~

Hij wisselde voor de vierde keer van hand. Het mandje leek steeds zwaarder te worden. Wat zou er inzitten?
Hij zette het op de grond en keek: een tijdschrift, een reep chocolade (he, jammer, met nootjes, die lustte hij niet), een klein bakje druiven (die gaat oma straks aan hem geven, oma vindt fruit belangrijk… iets met vitamines of zo), de zelfgemaakte cake van mama, waar papa en hij geen plakje van mochten proeven, een spuitbus slagroom én een bosje tulpen.

Toen hij weer verder wilde lopen, zag hij dat hij precies bij het bruggetje stond. Het bruggetje waar ze vaak de eendjes voeren, het bruggetje naar het park.
Als hij over het bruggetje, over het slingerende fietspad langs de glijbaan en de wipkip zou lopen, zou hij sneller zijn. Als hij deze weg zou nemen, zou hij vast en zeker twee keer zo snel zijn. Mama zei zelf altijd dat dit de snelste weg was naar oma.
In de verte zag hij de bovenkant van de glijbaan, hoorde hij kinderen lachen en een fietsbel vrolijk rinkelen. Oma vindt het vast fijn als hij er eerder is. Ze is dol op chocolade met nootjes.

Zijn voetstappen klonken gek op de brug. Hij zag tussen de kieren door een witte en een bruine eend. Jammer dat hij geen brood mee had, dacht hij.
“Ho! Pas op!”
Vlak voor zijn voeten stopte een fietswiel. Hij keek op.
De geschrokken meneer stapte af en zette zijn fiets tegen de reling. In zijn hand hield hij een zak vol met brood. “Daar deed ik je bijna pijn, jongeman.” De stem van de man klonk donker en boos, maar hij glimlachte. Tussen zijn donkere, lange haren en wilde baard glommen zijn groene ogen en witte tanden.
“Sorry meneer, ik keek naar de eenden.”
“Houd jij ook zo van eenden? Hier. Help mij maar even.” Een harige hand met lange vuile nagels graaide in de zak brood en gaf hem drie sneetjes oud witbrood. “Of heb je haast?”
“Een beetje,” zei hij en gooide ondertussen stukjes brood naar de twee eenden.
“Waar moet je heen met dat mandje? Ziet er goed uit.” Hij veegde met de mouw van zijn vest wat kwijl van zijn mond. Toen hij Sil zag kijken, zei hij: “Mooi he?” en stak zijn twee armen naar voren. “Echt wol. Weet je waar dat van gemaakt is?”
Natuurlijk wist hij dat, hij was geen peuter meer. “Ja van een schaap.”
“Bingo!” zei de baard en hij gaf hem nog een half sneetje krentenbrood.

“Waar ging je heen zei je nou?”
“O, naar mijn oma. Ze heeft een zere rug ik ga haar wat spulletjes brengen.”
“Alleen? En je weet de weg? Daar geloof ik niks van!” De groene ogen van de man keken hem verbaasd aan.
“Pfff, ik ben er al duizend keer geweest. Het fietspad af, het andere bruggetje over en meteen naar rechts. Daarna de eerste straat links en dan het eerste huis. Simpel.”
Nog voordat de man iets kon zeggen, zei hij: “En ja ik weet wat links en rechts is, ik ben al groot.”

De twee harige handen hielden de broodzak op zijn kop en schudden de kruimels in het water.
“Waarom pluk je onderweg niet nog wat bl… eh brámen voor je oma? Die zijn hartstikke gezond. Daar zal ze blij mee zijn. Weet je waar ze groeien?” Met een puntige nagel wees hij naar een klein zijpaadje waar alle mensen altijd met de honden lopen. Het was niet ver van het pad. Bramen zijn natuurlijk ook fruit. Met vitamines. Hij kon best even stoppen om wat bramen te plukken nu hij toch de snelle weg had genomen.

 

Komt Sil nog bij oma met zijn mandje? En wat wou die vreemde man eigenlijk? Morgen gaat het verhaal verder!

BRONMolenaar teksten
Vorig verhaalTommie en de dieren
Volgend verhaalEr was eens… (2/2)

Reageer!