Sil ging op weg naar oma. Hoewel hij beloofd had niet door het park te gaan, heeft hij dat toch gedaan. Hij ontmoette er een vreemde man en bleef daarna nog even om bramen te plukken.
Nu is hij bij oma’s huis aangekomen…

Hij drukte op de bel: Ding-Dong!
En nog eens. Er deed niemand open.

Toen deed hij het klepje van de brievenbus omhoog en riep: “Oma?”
“De sleutel ligt onder de mat!” riep een krakerige stem terug.
Was oma soms verkouden, of deed haar rug zo veel pijn dat ze niet goed meer kon praten?
“Hoi Oma! Ik ben het,” riep hij en hij keek oma’s woonkamer door. De gordijnen waren gesloten, het was donker. Op de bank, onder een stapel dekens, zag hij iets bewegen.

“Kom verder kindje,” zei ze weer met schorre stem. Een hand met een paarse handschoen aan kwam onder de dekens vandaan. Ze wenkte hem: “Kom eens hier.”
Stapje voor stapje schuifelde hij dichterbij.
Ze had ook een paarse glittermuts op, zag hij toen hij vlak naast de bank stond. Hij kon alleen één oor zien, de rest hield ze onder de dekens. Hij kreeg een gekke kriebel in zijn buik.
“Oma ik heb lekkere dingen voor je mee van mama,” zei hij zachtjes.
“Dank je, dank je, kindje.”
Hij keek nog eens naar het oor van oma. Wat was die gek groot, dat was hem nog nooit opgevallen.
“Oma, waarom steekt uw oor zo uit?”
“Dat, kindje is om je beter te kunnen horen.”
Hij keek naar de paarse handschoen.
“Oma waarom heeft u van die gekke handschoenen aan?”
“Dat, kindje,… Eh, bemoei je daar eens even niet mee! Ja?!” zei de stem boos.
“Nou, oma wat geeft u een grote mond!” zei hij geschrokken.

De dekens kwamen langzaam in beweging. Oma ging rechtop zitten. Deed haar handschoenen uit. Een hand met vieze, lange nagels trok de paarse muts af.
“Grote mond? Grote mond! Dat maak ik zelf wel uit. Kom hier jij!”
Van onder de dekens sprong de harige man op hem en greep hem bij zijn arm.
“Natuurlijk heb ik een grote mond. Ik sterf van de honger. Meekomen jij, kleintje!” Hij sleurde hem mee naar de grote voorraadkast.
“Waar is oma? Wat heb je met mijn oma gedaan?” riep hij boos.
“Houd je snavel jij!”

Met een harde duw smeet hij hem in de kast en draaide hem op slot.
Het was donker in de kast. Alleen door het sleutelgat scheen een straaltje licht.
“Hoi Roodkapje,” klonk er vanuit het donker achter hem. Het was de stem van oma.
“Oma. Noem me toch niet altijd zo,” zuchtte hij terwijl hij zijn oog tegen het sleutelgat aan drukte. De gordijnen waren dicht, maar alle lichten brandden.
In een grote sporttas zag hij oma’s laptop, haar tablet en zilveren kandelaars gepropt zitten.

“Zo, dat is dat,” mompelde de man tevreden en ritste de tas dicht. “En nu eerst ETEN!”
Hij vulde een pan met water en zette het vuur hoog. Nadat hij groentes in het kokende water had gedaan, pakte hij de grootste snijplank en het scherpste mes. Hij legde het mes naast de plank op de keukentafel en zei: “Alleen het vlees nog. Ik heb genoeg voor drie weken soep.”
En hij keek naar de kastdeur. Hij stond op, pakte de sleutel van tafel en liep op de kast af toen…

Ding-Dong.

“Wel getverderrie,” mopperde de man.

Ding- Dong.

“Dat is de buurvrouw, mevrouw Jager,” zei oma tegen de dichte deur.
“Stil daarbinnen! Laat ik jullie niet nog eens horen of er zwaait wat!” gromde de man hen toe.
De voordeur werd geopend.

Sil liet zich niet kennen. “HELP, HELP, MEVROUW JAGER, HELP ONS! HIJ HEEFT ONS OPGESLOTEN!”
Met voeten en vuisten ramde hij tegen de dichte kastdeur.

Er klonk gestommel, geschreeuw en gegil vanuit de woonkamer. Toen werd het stil. Voetstappen kwamen langzaam op de kastdeur af, de sleutel ging in het slot en langzaam, heel langzaam ging de deur open.
En daar in de deuropening stond het allerkleinste en waarschijnlijk ook het alleroudste vrouwtje dat hij ooit had gezien. Met in haar hand een grote bruine handtas. Ze klopte even op de tas en zei: “Ik had knikkers voor je mee, kindje. Drie grote zakken. Deze tas weegt een ton. Daar had die vuilak niet van terug.”
Ze sloeg een oude hand voor haar mond. “Pardon,” zei ze toen lachend.

Oma schonk de thee in en mevrouw Jager verdeelde de chocolade op een schaaltje.
“Nou jongen. Je hebt gelijk, ik zal je geen Roodkapje meer noemen. Je bent al zo groot. En moedig, erg moedig. Ik durfde mij niet te verroeren.”
Ze keek hem aan. “Hoe zal ik je dan noemen. Iets met held? Super Hero?”
Hij schudde zijn hoofd. “Nee oma. Ik weet hoe u mij kan noemen: Sil. Want dat is tenslotte gewoon mijn naam.”
Oma lachte en proostte met de thee. “Op Sil,” zei ze blij.
Sil proostte mee. Voorzichtig.

“Was er niet een tv programma vroeger? Sil de Strandjutter?” Oma keek mevrouw Jager vragend aan.
“Omá…” zei Sil streng.
“Sorry Sil,” lachte ze terug.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

BRONMolenaar teksten
Vorig verhaalEr was eens… (1/2)
Volgend verhaalPrinses Varia is verliefd

Reageer!