Reisje naar Monoko, de vliegende hond

83

Ver boven de wolken in de mooie blauwe lucht heeft Monoko, de vogelhond, het druk in zijn kasteel.
De stralen van de sterren zijn naar huis gegaan en de rode morgenzon begroet hem met een glimlach. “Hallo Monoko,” zegt Alex de rode morgenzon, “heb je lekker geslapen of was Joris je weer aan het plagen?”
Joris, één van de grotere sterren, komt soms heel dichtbij en schiet dan een lichtstraal door de kamer waar Monoko slaapt. Dan is Monoko meteen wakker en kan hij niet meer slapen.
“Nee hoor,” zegt Monoko, “ik heb vannacht heerlijk geslapen en ben benieuwd wat de dag mij te vertellen heeft.”
Alex lacht en draait zich om, hij gaat verder wandelen op zijn paadje.

~~~

Vandaag zijn Jaap en Josje vrij. Ze hebben afgesproken dat ze een hut in het bos gaan bouwen.Ze zoeken naar takken en stammetjes. Ze hoeven niet ver te zoeken want de boswachter heeft een paar bomen gekapt en de takken er af gehaald. IJverig zijn ze aan het werk als ze ineens een trap in de boom zien. Waarom zou die er neergezet zijn?
“Even klimmen, misschien kunnen we heel ver kijken,” zegt Jaap, “kom maar Josje, het is hier heel mooi.”
Josje klimt naar boven en samen kijken ze over het bos.
“Kijk daar vliegt een houtduif en daar…” zegt Jaap, “zie ik een vreemde vogel.”

Josje kijkt in de richting van een glimmende wolk. Ja, nu ziet zij het ook.
“Nee joh, het is een hond, zijn lijf is veel te groot voor een vogel.”
“Dat kan niet,” zegt Jaap, “een hond in de lucht, haha, met vleugels zeker.”
Josje kan haar ogen er niet vanaf houden.

De vogelhond komt steeds dichterbij, tot hij bovenop de ladder landt. “Hoi,” zegt hij, “Wie zijn jullie?”
“Dat kan ik beter aan jou vragen,” zegt Jaap, “wie ben jij en waar kom je zo ineens vandaan?”
“Oké,” zegt Monoko, “ik ben Monoko en ik woon hier niet zover vandaan, boven die wolk daarginds. Zie je die grote wolk? Daar staat mijn kasteel. Gaan jullie met me mee? Dan kun je zien hoe mooi het daar is.”

Jaap en Josje kijken elkaar aan.
“Oké, we doen het. Maar hoe komen we daar?”
Daar heeft Monoko wel een oplossing voor. Hij heeft altijd gouden snoepjes bij zich, als je die eet krijg je gouden vleugels. Monoko geeft ze elk een gouden snoepje en daar vliegen Jaap en Josje, achter Monoko aan naar het kasteel boven de wolken.
Als ze daar aankomen mogen ze alles bekijken, en wat is er veel te zien! Grote roze paarden in de stal naast het kasteel en mooie robots die alles doen wat je wil.
“Probeer maar,” zegt Monoko, ” zeg maar wat robot Lisse moet doen.”
“Ik weet iets wat Lisse voor mij moet doen,” zegt Jaap, “zij moet er voor zorgen dat ik alles al weet wat ik op school moet leren.”
De robot kijkt hem aan en vraagt of hij dat echt wil, dan wordt het wel saai hoor! De robot doet een lampje in haar buik aan en er straalt een lichtbundel naar Jaap.
“Zo,” zegt ze, “nu hoef je nooit meer naar school, nu weet je alles.”

Josje wil ook wel een wens doen. “Ik wil,” zegt ze, “dat ik ook zo’n mooi kasteel heb.” Robot Lisse kijkt naar Monoko. Mag dat wel, ze kan het wel aan haar geven maar vindt Monoko dat wel leuk?
Monoko zegt: “Nee Josje dat doen we niet, ik woon hier en hier mogen geen andere kastelen bij komen, dan wordt het veel te druk.”
Josje zegt: “Geef mij dan maar een vliegende stoel.”
Het volgende moment zit Josje op een vliegende stoel en vliegt het kasteel uit. Maar na een paar minuten komt ze met een plof weer het kasteel binnen vliegen. “Pfff,” zegt Josje “ik vond het best wel eng.”

Monoko heeft inmiddels Lisse weggestuurd. “Gaan jullie eerst mijn kasteel nog verder bekijken?” vraagt hij. Jaap is enthousiast.
Als ze bij de grote zaal komen, vertelt Monoko mooie verhalen over hoe ze het kasteel gebouwd hebben. Jaap denkt, misschien kan ik dat ooit ook, zoiets bouwen.
Na een poosje zegt Monoko: “Willen jullie weer terug naar het mooie bos?”
“Ja graag,” zegt Josje, die er stilaan genoeg van heeft.
Monoko roep robot Lisse terug en fluistert haar iets in haar neus. Robot Lisse hoort de geluiden met haar neus want ze heeft geen oren zoals mensen. Robot Lisse rent weg en komt snel weer terug. Ze heeft twee hele mooie stokken onder haar arm. Monoko pakt ze van haar aan.
“Alsjeblieft, jullie krijgen een mooie toverstok voor als je nog eens bij ons wilt komen. Je hoeft alleen maar Monoko te roepen en dan krijg je weer nieuwe vleugels. Want straks in het bos wordt alles weer zoals het was.”
Samen vliegen ze met Monoko terug naar het bos. “Dag,” zegt Monoko, “tot ziens!”
“Tot ziens!” roepen Jaap en Josje in koor.

Reageer!