Als Marga de badkamer uitkomt, zijn de nachtegalen veranderd in witte konijntjes met paarse stipjes. Al fluiten ze net zo vrolijk.
Het beekje dat dwars door de gang kronkelt, is bevroren. De mooie zwarte spin is zelfs veranderd in een piepende witte muis, die wanhopig probeert uit het web te komen. Alle eenhoorntjes hebben witte vleugeltjes gekregen en vliegen klapwiekend door de lucht.

Marga tilt drie konijntjes uit de boom. Daarna probeert ze een klein eenhoorntje te vangen, om het te onttoveren, maar het vliegt klepperend van haar weg. “Kom hier!” roept Marga driftig en rent achter het beestje aan. “Kom meteen hier, jij akelige fladdervlerk. Of ik betover je!”
Maar de kleine eenhoorn fladdert steeds weer buiten bereik van haar grijpende vingers, ook als ze ernaar springt. “Wacht maar, jij lelijke vierpotige fladderaar, ik krijg je wel!”

Boos stampvoet het driftige heksje. Marga kruist haar vingers en roept, “Fliffelfluffie, eenhoorn kom hier!” Maar in de plaats dat het beestje braaf naar haar toekomt, verschijnt er een grote witte duif op haar handen.
“Alle dikke paarse toverbonen, waarom lukt er toch nooit wat,” klaagt Marga. Het komt vast door de klungelvloek, dat ze die duif te voorschijn tovert. Een witte duif is niet zo erg, maar bij de tweede keer Fliffelfluffie zeggen, verschijnen er een boel grote zwarte spinnen die kriebelend over haar handen lopen! Daarna verschijnt er een regenwolk die precies boven haar begint te regenen en haar kletsnat maakt.

“Wat moet ik nou toch doen?”
Marga kijkt boos rond. Doordat de eenhoorns heen en weer vliegen is de gang gevaarlijk geworden, want de paardjes vliegen trappelend op haar af en proberen haar te schoppen. Ze zijn vast boos dat ze rond moeten vliegen in plaats van te lopen.
“Bah, dat hebben Methusa en Zedusa weer gedaan. Ze kunnen ook niets met rust laten,” moppert het jonge heksje. Marga drukte haar vingertoppen en de toppen van de twee duimen stevig tegen elkaar. Daarna haalde ze diep adem voor haar toverwoord. “Flifelfluffie,” zegt ze luid nog een keer. Gatsie, haar toverwoord kan ook helemaal niets, alles blijft hetzelfde! Boos zegt ze het weer, fliffelfluffie! Om haar heen regent het meteen knikkers die vrolijk wegrollen. Marga geeft de moed niet op. “Fliffelfluffie!” roept ze weer, nu heel hard. Uit het niets dwarrelen witte vogelveertjes rond. De veertjes kriebelen haar neus en laten haar niezen.
Marga hoort ineens lachen. Vanuit hun kamerdeur kijkt de kleefaan tweeling giechelend toe. Marga stampvoet als ze de tweeling ziet. “Is het nou afgelopen!” schreeuwt ze driftig. “Jullie gemene giechelkoppen! Potten vol met paarse spinnen nog eens aan toe! Ik wil alles hier weer gewoon hebben!”

“Marga?” Een harde ruk aan haar mouw laat het heksje bijna omvallen van schrik. Haar broer kijkt grinnikend op haar neer. “Laat die pestkoppen maar,” zegt Rudy troostend. “Vader tovert dat straks wel weer goed. Kom je me helpen?”
“Rudy! Alle paarse toverbonen,” roept Marga geschrokken. “Besluip me toch niet zo!” 
“Pas op, als straks de koeproek roept, kun je nooit meer normaal kijken,” grinnikt haar broer. “Kom nu maar mee.”
“Ik heb honger, waar heb je me nou voor nodig?” Marga zwaait haar armen ongeduldig heen en weer. “Ik moet straks naar school.”
“Tante Tanja zou er toverles geven vandaag,” zegt Rudy opgewekt. “maar dat gaat niet door, want ze is in de gedichtjesput gevallen.”

Marga kent die put wel. In de kelder is de mooiste hinkelbaan van alle hinkelbanen in Wekasi. Aan het einde is een diepe put. Als je het hinkelen goed doet, krijg je aan het einde vleugels, dan vlieg je gewoon over de put heen.
Marga giechelt. Haar tante heeft het hinkelen niet goed gedaan en is in de put gevallen. Nu kan ze alleen nog maar in dichtvorm praten en dat is erg grappig. Het heksje wil meteen naar de kelder gaan, maar haar broer grijpt ongeduldig haar hand.
“Ze halen tante Tanja er wel uit,” grijnst hij. “Nu zijn we lekker vrij vandaag, kom je mee?”

Marga weet niet dat haar broer helemaal geen toestemming heeft om in de studeerkamer van hun vader te mogen.
Vader is vandaag een lange tijd weg, weet Rudy. Dan kan hij mooi gebruik maken van alle toverboeken die daar zijn. Hij heeft maar één spreuk nodig, maar eentje. Rudy wrijft over zijn wang, want daar zitten drie akelig jeukende bultjes bij elkaar. Ook jonge tovenaars en heksen hebben last van puistjes en Rudy heeft er nou net weer een paar.

“En mijn ontbijt dan?” Marga kijkt haar broer hongerig aan en drukt op haar buikje.
“Ik tover wel wat lekkers voor je.” Rudy haalt uit zijn zak een kleine doos. “Obediki,” zegt hij en doet de doos open. Dit is zijn hapdoos. Daar kan hij al het lekkers waar hij maar zin in heeft, in tevoorschijn toveren.
Rudy steekt zijn zusje een grote wafel met slagroom toe en gretig begint ze ervan te snoepen. Terwijl ze de wafel opeet, volgt het meisje haar broer door de lange gang van het kasteel.

Reageer!