Op de apenrots in de dierentuin was het rustig die avond. Meestal liepen de aapjes tot laat in de avond over de rots heen en weer, maar deze avond waren bijna alle apen binnen in de rots gekropen. Het stormde zo hard dat een klein aapje zomaar het water ingeblazen kon worden en dus hadden alle apenmoeders gezegd: “Naar binnen, jongens en meisjes! Het waait vanavond veel te hard!”

Zo af en toe kwam er zo’n harde rukwind dat de hele apenrots ervan schudde!
Zoiets hadden de apen nog nooit meegemaakt! Zelfs de heel oude apen konden zich niet herinneren dat het ooit zo gestormd had.

In een hoekje van het apennest in de rots zaten drie apenvrienden bij elkaar. Het waren twee mannetjesapen, Pim en Pom, en één vrouwtjesaapje, dat eigenlijk Pamela heette, maar altijd Pam werd genoemd. Pim, Pom en Pam waren dikke vrienden. Ze waren altijd bij elkaar en haalden vaak zoveel kattenkwaad uit dat de mensen die naar ze stonden te kijken, er erg hard om moesten lachen.

Maar de avond van de storm werd er niet gelachen. Plotseling schrokken alle apen ontzettend! Buiten klonk een hevig gekraak en daarna een geluid alsof er iets heel groots op het eilandje was gevallen, waarop de apenrots stond. Alle apen zouden niets liever doen dan eens gaan kijken wat er gebeurd was, maar de oudere apen zeiden:
“De rots is nog heel! Morgenochtend als de storm is gaan liggen, is er nog tijd genoeg om buiten een kijkje te nemen.”

Onze drie vrienden konden zolang niet wachten. Ze gingen vlak bij elkaar in een hoekje van het nest in de rots zitten, bij een uitgang naar buiten.
Pom zei: “Als iedereen slaapt, gaan we ervandoor.”

Toen de apen allemaal sliepen, kroop Pam voorzichtig naar buiten. Niemand merkte er iets van en dus ging Pim haar achterna. Even later stapte Pom ook naar buiten en nu keken ze met z’n drieën uit over het eiland met de apenrots. Het was donker buiten en ze zagen niets bijzonders. Tot ze aan de achterkant van de rots kwamen. Opeens konden ze niet verder. Er lag een grote boom op de grond tot aan de voet van de rots. De drie aapjes klommen op de stam van de boom en omdat er in de verte nog een paar lampjes wat licht gaven, konden ze al gauw wat meer zien. De boom was omgevallen door de storm en hing over het water heen zodat de drie vriendjes gemakkelijk naar de overkant konden komen. Ze waren vrij!

Langs allemaal dieren die ze nog nooit gezien hadden, kwamen ze bij het hek van de dierentuin. Het hek was natuurlijk dicht, zoals altijd wanneer de dierentuin gesloten was, maar dat was voor onze drie aapjes geen enkel probleem! Binnen een minuut stonden ze allemaal aan de andere kant van het hek. Waar zouden ze naartoe gaan? Ze liepen wat rond en al snel zagen ze een straat met huizen.

“Laten we daar eens gaan kijken!” riep Pam. Ze liepen naar één van de huizen toe.
Het huis had een groot raam en voor dat raam was een brede vensterbank. Binnen in het huis brandde licht en nieuwsgierig als aapjes kunnen zijn, gingen ze netjes naast elkaar op de vensterbank zitten. Ze keken naar binnen. Daar zat een man op een stoel met zijn rug naar hen toe. Hij had een groot stuk papier in zijn handen waar hij de hele tijd naar keek. Opeens ging een deur tegenover het raam open en daar stapte een vrouw de kamer binnen. In haar handen had ze een dienblad met een koffiepot en twee kopjes erop.
Terwijl ze naar de man liep, keek ze naar het raam. Ze gaf een harde gil en van schrik liet ze het dienblad op de grond vallen. De man keerde zich om en zag nog net hoe drie geschrokken aapjes ervandoor gingen.

Pim, Pam en Pom renden zo hard als ze konden terug naar de veilige dierentuin. Maar waar was die nu toch gebleven? Ze liepen en liepen, maar nergens zagen ze ook maar iets dat op een dierentuin leek. Pam begon te huilen: “Nu zien we onze vader en moeder en onze vriendjes nooit meer terug. Wat zijn we toch dom geweest!”
Nu Pam zo verdrietig was, kregen Pim en Pom ook tranen in hun ogen.
O, wat voelden ze zich ellendig!

Het was ondertussen licht geworden en de eerste auto’s reden door de straten van de stad. Nu werden onze vrienden ook nog bang van al die enge lawaaidingen! Ze klommen de bomen in en van boom tot boom springend hoopten ze de dierentuin terug te vinden.

En toen zagen ze opeens iets bekends! Daar reed net zo’n auto als ze altijd in hun dierentuin zagen! Achter het stuur zat de man die hen elke dag hun eten bracht. Ze wisten niet hoe snel ze achter de man aan moesten rennen.

De oppasser had niets in de gaten. Hij wist nog niet dat er drie aapjes ontsnapt waren. Toen hij een kruispunt naderde, sprong het stoplicht op rood. De man remde en stopte. Opeens schrok hij zich een hoedje! Met drie doffe ploffen kwam er iets op het dak van de auto terecht. Meteen daarna zag hij hoe drie aapjes op de motorkap sprongen en hij herkende ze direct: Pim, Pam en Pom!

Hij deed de deur van zijn auto open en zo kwamen onze drie vrienden even later in de dierentuin en op de apenrots terug. Maar weet je wat wel zielig voor ze was? Toen ze hun avonturen vertelden, wilde geen één aap geloven dat ze echt in een auto waren meegereden!

Afbeelding van 9883074 via Pixabay
Vorig verhaal1.2. Rudy mag toveren
Volgend verhaal1.3. Fliffelfluffie!

Reageer!