CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In de Waddenzee woonde eens een jong zeehondje. Hij heette Bram. Bram had ook nog een zusje: Toos. Met hun vader en moeder zwommen ze de hele dag lekker rond tussen de zandbanken van het Wad.
Er was genoeg te eten voor iedereen en als ze hun buikje rond hadden gegeten, gingen ze lekker een beetje zwemmen en spelen in het water. Wanneer ze moe waren geworden, lagen ze lekker in het zand te zonnen.

Op een dag zwom Bram in zijn eentje wat verder weg van het Wad dan hij anders deed. Heel in de verte lag namelijk een grote zwarte boot. Daar wilde hij wel eens even een kijkje gaan nemen. Maar toen hij er vlakbij was, gebeurde er iets vreselijks! Bram nam net een flinke duik onder water, toen hij ineens in de gaten kreeg dat voor hem en opzij van hem allemaal draden zaten. Die arme Bram was in het net van de visser terechtgekomen! De boot waar hij op af was gezwommen, was namelijk een vissersboot!

Bram kon geen kant meer op. Omdraaien ging niet, daarvoor was het net te smal. Achteruitzwemmen is ook niet gemakkelijk voor een zeehond. En links en rechts was alleen maar dat net!
Als hij een kindje was geweest, was hij in huilen uitgebarsten, maar hoewel kleine zee­hondjes ‘huilers’ heten, kon Bram geen tranen met tuiten huilen. Het was toch al nat genoeg in de zee …

Op het Wad begon zijn zusje Toos zich ongerust te maken. Ze had al een hele tijd niets van Bram ge­hoord. Waar zat die deugniet toch? Ze besloot de zee op te gaan en al gauw zag ze de vissersboot in de verte liggen. Bram zou daar toch niet naartoe gegaan zijn? Iedere zeehond wist toch hoe gevaarlijk vissers waren!
Toos besloot om toch maar eens bij de boot te gaan kijken. Toen ze er een paar honderd meter vandaan was, zag ze hoe de vissers bezig waren een groot net naar binnen te halen. Er zaten veel vissen in. Hun schubben glinsterden in de zon.
En toen … zag ze hoe in het net ook een zeehondje vast zat. Bram natuurlijk! O, o, wat moest ze doen?

Met een reuzevaart zwom ze terug naar de zandbank waar haar vader in de zon lag. Ze vertel­de hem wat ze had gezien en ook dat de boot er nog steeds lag. Vader ging meteen met haar mee terug om te zien of hij wat kon doen.

Aan boord van de vissersboot was het net nu helemaal binnengehaald.
De vissers vonden het wel grappig dat ze een klein zeehondje hadden gevangen. “Wat zullen we met hem doen?” vroe­gen ze elkaar.
De één wilde hem op de vismarkt verkopen, samen met de vissen. Een ander voelde er meer voor om hem aan een circusdirecteur te verkopen. Dan kon hij kunstjes leren. Weer een ander zei: ”Geef hem maar aan mij, dan kunnen mijn kinderen er mee spelen!”

Ondertussen zat Bram op het dek zijn ogen uit te kijken. Al die grote mensen! Hij werd er bang van. Was hij maar niet zo ver weg gezwommen. Dan was hij nu leuk met Toos aan het spelen!

Opeens hoorde Bram iets. Uit het water kwam het geluid van een vader-zeehond. Zou dat papa zijn? Hij hoopte het zo! En o, wat zou hij daar graag naartoe willen gaan!

Juist op dat moment liep de visser, die hem mee naar huis wilde nemen, op hem af. Hij pakte Bram op en nam hem in zijn armen. Nu kon Bram over de reling kijken. En daar zag hij de vertrouwde kop van zijn vader! En daarnaast zwom Toos!
Hij werd er wild van. Hij zwaaide met zijn staart en hij zwiepte met zijn vinnen.
Van schrik liet de visser Bram uit zijn handen vallen. Die kwam precies op de rand van de boot terecht. Zou hij terug in de boot vallen?
Nee, het scheelde niet veel, maar op het laatste moment kantelde Bram de goede kant op. Hij was weer vrij!

Op de boot klonk een kreet van teleurstelling. Maar Bram zwom zo snel hij kon weer naar papa en Toos. Samen zwommen ze terug naar de zandbank. Het avontuur was goed afgelopen. Bram moest er niet aan denken, dat hij bijna een circusclown was gewor­den!

Reageer!