CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het verhaal begint hier.

Toen ik weer wakker werd, was het van de honger. Mijn buik knorde, een luid gerommel onder de deken. Nu deed ik mijn ogen wel open en wilde me omhoog wurmen, onder de dekens vandaan. Maar toen ik bewoog was het alsof de deken uit zichzelf verdwenen was. Verbaasd keek ik naast me en zag een heleboel piepkleine dekentjes naast mijn armen liggen. En naast mijn benen. En overal. Hele kleine rode dekentjes met een rand van wit bont.

Ik wreef mijn ogen: waar was ik in hemelsnaam? Ik keek onder me en zag dat ik op een bed lag van honderden plukken witte wol. Ik draaide me om en slaakte een kreetje toen ik mijn kussen zag. Het was een lammetje dat op zijn zij lag en opstond om zich even uit te rekken. Het wiebelde z’n neusje naar mij als om hallo te zeggen.

Mijn ogen waren nu zo groot als schoteltjes en in mijn hoofd renden gedachten rond als wilde kippen: wie? wat? hoe? waar? Weer rommelde mijn buik: ik dacht dat ik gebakken brood rook. Maar hoe kon dat? Hier op de berg was geen brood. Met twee vuisten in mijn ogen dwong ik mezelf om wakker te worden, want dit moest echt een droom zijn. Ik wreef tot ik sterren achter mijn ogen zag en haalde mijn handen weg. En toen….

Toen viel mijn mond open. Ik zat te kijken, echt onbeschoft te gapen, zoals je hebt geleerd dat je niet mag doen, omdat het onbeleefd is. Maar ik zat met mijn mond open te staren , want daar voor me stonden drie kabouters. Echt waar: kabouters. Ze waren zo groot als mijn hand en daar zat die rode puntmuts al bij.

Het waren twee mannetjes en een vrouwtje en ze hadden allemaal blauwe oogjes en gezonde rode wangen. De mannetjes hadden witte baarden en het vrouwtje had geel haar dat in een dikke vlecht over een schoudertje naar voren hing. Ze wenkte naar de mannetjes en samen tilden ze iets op dat voor hen op de grond lag. Ze hijgden van inspanning toen ze het naar hem toehielden: het was een broodje. Voor hun was het een reuzenbrood, maar voor mij was het een kleintje. Het lag warm in mijn hand. Het vrouwtje maakte een gebaar van eten en ik bracht het naar mijn mond en even later verspreidde een zalig gevoel zich door mijn hele lichaam: dit was het lekkerste brood dat ik ooit had geproefd!

In vier grote happen had ik het lekkers weg geschrokt, de kabouters vanuit mijn ooghoek in de gaten houdend. Ik begreep er niets van maar: eerst eten en dan verder gaan met verbaasd zijn.

Toen ik klaar was, kwam er een stel nog kleinere kabouters aan. Ze trokken aan een platformpje op wielen. Daarop stond een tobbe met een rietstengel erin. Voorzichtig, zodat het niet over de rand zou klotsen duwden ze het karretje mijn kant op. De kabouterkinderen – want dat waren het, dat zag je zo aan hun gezichtjes – giechelden onbedaarlijk en ze wezen in mijn richting en zeiden dingen tegen elkaar in een taaltje dat ik net niet kon verstaan. Toen ze dichtbij waren wezen ze op de tobbe, waar wolkjes stoom afkwamen. Toen wezen ze naar hun mondjes en duwden de rietstengel naar me toe: drinken!

Ik boog me voorover en sloot mijn mond om de holle stengel en slurpte voorzichtig. En toen proefde ik iets waarvan de tranen in mijn ogen kwamen: chocolademelk! Chocolademelk zoals mijn moeder die vroeger maakte als ik ziek in bed lag. Ik zag haar voor me alsof het gisteren was en het voelde alsof een scherp mes door mijn hart sneed. Mama…
Ik had mezelf al lang geleden aangeleerd om niet meer aan vroeger te denken, maar nu was ik weer even thuis bij haar. Ik miste haar alsof ze net gestorven was. Ik slikte mijn tranen weg. De kleine kabouters waren stil geworden en keken met lieve oogjes naar me. Het was alsof ze helemaal begrepen waarom ik verdrietig was. Ik glimlachte naar ze: het gaat wel weer hoor.

Toen hoorde ik een nieuw geluid. Een snuffelen en het kraken van kleine takjes. Ik zag nu pas dat ik bij de ingang van een grot lag en dat er kleine vuren in een cirkel om mij heen waren, om me wam te houden.
En daar, tussen die vuren door, stapten nu heel voorzichtige bruin fluwelen pootjes binnen. Eentje – de linker achterpoot – was in een dik verband gewikkeld. Ik hield mijn adem in, want plotseling begreep ik alles.
Ik snapte nog niet hoe ik hier gekomen was, maar wel wie daarvoor had gezorgd. Dit hertje. Het hertje dat ik had gered.

Vorig verhaalBoris en de flesjes (2/2)
Volgend verhaalNaar de kinderboerderij

Reageer!