Sterrenstof

Hoog aan de hemel stond een heldere ster. Op die ster woonde een kleine fee die Chiara heette. Ze had prachtige lange haren, elegante vleugels en een lief gezichtje, maar echt gelukkig was ze niet. Ze woonde daar namelijk helemaal alleen.

Afbeelding van 3333873 via Pixabay

“Had ik maar iemand om mee te spelen,” klaagde het feetje. Ze richtte haar hoofdje naar de hemel. Overal fonkelden sterren, maar die waren allemaal veel te ver. Met haar kleine vleugeltjes zou ze die nooit kunnen bereiken.
De Aarde was gelukkig een stuk dichterbij. Misschien kan ik daar wel een speelkameraadje vinden, dacht Chiara hoopvol.

Ze stond te popelen om te vertrekken. Voordat ze op reis ging, schepte ze met haar handen een hoopje sterrenstof uit de zachte grond. Deze glinsterende korreltjes hadden feeën nodig om te kunnen toveren.
“Wie weet komt dit nog van pas,” zei ze met een ondeugende blik op haar snoetje.

Chiara deed het sterrenstof in een zakje en vloog naar de Aarde. Ze zoefde onderweg langs meteoren en satellieten, danste op pluizige wolken, zweefde over boomtoppen en landde uiteindelijk zachtjes in het gras.

”Dat was leuk,” giechelde het feetje. Ze keek om zich heen en zag overal akkers en weilanden. Even verderop was een boerin druk bezig met het oogsten van pompoenen. Chiara ging er meteen op af.
“Wil je met me spelen?” vroeg ze aan de boerin.
Maar die schudde haar hoofd. “Voor dat soort nonsens heb ik geen tijd, kind,” antwoordde de boerin stellig. “Maak jezelf liever nuttig en help mij met het sjouwen van deze zware pompoenen.”
“Nee!” riep de kleine fee, terwijl ze met haar voetje stampte. “Ik wil spelen!”

Chiara graaide een handvol sterrenstof uit haar zakje en strooide het op een pompoen. Ineens begon deze snel te groeien. De pompoen werd groter en groter, totdat deze bijna net zo groot was als een huis. De boerin kon haar ogen niet geloven. Er verscheen een brede grijns op haar gezicht. Ze dacht al aan het fortuin dat het enorme stuk groente zou opleveren.

De boerin had net uitgerekend hoe rijk ze zou worden, toen de pompoen pardoes met een harde knal uit elkaar plofte. De boerin zat onder de oranje smurrie. Het kleine feetje kwam niet meer bij van het lachen.
De boerin veegde de pompoenresten van haar gezicht. Ze was woedend.
“Pak me dan, als je kan,” grinnikte Chiara, waarna ze haar tong uitstak.
Voordat de boerin ook maar één stap kon zetten, was de kleine deugniet al weggevlogen.

Even later bereikte Chiara een dorp. Haar aandacht werd direct getrokken door het eerste huisje dat ze tegenkwam. Binnen zaten een jongen en een meisje samen te schrijven.
“Hallo,” zei het feetje door het open raam. “Ik ben Chiara.”
“Ik ben Roos,” antwoordde het meisje. “En dat is Toon.”
“Willen jullie met me spelen?” vroeg de kleine fee.
“Ons huiswerk is nog niet af,” antwoordde Roos, terwijl ze haar schrift aan Chiara liet zien. “We moeten nog veel sommen maken.”

“Sommen? Huiswerk? Dat klinkt saai!” zei Chiara, waarna ze wat sterrenstof op de schriften van de kinderen wierp. Plotseling kregen de cijfers pootjes. Ze sprongen van het papier, holden over de tafel en doken door het open raam, om vervolgens het hazenpad te kiezen. Beteuterd keken de kinderen naar hun lege schriftjes. “Nu moeten we weer helemaal opnieuw beginnen,” mopperde Toon, waarop de kleine fee schaterlachend wegfladderde.

Niet lang daarna kwam Chiara aan in een grote stad. Overal waar ze keek zag ze auto’s, trams en bussen rijden. “Wat is het druk hier!” riep het feetje verbaasd. Haar zachte stemmetje kwam nauwelijks boven het lawaai van het verkeer uit. Toen ze de straat wilde oversteken, stond er opeens een politieagent voor haar neus. “Dag kind,” zei de agent, “ben je verdwaald?”
“Nee, ik wil gewoon spelen,” antwoordde Chiara. “Doe je mee?”
“Absoluut niet,” bromde de agent, terwijl hij op zijn motorfiets stapte. “Ik moet vandaag nog heel wat boetes uitdelen.”

De kleine fee liet het daar niet bij zitten. Zonder iets te zeggen strooide ze wat sterrenstof op de motorfiets. “Wat heeft dit te betekenen?” vroeg de agent.
“Dat zul je wel zien,” gniffelde Chiara.
De motorfiets begon plotseling flink te schudden. Geschrokken hield de agent zich stevig vast om er niet vanaf te vallen. Tot zijn grote verbazing was zijn motor een ogenblik later veranderd in een piepkleine driewieler. De agent wist niet wat hij meemaakte. “Halt!” riep hij naar Chiara. “Ik neem jou mee naar het politiebureau!”
“Dan zul je hard moeten trappen!” antwoordde het feetje, terwijl ze brullend van het lachen naar haar volgende bestemming vloog. De agent probeerde haar nog te achtervolgen, maar hij kwam nauwelijks vooruit op het kinderfietsje.

Overal waar ze kwam, zette de kleine fee de boel op stelten. Iedereen die geen tijd of zin had om met haar te spelen, kreeg het zwaar te verduren. Na verloop van tijd, zat bijna de hele stad haar op de hielen. Maar omdat het feetje goed kon vliegen, was nog niemand erin geslaagd haar te vangen.

Toen begon het te regenen. Chiara besloot snel onder een boom te schuilen. Daar dacht ze in alle rust nog eens na over haar belevenissen van die dag. Toen ze terugdacht aan alle grappen die ze had uitgehaald, kon ze haar lach niet inhouden. De kleine fee giechelde zó luid, dat iedereen in de omgeving haar kon horen.
In een mum van tijd stonden er allemaal boze mensen om haar heen. Het waren de mensen die ze die dag had geplaagd. Chiara probeerde snel weg te vliegen, maar omdat haar vleugels nog nat waren, kwam ze niet van de grond. Ze besloot het op een rennen te zetten en vluchtte het park in. Een lange sliert van boze mensen achtervolgde haar.

Vanwege de regen lag er overal modder. Behendig ontweek de kleine fee alle modderpoelen, totdat er eentje op haar pad kwam die te groot was om overheen te springen. Ze twijfelde welke kant ze nu op moest rennen.
Voordat Chiara een beslissing kon maken, botsten de boze mensen tegen haar aan en tuimelde iedereen de modder in. Het werd een ware kliederboel. De kleine fee was bang dat de mensen nu nog kwader op haar zouden worden.

Even bleef het angstvallig stil, maar een ogenblik later barstte iedereen in lachen uit. Ze hadden nog nooit zo’n pret gehad. Het feetje was opgelucht en begon nu ook hard mee te schateren.
Hoewel iedereen onder de modder zat, waren de mensen het feetje dankbaar dat ze een lach op hun gezichten had weten te toveren. Chiara was op haar beurt weer blij dat ze vandaag zoveel speelkameraadjes had gevonden.

Aan het eind van deze bijzondere dag nam iedereen afscheid, maar niet voordat de kleine fee haar nieuwe vrienden ieder een zakje sterrenstof had gegeven om haar streken van die dag weer goed te maken. Zo konden ze op elk moment de wereld een stukje vrolijker maken.

Een heel raar kuiken

Een bruine kip die woonde op een kinderboerderij,
zat op een dag te broeden op een heel groot vierkant ei.
Maar toen de schaal ging barsten ergens diep tussen de struiken,
had die kip ineens een lichtgeel vierkant reuze kuiken.

De Haan, die snel kwam kijken, riep van schrik “Kukeleku!
Ik heb een heel groot vierkant kind, o help hoe moet dat nu.”
De koe van verderop kwam zich met de zaak bemoeien. 
Toen die het gele kuiken zag, begon ze hard te loeien.

“Boehoe,” zei deze koe, “dit kuiken moet hier heel snel weg. 
Ik weet een goede oplossing, gooi het over de heg!”
De geit die mekkerde: “Het is een super groot schandaal,
straks komt het in de krant met een paginagroot verhaal.”

Het schaap en ook het dwergkonijn vonden het ongekend 
omdat dit kuiken anders was dan ze waren gewend.
Het varken met haar biggen keek en riep nadien:
“Dit is het gekste kuiken dat wij ooit hebben gezien.”

Maar moeder kip zei liefdevol: “Ach laat mijn kind toch spelen. 
Dat ik een vierkant kuiken heb, kan mij toch echt niets schelen.”
Daarmee was alles wel gezegd en zonder veel gemok,
dropen alle dieren af. Iedereen vertrok.

De koe ging wat herkauwen en het schaap maakte haar wol.
Het dwergkonijn nestelde zich onder in haar hol.
De geit maakte haar geitenmelk maar dat is best wel dwaas,
die melk veranderde spontaan in blokjes geitenkaas.

Het varken ging wat rollen in een vieze modderplas,
omdat ze dacht dat ze met modder ietsje schoner was.
Het kuiken vond eigenlijk, tot slot van dit verhaal,
dat iedereen erg raar was, maar zij net heel normaal…

© Monica Hulsing

Prinses Mirabella en varkentje Corrie Vreetgraag

Ergens in een ver land leefden eens een koning en een koningin. Ze hadden het reuzeleuk samen, maar er kwamen maar geen prinsen of prinsesjes.

Op een dag riep de koningin opeens: “Ik heb zo’n zin in pizza!”
De koning belde direct de pizzakoerier en liet een pizza komen die zo groot was dat hij in vijftig stukken moest worden gesneden. De koningin at de pizza in tien minuten op en zei: “En nu wil ik ijs.”

Nadat ze een halve emmer ijs had leeggegeten – aardbeiensmaak met stukjes chocola – ging ze naar bed. Ze sliep een gat in de volgende dag. Om 12 uur ‘s middags zat ze eindelijk aan de ontbijttafel en at een hele rol beschuit op met een dikke laag boter en hagelslag.

Zo ging dat een hele week en de buik van de koningin werd steeds dikker. Terwijl ze normaal eigenlijk zo dun was als een rietje. Toen ze bijna niet meer door de deur van het paleis kon, liet de koning de dokter komen die haar lang onderzocht.

Afbeelding van Pexels via Pixabay

“Zucht eens,” zei de dokter.
De koningin zuchtte diep en liet per ongeluk een harde boer. “Oeps,” zei ze. “Dat was niet de bedoeling. Het spijt me, dokter.”

De dokter klopte op haar knie en luisterde ook eens goed naar de bolle buik van de koningin. Daarin borrelde van alles. Toen hij wat harder drukte om beter te kunnen horen wat er nu zo’n gek geluid maakte, liet de koningin een hele harde wind. Zo hard dat de deur ervan openvloog.
“Oeps,” zei de koningin weer. De dokter, die wel wat gewend was van zijn patiënten, draaide toch even zijn hoofd de andere kant op. Het begon namelijk wel heel erg vies te ruiken. Gelukkig kwam er een fris windvlaagje naar binnen.

“Mevrouw de koningin,” sprak hij toen heel deftig. “Ik moet u vragen een plasje op dit potje te doen, want ik vermoed dat er iets in uw buik zit.”
Toen keek de koningin ineens heel ernstig. “Wat denkt u dan dat er in mijn buik zit?” vroeg ze een beetje zenuwachtig. De dokter voelde of zijn baard nog op zijn kin zat en zei: “Misschien zit er wel een kleine hoogheid in uw buik.”
Toen begon de koningin weer heel hard te lachen en schaterde: “Ik ben nu toch veel te oud om een baby te krijgen?”
De dokter pakte zijn tas in en schudde zijn hoofd. “Wonderen bestaan, lieve koningin.”

De dokter had gelijk gehad. Acht maanden later werd een klein prinsesje geboren.
De koning en de koningin noemden haar Mirabella. Het meisje was mooi, klein en teer en ze lachte de hele dag. Behalve wanneer ze haar flesje op moest drinken. De koningin probeerde van alles: pap van gemalen beschuiten, appelmoes, gepureerde worteltjesyoghurt en chocolade-ijs met kokosvlokken, geprakte appelflappen met speculaasjes, …
Maar niets hielp. De prinses lustte gewoon niets.

Ten einde raad liet de dokter een fee komen, die hij nog kende van toen hij als kind zijn tanden aan het wisselen was. De fee had wel vaker kinderen gezien die niets lusten.
Ze stelde de koning voor om een varkentje in huis te nemen. De koning moest daar even hard over nadenken. Stel je voor, een varken over de vloer. Al die modder in huis, daar voelde hij niets voor. Maar overal is een oplossing voor, had de koningin gezegd. Dus werd er snel een hok gebouwd in de paleistuin. Toen dat klaar was, bracht de fee het varken in haar rood met wit gestippelde vrachtauto.

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

Het varken, dat Corrie Vreetgraag heette, was als een kind zo blij dat ze in het paleis mocht wonen. En het was ook bijzonder fijn dat Corrie alles, maar dan ook alles lustte.
Op advies van de fee werd de kleine prinses iedere dag bij Corrie gebracht. In het hok stonden een kacheltje en een mooie roze pluchen bank waar ze gemakkelijk met zijn tweetjes op konden liggen.

De prinses en Corrie Vreetgraag werden onafscheidelijke vrienden. En zowaar begon de prinses ook alles te proeven wat Corrie at. Tot grote opluchting van de koning en de koningin. De prinses groeide op tot een mooie jonge vrouw en ook Corrie leefde nog lang en gelukkig.

Lichtfeest in het Bolderbos

Dit verhaal gaat over Ella. Ella is een waternimf: een klein feetje dat heel veel van water houdt. Daarom wonen waternimfen altijd dicht bij beekjes of meren.

Ella woont aan de voet van een waterval in het Bolderbos. Het is een heerlijke plek om te wonen want er komt nooit een mens. Het water is helder en de planten rond de waterval zitten vol kleurrijke bloemen.

Ella’s beste vriend is een kikker die Walter heet. Ella en Walter zwemmen elke ochtend samen in de poel onder de waterval. Het is Ella’s favoriete spel: samen spetteren in het water. Ella’s lach en Walters gekwaak zijn altijd tot ver in het bos te horen.

Vandaag moeten Ella en Walter echter opschieten want er is straks een groot feest in het bos.
Elk jaar in het midden van de zomer, wanneer de zon op haar hoogste punt staat, vieren de nimfen het Lichtfeest. Aan de planten rond de waterval hangen honderden lichtjes en van vroeg in de ochtend tot laat in de avond is er muziek te horen. Ella heeft het hele jaar geoefend op haar twinkelgitaar om mee muziek te maken vandaag.

Afbeelding van OpenClipart-Vectors via Pixabay

Na hun ochtendduik gaat Ella op zoek naar haar twinkelgitaar. Ze kijkt eerst in de kast, maar daar is de gitaar niet. Ze kijkt in de hoek van haar kamer, maar ook daar geen gitaar. Op zolder, geen gitaar. Ze kijkt in elk keukenkastje en achter elke deur maar kan haar twinkelgitaar nergens vinden.

Ella is droevig en gaat naar Walter om te vragen of hij haar kan helpen zoeken. Maar ook Walter is droevig. Hij kan zijn trompet niet vinden. Ook de andere nimfen van het Bolderbos komen droevig hun huisjes uit. Alle muziekinstrumenten zijn verdwenen. Het is nog nooit zo stil geweest in het bos.

“Wat moeten we nu doen?” kwaakt Walter. “We kunnen deze dag niet voorbij laten gaan zonder muziek!”
Dan komt Sannas, Ella’s buurnimf, hijgend aangelopen. “Ik weet wat er is gebeurd!” roept ze uit. “Afgelopen nacht hoorde ik geschuifel in mijn holletje.” Alle nimfen kijken Sannas verbaasd aan.
“Ik zag Talinka door mijn raam naar buiten klimmen met mijn toverfluit stevig in haar klauwen,” zegt Sannas vervolgens.

Alle nimfen kijken geschrokken en beginnen onder elkaar te mompelen. Talinka is een ongewoon wezentje, een nimf met voeten als een vogel en vleugels als een kever.
Ze woont in een boomhol net buiten het nimfendorp en is de enige nimf die niet van water houdt.

Iedereen wordt boos. Talinka heeft alle muziekinstrumenten gestolen op deze belangrijke dag! Hoe durft ze! Samen met alle nimfen van het dorp gaan Ella en Walter naar Talinka’s hol.
“Geef onze instrumenten terug!” klinkt het boos terwijl de nimfen op de deur bonzen. Maar er komt geen reactie. Sannas kijkt door het kleine raampje in de voordeur. Het hol is helemaal leeg. Er is geen enkel muziekinstrument te bespeuren.

De nimfen verdelen zich in kleine groepjes en gaan elk een andere richting uit op zoek naar Talinka en de instrumenten. Ella springt op Walters rug en samen gaan ze naar de top van de waterval. Het is een vermoeiende tocht. Het pad loopt steil omhoog maar Walter en Ella zijn gelukkig fit. Al snel kijken ze uit over het nimfendorp vanaf de top van de waterval.

Ineens hoort Ella geruis achter de bosjes. Ze wenkt Walter en duwt de bladeren stilletjes opzij om te kijken wie of wat het geluid maakt. Ella ziet een berg muziekinstrumenten en boven op de top zit Talinka zachtjes te snikken.

Ella en Walter lopen boos naar Talinka toe.
“Dief!” roept Walter.
Talinka schrikt zo hard dat ze bijna van de muziekinstrumentenberg valt.
“Waarom heb je al onze muziekinstrumenten gestolen?” vraagt Ella boos.
Talinka’s gezicht is rood van het huilen. “Elk jaar opnieuw vieren jullie het Lichtfeest en spelen jullie muziek tot diep in de nacht. Ik kan er niet van slapen en ik ben het beu.”

Talinka lijkt eerder droevig dan boos.
“Waarom heb je dan niets gezegd? We hadden geen idee dat je de muziek tot in je hol kon horen,” zegt Ella.
“Natuurlijk niet!” antwoordt Talinka verontwaardigd. “Jullie vragen nooit hoe het met me gaat, jullie hebben geen idee hoe het is!”
“Maar Talinka, je bent nooit in het dorp, we zien je amper,” reageert Ella.
“Dat komt omdat jullie mij nooit uitnodigen. Nooit hebben jullie me gevraagd om mee muziek te spelen op het Lichtfeest,” snikt Talinka nu nog harder.

Droevig begraaft Talinka haar betraande gezicht in haar armen. “Jullie weten niet hoe het is om altijd alleen te moeten toekijken.”
Ella en Walter kijken elkaar aan. “Talinka, wil je vandaag met ons muziek maken in het dorp?” vraagt Ella dan voorzichtig.
Talinka kijkt op. Er verschijnt een voorzichtig glimlachje op haar gezicht.
“Denk je dat het mag van de andere nimfen?” vraagt ze zachtjes.
Ella knikt. “Ja, maar je moet wel eerst alle muziekinstrumenten teruggeven en sorry zeggen tegen iedereen.”

Zo gezegd, zo gedaan. Talinka zoemt als een bezige bij door de lucht en brengt elk instrument netjes terug. Die avond speelt Talinka voor het eerst in het dorp samen met de anderen. Het feest duurt tot diep in de nacht en alle nimfen zijn vrolijk. Talinka blijkt zelfs een uitstekende muzikant te zijn.

Mart Muis

Mart Muis is een heel oude muis. Hij woont in een heel oud huisje in Amsterdam. Bij Oma Schort en Opa Snor, een heel oud vrouwtje en een heel oud mannetje. Mart Muis woont in de keuken, in een holletje in de muur achter de oven. Daar zit hij lekker warm en veilig. En daar kan Poes Roof niet bij hem in de buurt komen.

Mart Muis eet de etensrestjes van de keukenvloer. Die laat Oma Schort vallen als ze aan het koken is. Een stukje wortel. Een stukje ui. Zelfs een stukje eierkoek. Of twee pinda’s. Of een druppel vla. Mart Muis lust echt alles. Maar omdat hij al zo oud is, is hij heel groot geworden. En al die kleine beetjes vullen zijn buikje niet meer.

Daarom eet Mart Muis sinds kort ook uit de etensbak van Poes Roof. Vroeger zou hij dat nooit gedurfd hebben. Toen Poes Roof nog jong was, probeerde hij Mart Muis altijd te vangen. Dan ging Poes Roof heel stil in de keuken zitten. Hij verstopte zich onder de keukenkast, en zat dan urenlang te wachten tot Mart Muis uit zijn holletje kwam.

Image by Markus Bieck from Pixabay

Poes Roof was dol op muizen. Maar Mart Muis was slim en liet zich niet pakken.
Eén keer is het bijna misgegaan. Terwijl Mart Muis door de keuken liep, werd hij door Poes Roof gegrepen. Maar gelukkig kwam toen net Opa Snor de keuken in, en die heeft Mart Muis toen bevrijd. Hij pakte Poes Roof bij zijn nekvel, en Poes Roof liet Mart Muis meteen los. Mart Muis is toen snel naar zijn holletje gerend en heeft zich dagenlang niet laten zien.

Maar dat is al lang geleden. Nu is Poes Roof ook heel oud. Poes Roof is zo oud dat hij altijd moe is en bijna de hele dag slaapt. Ook ’s nachts ligt Poes Roof te slapen. En als hij opstaat, is hij zo stram en stijf van het slapen dat hij heel langzaam is.

Mart Muis loopt wel drie keer per dag naar de etensbak van Poes Roof in de huiskamer.
Dat is een spannende tocht door het huis van Oma Schort en Opa Snor. Want als muis moet je zorgen dat niemand je ziet. Dus sluipt Mart Muis stilletjes langs de plinten, achter stapels oude kranten langs, en onder stoelen en tafels door. Gelukkig is het een rommeltje in het huis van Oma Schort en Opa Snor, en kan Mart Muis zich onderweg overal verstoppen.

Het is een lange tocht van zijn holletje naar de etensbak van Poes Roof. En als Mart Muis eindelijk bij de etensbak met kattenbrokjes is, moet hij heel voorzichtig zijn. Want Poes Roof slaapt meestal pal naast zijn etensbak. Dan hoeft hij niet zo ver te lopen als hij wil eten.

Van onder de kast loert Mart Muis naar Poes Roof. Als hij zeker weet dat hij slaapt, neemt hij een sprint en duikt met kop en staart in de etensbak. Hij pakt steeds een paar brokjes en verdwijnt daarmee snel weer onder de kast. Als Poes Roof wakker wordt en zijn lege etensbak ziet, denkt hij vaak: hé, voor ik ging slapen had ik toch een bak vol brokjes? Hij snapt er niets van. Dan zit Mart Muis stilletjes te giechelen onder de kast.

Op een dag had Mart Muis zijn buikje zo rond gegeten dat hij onder de kast in slaap was gevallen. Toen Mart Muis wakker werd, zag hij tot zijn schrik dat Poes Roof zijn ogen open had. Hij was wakker! Maar gelukkig voor Mart Muis, is Poes Roof zo oud dat hij niet goed meer kan zien. En ook niet goed meer kan ruiken.

En zo worden iedere dag de brokjes van Poes Roof door Mart Muis opgegeten. Maar Oma Schort doet steeds verse brokjes in de lege etensbak. Gelukkig maar! Zo heeft iedereen altijd voldoende te eten en hoeft niemand honger te lijden!

Het meisje dat alleen ‘nee’ kon zeggen

Lang geleden was er eens een meisje dat Lara heette. Op een dag liep ze door het bos.
Ze had vlechtjes in haar blonde haren en droeg een blauw jurkje. Zigzaggend tussen de bomen kwam ze op een open grasveld. Daar stonden koeien rustig te grazen.
“Goedemorgen, meisjes!” riep ze vrolijk toen ze voorbij huppelde. De koeien loeiden tevreden maar keken niet naar haar.

Lachend rende Lara door het grasveld, waardoor honderden pluisjes de lucht invlogen. Ze probeerde er een paar uit de lucht te grijpen. “Kom op, bijna,” zei ze, met haar tong uit haar mond hangend. Ze stond inmiddels op haar tenen, met haar handen zo ver mogelijk naar de wolken gestrekt. “Hebbes!” riep ze vrolijk, toen er razendsnel een pluisje voorbijvloog. Het viel haar op, dat deze er anders uitzag dan alle andere pluisjes.

Ineens voelde ze iets in haar hand prikken. Ze liet het pluisje snel los.
“Auw!” klonk het zachtjes, toen het pluisje op de grond gevallen was.
Lara ging op haar knieën zitten om het beter te kunnen zien.
Ze zag iemand op de grond zitten: een elfje met armpjes niet langer dan haar vingertop en een lichaampje zo kort als een jonge grasspriet.

“Het spijt me, Pluisje,” zei Lara verontschuldigend.
Het elfje stond boos op en klopte haar kleding af. “Ik heet geen Pluisje. Ik ben Strega en jij hebt mijn pollenveld overhoop gehaald!” Het gezicht van het elfje was rood van woede.
“Ik zal je voor straf betoveren. Hada-cadabra-hatseflats!” riep ze, al klonk het meer als een vervelende fluittoon omdat ze zo klein was.

Image by Stefan Keller from Pixabay

Een bom aan glittertjes bedekte Lara, die verdwaasd om zich heen keek.
“Hoe heet je?” vroeg het elfje haar.
“Nee,” antwoordde Lara. Van schrik sloeg ze haar handen voor haar mond.
“Houd je van ijsjes en snoep?” vroeg het elfje vervolgens.
Weer antwoordde Lara met “nee”. Tevreden knikte het elfje met haar hoofd.

“Vanaf nu zal dit het enige zijn wat je kan zeggen,” zei ze glimlachend.
Lara werd boos op het elfje. Ze wilde zoveel meer zeggen dan dat! Maar Lara kon er niets anders tegen inbrengen dan “nee”. Het elfje sloeg een paar keer met haar vleugels en was plots verdwenen.

O nee toch! dacht Lara angstig. Wat zullen haar ouders wel niet denken? Zuchtend verliet ze het veld en rende snel naar huis.

~

“Was het buitenspelen leuk, Lara?” vroeg haar vader aan de keukentafel.
“Nee,” antwoordde ze met een diepe zucht. Haar moeder keek verbaasd op, maar zei niets.
Ook haar vader bleef roerloos naar zijn bord kijken. Het bleef doodstil aan tafel.

Ineens merkte Lara iets op vanuit haar ooghoek. Er zweefden tientallen glittertjes in de lucht!
“Lara, wil je van tafel?” vroeg haar vader toen ze abrupt opstond.
“Nee,” antwoordde ze, waarna ze het glitterspoor volgde dat naar de trap liep.
Grinnikend om haar eigen antwoord, stormde ze de trap op.

Het glitterspoor stopte vlak voor haar kamer. Zachtjes sloop Lara eropaf.
Met een ruk gooide ze de deur open. Op haar bed zat een elfje dat zich een hoedje schrok!
“Je liet me schrikken,” zei het elfje verlegen.
Lara zag dat het een ander elfje was, dan het elfje dat haar betoverd had. Maar misschien kon dit elfje haar wel helpen om de vloek te verbreken.

Hoe kon ze het elfje duidelijk maken wat ze wilde, zonder iets te kunnen zeggen?
Toen schoot haar ineens iets te binnen. Snel rende ze naar haar tafeltje in de hoek van de kamer. Met een groene stift tekende ze het elfje dat ze die middag had gezien.
Verschrikt sloeg het elfje op haar bed haar hand voor de mond. “Stoute, stoute Strega. Ik zal haar meteen halen!” zei ze. “Ik ben trouwens Yara,” riep ze nog, waarna ze vliegensvlug door het raam naar buiten vloog.

Een korte tijd later kwam het elfje weer terug. “Hier is ze,” zei Yara blij.
Het andere elfje keek minder enthousiast. Met een gemeen lachje keek ze Lara aan.
“Wil je dat ik de vloek ophef?” vroeg ze poeslief.
“Nee,” antwoordde Lara. Verslagen liet ze zich op haar bed vallen. Dit was helemaal niet leuk!

“Kom op, Strega, doe niet zo flauw,” zei Yara.
Zuchtend keek Strega naar Lara. “Oké, ik doe het. Maar alleen als je belooft dat je de volgende keer oppast dat je mijn bloemetjes niet plattrapt.”
Lara knikte met haar hoofd. Ze wou niets liever dan weer gewoon kunnen praten.

Het elfje zwaaide tweemaal met haar toverstok, waarna zich een glitterwolk om Lara heen vormde. Even bleef het doodstil in de kamer.
“Zeg eens wat!” riep Strega ongeduldig.
Lara schraapte haar keel: “Het spijt me,” zei ze voorzichtig.
Joepie, ze kon weer praten!

“Het is al goed. Het spijt mij dat ik zo fel reageerde,” gaf het elfje toe.
Lara kon het kleine wezentje niet knuffelen, dus stak ze haar vinger uit, die het elfje vervolgens schudde.

“We moeten er weer vandoor. De dromen worden niet uit zichzelf naar de kinderen gebracht,” lachte Yara. “Jij moet ook snel gaan slapen,” voegde ze eraan toe. De elfjes vlogen het raam uit en Lara bleef ze nakijken, totdat ze achter de maan verdwenen waren.

Martijn het draakje

Martijn loopt stilletjes tussen de grote rotsen door naar zijn hol. Hij is weer op een zoektocht geweest in mensenland en zijn gele rugzak zit vol met gevonden spulletjes.
De zon komt net op. Dit is geen tijd voor draken om nog buiten te zijn. Snel gaat hij naar binnen.

Andere draken vinden Martijn maar een rare. Vreemd eigenlijk. Hij ziet er net zo uit als de andere draken: blauwgroen, klein, vurige ogen en een scherpe punt op zijn neus en staart. Het lukt hem alleen niet om te vliegen. Hoe vaak hij het ook geprobeerd heeft. Hij weet hoe het moet: rug een beetje krom, vleugels uitvouwen en ze dan op en neer slaan.
Maar hij komt niet los van de grond. Nog geen centimeter. Dus doet hij alles lopend. En dat vinden de andere draken maar gek. Ook vinden ze dat hij een rare hobby heeft. In plaats van edelstenen, verzamelt hij mensenspullen. Maar dat is toch niet zo raar? Als je alles lopend doet, zie je veel meer dan als je vliegt.

Zijn hol is groot en rommelig. In alle hoeken zitten spinnenwebben. Aan het plafond hangen scherpe doorzichtige kristallen. En overal liggen dingen, hele vreemde dingen. Grote vierkante houten blokken en kleine gekleurde. Een zwart-wit rond ding met daarop de letters ‘deze bal is van Joris’ en vreemde platte dingen met wieltjes eronder.
Martijn gooit zijn rugzak in de hoek. Moe laat hij zich op zijn rotsbed rollen en valt in slaap.

Als het buiten donker is, wordt Martijn wakker. Hij staat op en rommelt tussen zijn spulletjes. Hij heeft alweer zin om op zoektocht te gaan, maar heeft ook honger.
Maar nergens kan hij iets te eten vinden. Hij zal iets moeten gaan zoeken.

Martijn is niet alleen een raar draakje, maar ook slim. Zo heeft hij ontdekt dat zijn voeten in die platte dingen met wieltjes passen. Naast zijn hol ligt een zwarte weg. Hij doet de wieldingen aan zijn voeten en met de gele rugzak op laat hij zich naar beneden rollen.
Dat gaat veel sneller dan al die afstanden lopen naar mensenland.

Copyright Sanne Kroon

Wat gaat het hard! Steeds harder en harder. En dan ineens… Pats, boem, au! Zijn knie, hoofd en elleboog zijn geschaafd en bloeden een beetje.
Een jongen buigt over hem heen. “Ben jij wel goed bij je hoofd? Skaten op een halfpipe zonder helm? Dommerik!”
Sprakeloos kijkt Martijn hem aan. Hij merkt het bloed niet eens op, zo verbaasd is hij.
Hij kijkt naar zijn armen en benen. Door de snelheid is hij omgetoverd in een mensenkind. Weg drakenhuid, weg puntstaart. En hij kan de mensen zomaar verstaan!

Nog vol van verbazing kruipt hij naar de zijkant van de halfpipe en kijkt naar de andere mensenkinderen. Met die wieldingen aan hun voeten gaan ze op en neer over de halfpipe en lachen hardop. Sommigen maken zelfs een salto. Dat wil hij ook proberen! Die zwarte dingen die ze aan hun armen en benen hebben, heeft hij ook in zijn rugzak! Gevonden tijdens zijn zoektocht de nacht ervoor. Hij kijkt goed naar de mensenkinderen en doet de zwarte dingen op dezelfde plek aan zijn eigen armen en benen.

Voorzichtig staat Martijn op en probeert het ook. Dat valt niet mee, je evenwicht bewaren zonder staart. Op en neer gaat het. Eerst een heel klein beetje, dan een beetje meer.
Hij krijgt in de gaten hoe het werkt en gaat hoger en hoger. Hij voelt de wind langs zijn gezicht als hij vaart maakt. Op het hoogste punt lijkt hij in de lucht te zweven en hij knijpt zijn ogen dicht. Hij vliegt!

Als Martijn zijn ogen weer opendoet, hangt er een spin voor zijn neus. Slaperig kijkt hij rond in zijn hol. Wat een maffe droom!

Hoe prinses Goudhartje het Geluk vond

Heel lang geleden, in een ver land, woonde eens een prinses. Ze had een hart van goud en daarom heette ze Goudhartje. Prinses Goudhartje woonde in een prachtig wit kasteel met vier gouden torens. Ze ging vaak de torens in om uit te kijken over het rijk van haar vader, de koning. Vanuit elke toren had je een ander uitzicht: de noordelijke toren keek uit over een lange, kronkelige weg die naar de poort van het kasteel leidde. De oostelijke toren keek uit over een groot en donker bos. Vanuit de zuidelijke toren kon Goudhartje een woeste rivier zien en als ze uit de westelijke toren keek, zag de prinses weidse velden.

Op een dag zei prinses Goudhartje tegen haar opperkamerdame: “Ik ga het Geluk zoeken.”
“Goed prinses,” antwoordde de opperkamerdame. “Hier is een kam, neem die mee, die zult u nodig hebben.”

Goudhartje ging naar de eetzaal, waar haar moeder net klaar met eten was.
“Ik ga het Geluk zoeken,” zei Goudhartje tegen haar moeder.
“Goed kind, hier is een spiegel, neem die mee, die zul je nodig hebben,” zei haar moeder.

Daarna ging Goudhartje naar de troonzaal, waar haar vader op zijn troon zat te regeren. “Ik ga het Geluk zoeken,” zei Goudhartje tegen haar vader.
“Goed kind, hier is een steen, neem die mee, die zul je nodig hebben,” zei haar vader.

Zo liep de prinses de poort uit.
“Goedemorgen, prinses Goudhartje, waar gaat u naartoe?” vroeg de poortwachter.
“Ik ga het Geluk zoeken,” antwoordde Goudhartje.
“Goed prinses, trek dan deze schoenen aan. Ze zullen u de weg wijzen naar het Geluk.”

Image by OpenClipart-Vectors from Pixabay

Prinses Goudhartje deed haar gouden muiltjes uit en trok de stevige schoenen van de poortwachter aan. Ze pasten precies. Zo ging ze op pad. In haar zak de kam, de spiegel en de steen. Aan haar voeten de schoenen van de poortwachter die haar wezen waar ze naartoe moest.

Zo liep prinses Goudhartje over de lange, kronkelige weg. Na een poosje gelopen te hebben, kwam ze bij het grote, donkere bos. Het bospad lag vol scherpe steentjes, maar dankzij de stevige schoenen van de poortwachter voelde prinses Goudhartje die niet en kon ze rustig doorlopen. Even later hoorde ze een vreselijk gekrijs. Toen ze om zich heen keek, zag ze een dwerg. Zijn lange, grijze baard zat helemaal verstrikt in een braamstruik.
“Blijf uit mijn buurt, of ik betover je!” krijste het ventje.
“Rustig maar dwerg, ik doe u niets,” zei Goudhartje. Ze liep naar de dwerg en pakte de kam uit haar zak. Zodra ze de kam in de haren van de kabouterbaard stak, waren ze los. De kabouter streek over zijn glanzende baard. “Je hebt me gered. Welke beloning wil je?” vroeg hij aan Goudhartje.
“Ik zoek het Geluk,” antwoordde ze.
“Ik schenk je Schoonheid,” zei de kabouter. Meteen werd prinses Goudhartje zo mooi als de sterren aan de nachtelijke hemel.

Verder en verder brachten de schoenen prinses Goudhartje. Zo kwam ze bij de oever van de woeste rivier. De grond was nat en glibberig, maar door de schoenen van de poortwachter gleed Goudhartje niet uit. Plotseling hoorde ze iemand prachtig zingen. Zoekend keek Goudhartje in het rond om te zien waar het gezang vandaan kwam. Op een hoge rots, midden in de rivier, zag ze een vrouw zitten. Zij was het die zo mooi zong.
Toen zag de prinses een schip op de rivier. De schipper raakte betoverd door het mooie gezang en lette niet op. Bijna voer het schip tegen de rotsen. Snel haalde Goudhartje de spiegel uit haar zak en liet het licht ervan in de ogen van de schipper schijnen. Daardoor werd de betovering verbroken. Een eindje verderop kwam het schip naar de kant.
De schipper stapte van boord en liep naar Goudhartje toe: “Je hebt me gered. Welke beloning wil je?”
“Ik zoek het Geluk,” antwoordde de prinses.
“Ik schenk je Liefde,” zei de schipper. Het hart van Goedhartje stroomde meteen over van liefde.

De schoenen brachten prinses Goudhartje weer verder, naar de weidse velden. Daar kwam een wit paard heel hard aangegaloppeerd.
Oei, oei, het paard is op hol geslagen, zag Goudhartje. Op de rug van het paard zat een knappe jongeman, die zich nauwelijks aan de teugels kon vasthouden. “Help, help!” riep hij. Snel liep Goudhartje in de richting van het paard. Door de schoenen van de poortwachter kon ze goed hollen. Toen ze dichterbij was gekomen, pakte ze de steen uit haar zak en gooide die naar het paard. De steen veranderde in een zachte bal en het paard werd meteen helemaal rustig. De jongeman steeg af, maakte een buiging voor Goudhartje en zei: “Lief kind, dank je wel dat je me al drie keer gered hebt. De dwerg, de schipper en ik zijn dezelfde. Ik ben een prins. Wil je met me trouwen en meegaan naar mijn koninkrijk?”
“Ja, dat wil ik,” antwoordde Goudhartje. De prins tilde haar met een zwier op zijn paard en nam haar mee naar zijn paleis. Zo vond prinses Goudhartje het Geluk. En als de prins en de prinses niet gestorven zijn, leven ze nu nog steeds.

De Moestuinvrienden

Het begint allemaal bij een tomaat en een wortel. Ze leven samen in de moestuin, alleen zijn ze niet bij elkaar. Wortel leeft aan de andere kant van de moestuin, ver van Tomaat. Ze hebben elkaar leren kennen toen ze nog kleine zaadjes waren. Toen hebben ze elkaar beloofd om beste vrienden te blijven, hoe ver ze ook uit elkaar zouden zijn.
En elke dag denkt Wortel aan Tomaat. Hij zou hem graag nog eens zien, maar dat is tegen de regels. Als zijn broers zouden weten dat hij bevriend is met een tomaat, dan zouden ze hem nog meer pesten. Wortel is altijd anders geweest dan al zijn broers. Hij is minder groot, minder sterk, minder hard. Zijn broers pesten hem er altijd mee, maar Wortel laat zijn hoofd nooit hangen. Hij probeert altijd beter te zijn dan de rest.

Als hij dan toch eens iets doet wat niet mag, dreigen zijn broers er altijd mee dat hij niet mee zou mogen naar de winkel. Daar is Wortel wel wat bang van. Hij wil zo graag weten hoe die winkel eruitziet. Iedereen heeft het er altijd over, maar niemand weet hoe het eigenlijk echt is.

Zijn broers tikken hem op zijn hoofd en wijzen naar het poortje. Daar is de boer. Iedereen is stil terwijl de boer langs de wortels wandelt. Hij heeft een grote emmer in zijn handen. Wat zou hij daarmee doen? Hij wandelt weg en iedereen begint weer te praten.

Wortel weet eigenlijk niet precies waar in de moestuin Tomaat zit. Er heeft ooit eens een ui tegen hem gezegd dat de tomaten helemaal aan de achterkant zitten. Uien kunnen het wel weten, zij ontsnappen vaak en doen dingen die ze niet mogen. Het is verboden om rond te wandelen in de moestuin, toch doen uien het.
Wortel wou dat hij ook een ui was. Ze zijn zo groot en stoer. Wortels zijn er niks tegen. Zelfs zijn broers zijn stil als de uien voorbij wandelen en dat zie je niet vaak.

Wortel hoort zijn broers zeggen dat ze volgende week worden geoogst. Dat betekent dat ze volgende week al naar de winkel moeten. Die magische plaats waar iedereen het altijd over heeft. Maar dat betekent dat hij niet veel tijd meer heeft om een goed plan te bedenken om tot bij Tomaat te komen. Het moet subtiel gebeuren, hij wil niet gezien worden, want dan komt hij in de problemen. Wat als Wortel nu eens wacht tot al zijn broers slapen en dan probeert weg te glippen? Dat moet lukken.

De zon staat laag, dat betekent dat het bijna nacht is. Dan kan hij zijn plan uitvoeren. Wortel moet gewoon zorgen dat hij zelf niet in slaap valt en wachten tot zijn broers in slaap vallen, simpel toch?

Zijn broers tikken Wortel op zijn schouder. Daar is de boer weer.
“Het zijn de tomaten,” fluistert een van zijn broers.
Wortel probeert in de emmer te kijken en inderdaad: hij ziet het puntje van hun haren. Daar moet hij wel in zitten, het kan niet anders. Zouden zij al eerder naar de winkel gaan? Hij moet het weten, hij wil zijn vriend nog één keer zien voor ze allebei hun eigen weg gaan. Dus hij besluit de boer te volgen.
Hij rukt zich los van de aarde en rent achter de boer aan. Hij hoort zijn broers roepen, maar Wortel kijkt niet om. Dit mag hij mag niet verpesten.

De boer gaat door het poortje. Wortel kruipt onder het poortje. “Wow! Er staat hier wel een heel grote serre. Is dit de winkel?”
De boer gaat naar binnen. Wortel volgt. Het is zo groot, er staan hier dingen die hij nog nooit in zijn hele wortelleven gezien heeft. De boer zet de grote emmer neer en loopt door. Hopelijk heeft hij hem niet gezien. Wortel wandelt dichter bij de emmer en hoort de tomaten al praten. Dit is het moment waar hij al zo lang op gewacht heeft. Wortel zal eindelijk zijn beste vriend terugzien!
Hij klimt op de emmer en kijkt over de rand. Hij schrikt. Dit zijn helemaal geen tomaten, dit zijn paprika’s.
“Sorry, ik denk… euh… ik zal maar eens gaan,” zegt Wortel. Hij klimt van de emmer af. Teleurgesteld wandelt hij naar buiten. Wat zullen zijn broers met hem lachen.

“Wortel?” hoort hij iemand zeggen. Hij draait zich om en daar staat hij, Tomaat.
“Tomaat! Ben jij dat?” reageert Wortel verbaasd.
Tomaat lacht en geeft Wortel een knuffel. “Wat heb ik jou gemist,” zegt hij. Hij trekt zijn kameraad mee naar buiten. “We moeten hier weg, het is hier niet veilig. De winkel is niet zo een magische plaats zoals ze zeggen. We worden er verkocht en ze maken soep van ons,” legt hij uit.
“Wat is soep?” vraagt Wortel.
“Ik zal je het wel eens uitleggen. Nu wegwezen!” Hij wandelt weg en Wortel volgt hem. Ze zullen samen heel gelukkig worden, dat weet hij.

Image by Rod Davis from Pixabay

Het verhaal van de tranendepper

De koning van dromenland zuchtte diep. De nar die meestal in de buurt van de koning was, hoorde de koning kreunen en steunen.
“Is er iets, majesteit?” vroeg hij, terwijl hij richting de koning liep.
“Ja, nar,” antwoordde de koning, “er is de laatste tijd iets vreemds aan de hand.”
“Wilt u het mij vertellen? Misschien kan ik helpen,” zei de nar, terwijl hij een stoel pakte en bij de koning aanschoof.
“Er zijn steeds meer kinderen die moeilijk in slaap vallen,” zei de koning.
“En die daarom dus ook niet dromen, zodat wij er hier mee blijven zitten,” vulde de nar aan.

Hij was een slimme nar, die vaak aan een half woord genoeg had om te begrijpen wat de koning bedoelde.
“Precies, nar, dat heb je helemaal goed,” knikte de koning.
“Is dat alles, majesteit, of is er nog meer?” vroeg de nar.
“De reden dat veel kinderen slecht slapen is dat ze vaak huilen als ze in bed liggen, soms wel urenlang,” vervolgde de koning.
“Daar heb ik de zandmannetjes laatst ook over horen praten,” zei de nar. “Het is bijna een epidemie aan het worden, vertelden ze,” voegde de nar eraan toe.
“Waarom denk je dat er zoveel wordt gehuild?” vroeg de koning aan de nar.
“Wel, majesteit, dat is niet zo moeilijk om te bedenken,” zei de nar, terwijl hij de koning in de ogen keek. “Wat dacht u van: gepest worden, speelgoed dat kapot is gegaan, armoede in veel gezinnen en zo kan ik nog wel even doorgaan.”
“Ja,” knikte de koning, “dat zijn allemaal nare dingen en dat je daar in bed om moet huilen, snap ik heel goed. Maar wat zouden wij daar aan kunnen doen?” sprak de koning en hij haalde zijn handen door zijn spierwitte haren.

De nar dacht even na en zei toen: “Hier is werk aan de winkel voor een tranendepper!”
“Een wat?” vroeg de koning.
“Iemand die de tranen wegveegt van de wangetjes van de kinderen,” legde de nar uit.
“Maar die hebben we helemaal niet!” zei de koning.
“Jazeker wel, majesteit, hij staat hier voor u,” zei de nar terwijl hij opstond en voor de koning ging staan.
“Je…, je…, jij?” stamelde de koning. “Maar jij bent een nar!”
“Dat is waar, majesteit, maar ik kan nog veel meer dan hier wat rare dansjes doen en gekke bekken trekken,” zei de nar en hij schaterlachte erbij.

“Maar waarom tranen deppen bij kinderen?” vroeg de koning.
“Tranen kriebelen, majesteit. Weet u dat niet meer? Dan heeft u zeker lang niet meer gehuild?” sprak de nar met een twinkeling in zijn ogen.
“Dat is inderdaad best lang geleden, maar nu je het zegt, ik weet nog dat tranen die over mijn wangen biggelden ook erg kriebelden,” knikte de koning.
“Als iemand ze wegveegt, dan kriebelen ze niet meer en vallen de kinderen eerder in slaap. Dat klinkt toch logisch, majesteit?” zei de nar terwijl hij op zijn handen ging staan van pret.
“Nar, je bent geniaal. Vanavond kun je al beginnen. Meld je maar bij de zandmannetjes, neem genoeg zakdoekjes mee en help de kinderen om sneller in dromenland te komen,” droeg de koning hem op.

Image by Couleur from Pixabay

Die nacht ging de nar naar de bedden waarin huilende kinderen lagen. Heel zachtjes veegde hij de tranen van hun wangen, gaf er een kusje op en ging weer verder naar een ander kind.

Sinds die dag sliepen de kinderen eerder en ook beter. Dromenland werd weer veel vaker door kinderen bezocht. De koning was trots op de nar en de nar was blij met het besluit van zijn koning.

POPULAIRE VERHALEN