High tea

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Vader en moeder vertelden hoe ze elkaar hebben ontmoet. Moeder was toen een konijn! Net als moeder zich nog eens in een konijn heeft omgetoverd, komen de freule en Josephine langs. De freule organiseert een high tea en nodigt hen uit.

“Ah, mevrouw Verschuren, daar bent u,” zegt de freule. “Ik heb net uw man verteld dat ik jullie uitnodig voor een high tea zondag ter gelegenheid van mijn naamdag. Ik heb ook de notabelen van het dorp uitgenodigd. Een prima gelegenheid om elkaar wat beter te leren kennen.”
Joris probeert samen met Hondje stiekem achter de rug van vader langs in de tuin te verdwijnen. Straks vindt de freule dat hij ook moet komen.
“Oh, wat een leuk idee,” zegt moeder. “Dan doe ik mijn nieuwe zelfgemaakte bloemetjesjurk aan. Natuurlijk komen wij, hè Thomas?”
“Moet dat nu?” vraagt vader.
“Waar is het konijntje?” vraag Josephine.
“Terug naar het bos,” zegt vader.
“Woont ze dan niet bij jullie?”
“Niet als konijn,” zegt vader.
O jé, wat zeg ik nu, denkt hij. Josephine kijkt hem aan en houdt haar hoofdje een beetje scheef, maar zegt niets.

~~~

Die zondag verstopt Joris zich met Hondje in de bosjes die grenzen aan de tuin van freule Amalia. Vader en moeder denken dat hij gewoon thuis is. Hij wil zo graag zien wat er gaat gebeuren. Er is in het dorp nog nooit een high tea geweest.
Er staan kleurige parasols en tafels met allerlei verschillende taartjes op het grasveld rond de vijver. Op het terras speelt een dikke man met een rood gezicht op zijn viool.
Joris ziet zijn vader en moeder de tuin binnen komen. Moeder heeft haar nieuwe jurk aan en loopt aan de arm van vader. Dat doet ze anders nooit. Zij knikt naar iedereen die voorbijkomt. De burgemeester is er met zijn vrouw Liselore, de dokter is er en natuurlijk ook meneer Hinkepink met zijn Liesbeth. Er zijn nog veel meer deftige dames en heren die Joris niet kent. De dames hebben allemaal hun allermooiste jurk aangedaan en dragen zwierige hoeden. Dat hoort zo op een high tea, heeft freule Amalia laten weten. Josephine zit in een hoekje van kleine taartjes te snoepen en voert er ook een aan het poedeltje, Tobias. Joris heeft ook wel zin in een taartje.
“Kun jij geen taartje voor mij halen?” vraagt Joris aan Hondje.
“Wat als ze me zien?” vraagt Hondje.
“Dan ren je toch gewoon hard weg,” zegt Joris.
Hondje sluipt het grasveld op naar het tafeltje waar Josephine zit. Hij gaat mooi zitten en krijgt een taartje van haar. Met het taartje in zijn bek rent Hondje terug naar de bosjes waar Joris zich verstopt heeft. Tobias denkt dat het een spelletje is en stuift op Hondje af. Hij kijkt niet uit en raakt tussen de benen van mevrouw Hinkepink bekneld. Ze slaakt een snerpende gil en probeert met wild zwaaiende armen overeind te blijven. In haar val sleurt ze een tafel met taartjes en een kleurige parasol mee. Met een luide plons valt ze achterover in de vijver tussen de goudvissen. De taartjes zitten zelfs tot in haar haar. Ze krijgt een slok water binnen en schreeuwt: “Help, ik verdrink. Help, help!”
“Pas op, een beest!” schreeuwt meneer Hinkepink. Deftige mevrouwen slaken kreetjes, tillen hun lange rokken op en rennen weg. Iedereen loopt door elkaar heen. Er vallen nog meer tafels om. Van schrik stopt de dikke man met vioolspelen.
Met opgeheven stok rent meneer Hinkepink achter Hondje aan. Tobias vindt het prachtig en rent op zijn beurt keffend achter meneer Hinkepink aan. Hondje spurt weg. Joris komt uit de struiken tevoorschijn en Hondje verbergt zich achter hem.
“U mag Hondje niet slaan,” roept Joris en heft zijn handen op.
“Wat doe jij hier?” vraagt vader, die met moeder achter zich aan komt rennen.

Ondertussen hijst Liselore, de vrouw van burgemeester, de proestende mevrouw Hinkepink uit de vijver.
“Help eens een handje,” roept ze naar haar man, die met een vies gezicht staat te kijken. Aarzelend steekt de burgemeester een hand uit.
“Laat maar,” zegt zijn vrouw. “Ik doe het wel alleen.”
De burgemeester doet een stap terug en kijkt om zich heen. Gelukkig, iedereen kijkt naar meneer Hinkepink.
“Het is een schande,” schreeuwt meneer Hinkepink tegen de freule. “Als u maar weet dat ik hier geen seconde langer blijf. Ik ben nog nooit zo voor schut gezet. U moest u schamen.”
De freule heeft haar hoofd in haar handen genomen. “Mijn high tea, mijn high tea valt helemaal in het water,” stamelt ze.
“Kijk eens hoe mijn vrouw eruit ziet,” gaat meneer Hinkepink door. “Wat gaat u daar aan doen?”
Mevrouw Hinkepink staat druipend op de kant. Met beide handen wringt ze haar rok uit.
Er zit een kikker op haar hoed. Mevrouw Hinkepink geeft een gilletje, als de kikker met een reuze sprong terug in de vijver plonst.

Moeder komt met een paar handdoeken aanlopen en wrijft mevrouw Hinkepink zo goed en zo kwaad als het kan droog. Die moet er al weer een beetje om lachen.
“Albrecht,” zegt ze tegen meneer Hinkepink. “Maak je toch niet zo druk man, het is een ongelukje. Ik ga gewoon een andere jurk aan trekken en ben over tien minuten terug.”
“Zo gemakkelijk komen ze er niet vanaf,” begint meneer Hinkepink opnieuw. Die jongen moet gestraft worden.” Hij wijst in de richting van Joris. Die daar nog steeds met Hondje tussen zijn benen naar het tafereel staat te kijken.
“Ga jij maar gauw naar huis,” zegt vader tegen Joris. “We spreken elkaar nog.”

Tobias smult ondertussen van de taartjes die op de grond zijn gevallen. Er komen een paar dienstertjes aanrennen die de tafels overeind zetten en schalen met nieuwe taartjes aandragen. De dikke man speelt weer op zijn viool. Opgelucht hervatten de bezoekers van de high tea van de freule hun belangrijke gesprekken.
De rust is weergekeerd en de taartjes smaken nog prima.

Het toverkonijn

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“Vader, kun je eens vertellen over toen moeder nog heks was?” vraagt Joris. Ze zitten buiten in de late middagzon. Moeder heeft verse thee gezet. Het kon wel eens de laatste keer zijn dat ze dit jaar nog buiten kunnen zitten.
“Dat moet moeder zelf maar doen, maar ik kan je wel vertellen hoe ik moeder heb leren kennen. Wil je dat horen? Vind je het goed dat ik dat Joris vertel Elisa?”
“Ja hoor,” zegt moeder, “het is zo’n leuk verhaal en ik wil het zelf ook nog wel een keer horen.”
Joris knikt en zegt: “Dan ga ik Hondje even halen. Hij is nog binnen in zijn mandje, hij wil het verhaal vast ook horen.”

Even later zitten Hondje en Joris naast elkaar op het houten bankje naast de keukendeur en ze kijken vader vol verwachting aan.
“Toen ik nog een jongeman was,” begint vader, “zwierf ik graag door de bossen. Eigenlijk had ik boswachter willen worden, maar dat is een ander verhaal. Op een keer was ik in een deel van het bos waar ik nog nooit geweest was. Ik kwam op een open plek en zag een konijntje weg huppelen. Even later zag ik dat het konijntje in een braamstruik vast was komen zitten en aan een pootje gewond was geraakt. Ik heb het konijntje voorzichtig losgemaakt en mee naar huis genomen. Na een paar dagen was het pootje genezen. Ik bracht het konijntje naar het bos, maar het huppelde achter mij aan terug naar huis. Het konijntje bleef bij mij.”
“Je moet weten,” valt moeder in, “dat ik dat konijntje was. Toen ik nog heks was, veranderde ik mijzelf altijd in een konijntje als er mensen in de buurt waren. Dan kon ik weg komen zonder dat ze me in de gaten hadden, snap je?”
Joris knikt en kijkt naar zijn moeder. Hij weet dat ze heks is maar dit is wel heel bijzonder. “Kun jij jezelf in een konijntje veranderen?”
“Ja, toen wel. Ik weet niet of ik het nog zou kunnen. Het is al zo lang geleden. Zal ik het eens proberen?”
“Stop, stop,” roept vader, “ik ben een verhaal aan het vertellen.”
“O ja, sorry,” zegt moeder.
“Dat konijntje bleef dus bij mij, tot het op een dag verdwenen was. Ik vond het jammer maar het was ook goed. Konijntjes horen in het bos. Een paar dagen later, toen ik de hele dag in de tuin had gewerkt, was ik tegen een boom gaan zitten. Ik was er moe van geworden. Het zonnetje scheen en mijn ogen vielen al gauw dicht. Ik droomde dat er een konijntje op mijn schoot kwam zitten. Het konijntje werd groter en groter en veranderde langzaam van gedaante. Toen werd ik wakker en zat moeder op mijn schoot.”
“Ja, dat vond ik zo leuk,” zegt moeder. “Toen heb ik je vader verteld dat ik dat konijntje was. Dat ik me in een konijntje veranderd had toen hij in de buurt kwam, maar ik raakte in braamstruiken verstrikt en was door hem meegenomen.”
“Maar waarom was je dan weggegaan?” vraagt Joris.
“Je vader had zo goed voor mij gezorgd dat ik bij hem wilde blijven wonen. Maar ja, ik was een heks! Dat kon zo maar niet, dat moest ik eerst aan de oppertoverheks gaan vragen.”
“Zij vond het goed,” gaat vader verder. “Dat betekent wel dat hoe langer moeder gewoon mens is hoe minder ze nog heks is. Vandaar dat het toveren ook niet altijd even goed gaat. Eigenlijk vindt de oppertoverheks dat moeder maar niet meer moet toveren. Maar ja, moeder vindt het zo leuk. Hè Elisa?”
Moeder knikt en zegt: “Zal ik nog eens proberen om in een konijntje te veranderen?”
Voordat vader iets kan zeggen zit er een klein konijntje op de stoel waar moeder net nog zat. Ze is zwart met wit en heeft lange oren.

“Wat een lief konijntje.” Het is de stem van Josephine die aan de hand van de freule de tuin binnen komt lopen.
“Dag meneer Verschuren, dag Joris,” zegt de freule. “Wat is het heerlijk dat we nog van de zon kunnen genieten. Vind u ook niet?”
Josephine pakt het konijntje op en gaat ermee op schoot zitten.
“Ik wist niet dat jullie konijnen hadden,” zegt de freule. “Het doet me denken aan vroeger thuis. De tuinman had achter zijn huis hokken met konijnen. Niet van die kleintjes maar van zulke grote.”
Ze laat met haar handen zien hoe groot die konijnen wel waren.
“Als klein meisje mocht ik ze van de tuinman elke dag een wortel geven. In de loop van de winter verdwenen de konijnen de een na de ander.”
De freule zucht diep.
“Ik vind het zielig dat konijnen in hokken moeten zitten,” zegt Josephine met een pruillipje.
“Dit konijntje hoeft niet in een hok,” zegt vader.
“Maar daar kom ik niet voor,” zegt de freule. “Ik wil jullie uitnodigen aanstaande zondag voor een high tea bij mij. Vroeger toen mijn man zaliger nog leefde, gaven we altijd rond mijn verjaardag een high tea.”
“Oh, ik weet niet of ik dan kan,” zegt vader. De freule kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan.
“Zoiets moet u echt een keer meemaken hoor,” zegt ze. “Ik begrijp best dat voor eenvoudige mensen zoals jullie een high tea spannend is. Het is echt enig, er komen zulke interessante mensen.”
Vader zegt: “Ik weet het niet hoor, ik zal het met Elisa overleggen.”
“Waar is uw vrouw, meneer Verschuren?”

Vader kijkt naar het konijntje dat van de schoot van Josephine afspringt en het grasveld op huppelt. Josephine rent er achter aan en probeert het konijntje te vangen, maar dat is haar steeds te vlug af.
“Laat het konijntje maar met rust,” zegt vader. Met een paar grote sprongen is het konijntje achter de heg verdwenen. Een paar tellen later komt moeder achter de heg vandaan. Ze slaat het gras van haar handen.

Hoe vergaat het de high tea van de freule? Ontdek het morgen!

Wiebeltand

Venn Chann

Wat gek! Job heeft een wiebeltand. Eerst wiebelde de tand een klein beetje, maar nu zit de tand heel erg los.
“Mama, wanneer gaat die wiebeltand er uit?” vraagt Job. Met zijn vingers wiebelt Job de losse tand heen en weer. Maar de tand blijft zitten.
“Het zal nu niet lang meer duren,” antwoordt mama. “Je moet nog even geduld hebben.”
Job vindt tanden wisselen stoer. Hij wil wel zo’n grote mensen tand.

Kroko heeft de hik

Copyright Witmor

Kijk. Dit zijn Kroko en Muis. Ze wonen samen in een huis. Kroko heeft een platte pet en Muis blijft graag lang in bed.
Zoals elke ochtend is Kroko in zijn sas. Hij veegt de vloer en doet de afwas. Hij kwijt zich aan ieder akkefietje, en zingt – een beetje vals – een liedje. Daarna kookt hij het eten en gaat ook Muis eens wakker maken. Want die was hij bijna vergeten. En daar mag hij niet aan verzaken.

“Muis!” roept Kroko. “Ouwe rakker! Het is tijd. Word eens wakker!”
Maar Muis kan alleen maar gapen. Hij draait zich om en wil verder slapen.
Kroko glimlacht. “De kaas is op,” zegt hij heel zacht.
Want ‘kaas’ is een toverwoord. En, ja hoor, Muis heeft het wel gehoord. Opeens zit hij rechtop in bed.
“Hoe kan dat dan? Heb je wel goed gezocht? Gisteren heb ik nog zes kilo gekocht.”
Waar had hij die dan neergezet? Muis haast zich naar de keuken, in pyama en op blote voeten.
“Je bent me ook een leuke,” hoort Kroko hem roepen. Want alle kaas ligt daar op het aanrecht. Die had Kroko natuurlijk al klaargelegd.
“Ik heb honger,” bromt Kroko. “En ik wil eten. Die kaas kan ik best alleen op, moet je weten.”
“Je hebt gelijk,” geeft Muis toe. “Ik was alleen nog zo ontzettend moe. Je mag best op me te vitten.” En hij gaat aan de keukentafel zitten.

Maar dan opeens:
“Wat is dat toch?” roept Muis. “Staat de t.v. nog aan? Ik hoor geruis.”
Maar als hij goed luistert, hoort hij geen kik. Of, ja toch? ‘t Is Kroko! Hij heeft de hik!
De hik? zul je zeggen, en: doet dat pijn? Welnee. Het is misschien niet fijn, maar Kroko voelt zich ook niet naar. Zijn borst schudt alleen wat door elkaar.
En Muis is slim, die weet wel iets. Je adem inhouden, maar zonder te stikken. Of anders Kroko eens flink laten schrikken. Je zult zien: het is helemaal niets.
“Kom Kroko. Drink dit glas water. En wel in één teug, nu meteen en niet later. Daarna kunnen we rustig eten.”
Maar Kroko wil er niet van weten. Het zal hem heus niet deren. Die hik gaat echt vanzelf wel weg. “En als dat niet zo is, dan heb ik pech.” En hij gaat zitten om een boterham te smeren.
“Doe het dan voor mij,” zegt Muis. “Dat gehik. Hoe wil je dat ik het aanhoor. Het maakt me tureluurs, ik weet niet hoe dat zit. En het galmt maar in mijn linkeroor.”
Zo drinkt Kroko het glas toch maar leeg, tot de laatste druppel en zonder zich te verslikken. En waarna hij gewoon weer verder gaat met hikken.
“Goed,” zegt Muis, “dat had geen zin. Maar eigenlijk was dit nog maar het begin. Ik heb een plan: tel maar tot tien. Dan ben je er echt vanaf, je zult het zien.”

Muis gaat achter de deur staan en duwt die dicht. Hij trekt een lelijk gezicht en roept. Kroko komt er aan. Dan springt hij woest tevoorschijn en brult als een leeuw. Maar Kroko slaakt alleen een geeuw. Toch, stelt hij Muis gerust, schrok hij wel even. Alleen, die hik is wel gebleven.
Muis stelt voor, een beetje benauwd: “En als je nou je adem eens inhoudt…”
“Ach. Dat beetje hik. En wat dan nog?”
Maar Kroko doet het toch. Hij drukt met één poot tegen zijn neus. Hij wordt langzaam rood en als een ballon zo rond. Intussen zweeft hij naar het plafond. Waarna hij plotseling neerploft tegen de grond.
Muis slikt en slaakt een kreet, die vooral van een… hik wegheeft. Ze lachen samen, maar niet echt blij. Want die hik hebben ze nu allebei.
“Het gaat wel weg, toch?” vraagt nu Muis.
En Kroko zegt: “Misschien. Als je nu eens wat ontbeet…”
En zo keert de vrede terug in het huis.

Op bezoek

Copyright Guido Aerts

Trilili zegt op een goede morgen: “Ik ga maar eens naar Tralala.”

En zo vertrekt Trilili, op weg naar Tralala.
Maar wie ziet Trilili daar op straat?
Als dat Trololo niet is?
“Hey Trololo,” roept Trilili.
“Dag Trilili,” zegt Trololo.
“Waar ga je naar toe?” vraagt Trilili.
“Ik? Ik ga naar Tralala.”
“Nu dat is toevallig,” zegt Trilili. “Ik ga ook net naar Tralala, zullen we samen gaan, dan?”
“Mij best,” zegt Trololo.

Even later bellen ze aan bij Tralala.
Die doet haar deurtje open en roept verbaasd: “Wie we daar hebben, mijn beste vriendjes Trilili en Trololo! Kom binnen. Ik zet meteen een kopje thee voor ons drietjes.”
“Dat is leuk,” zegt Trilili.
“Vind ik ook,” knikt Trololo.
Ze horen al snel hoe de waterketel in de keuken fluit en even later zitten ze blij en vrolijk samen met een zelfgebakken koekje en een kopje thee in het gezellige huisje van Tralala.

“Weten jullie het al?” vraagt Tralala.
“Wat dan?” zeggen Trilili en Trololo in koor.
“Van Trululu,” zegt Tralala.
“Neen!” schrikken Trilili en Trololo.
“Hij is gisteren van zijn fiets gevallen en ligt nu in het ziekenhuis,” zegt Tralala: “hij heeft vast veel pijn.”
“Wat erg. Zullen wij hem een bezoekje brengen?” stelt Trilili voor.
Dat vinden Trololo en Tralala een uitstekend idee en even later stapt het drietal op de bus naar het grote ziekenhuis waar Trululu in zijn bedje ligt. Ze hebben de overgebleven koekjes in een doosje gestopt met een mooi papiertje en lintje eromheen. Dat is een cadeautje voor Trululu.

Copyright Guido Aerts

Langs een enorme draaideur gaan ze het ziekenhuis binnen. Dat vinden ze best leuk, zo’n deur die draait. Het lijkt wel een kermismolen. Maar hier mag niet gespeeld worden. Dat weten ze wel. Ze weten ook dat je in een hospitaal geen lawaai mag maken, dus praten ze zachtjes.
Het hospitaal heeft vele gangen en wel duizend kamers. Ze kijken hun ogen uit. Hoe moeten ze nu de kamer van Trululu vinden? Daar zien ze een bord met het woord ‘receptie’. Onder het bord zit een lieve dame die hen vraagt wie ze zijn en wat ze zoeken.
“Ik ben Trilili,” zegt Trilili.
“En ik ben Tralala,” zegt Tralala.
“Mijn naam is Trololo,” lacht Trololo.
De receptioniste lacht ook en zegt: “wat een schattige namen.”
“Jullie komen vast op bezoek bij Trululu,” vervolgt ze.
“Hoe weet u dat zo, mevrouw?” vraagt Trololo verbaasd.
“Wij hebben maar één Trululu in dit ziekenhuis en ik dacht: met zo’n namen kan het haast niet anders dan dat jullie naar hem op zoek zijn.”
“Dat klopt,” anwoordt Trololo.
“Trululu ligt op kamer 321. Jullie nemen ginds de lift naar de derde verdieping en dan gaan jullie naar rechts. De kamer ligt aan de linkerkant van de gang.”

Ze zoeven met de lift naar boven en kunnen zich haast niet inhouden om naar de kamer van Trululu te snellen. Maar ze weten dat je in een ziekenhuis niet mag rennen.
Net voor de deur van de kamer stormen ze met zijn drieën naar binnen. Trululu ligt in een groot bed en zijn rechterbeen is ingepakt en hangt met een ketting omhoog aan een haak.
Naast hem staat een verpleger die zegt: “Ho,ho, ho, kalmpjes aan, straks breken jullie ook nog je botten!”

Trululu kan zijn blijdschap niet op. Zijn vriendjes hebben aan hem gedacht en zelfs een cadeautje meegenomen! Dan moet Trululu vertellen wat er allemaal is gebeurd. De drie vrienden luisteren met ingehouden adem naar zijn verhaal over het fietsongeluk.
De verpleger in witte jas daarentegen, die muist er stilletjes van onder. Hij heeft dat verhaal al meer dan eens moeten aanhoren.

Tijger is weggelopen

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Buurvrouw Antje klopt op de keukendeur. Haar rode kater Tijger is al twee dagen zoek. Zijn brokjes staan er nog, zijn drinkbakje is gevuld. Het kattenluikje zit niet op slot. Ze ziet hem nergens. Waar kan Tijger naartoe zijn?

Het lekker verse gras

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Joris ging met Josephine naar de dieren van het circus kijken. Ze vond de neushoorn maar zielig. Het hok van de neushoorn is inderdaad maar klein.

Joris ligt in bed te draaien, hij kan niet slapen. Hij kruipt eruit en gaat bij Hondje in zijn mand zitten. Hij vertelt Hondje over de neushoorn, over de te kleine kooi en dat hij altijd alleen is en hij echt niet gevaarlijk is, omdat hij alleen gras eet.
Hondje zegt: “Ik spreek de taal van de dieren, zullen we samen naar de neushoorn gaan? Dan kunnen we het hem vragen.”
“Het is midden in de nacht,” zegt Joris.
“Dat komt toch mooi uit, dan is er niemand anders.”
“Je bedoelt dat wij nu samen naar de neushoorn gaan?”
“Ja.”
“En als iemand ons ziet?”
“Dan rennen we hard weg.”

De eenzame neushoorn

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Joris is vriendjes geworden met de circusdwerg Igor. Hij hoeft geen meneer meer te zeggen. Hij mag gewoon Igor zeggen. Per slot van rekening zijn ze bijna even groot. Joris wil wel de hele dag bij Igor zijn.

Joris mag gratis naar het kindermatinee. De freule en haar nichtje Josephine gaan ook mee.

Picknick op vaderdag

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Op een dag besloten broer en zus om papa voor zijn vaderdag te verrassen met een picknick. Jan en Lisa stonden extra vroeg op die ochtend om lekkere gerechtjes te halen. Ze zouden eerst naar de winkel gaan om ingrediënten te kopen, dan wouden ze ook een picknickdoek en bekers zoeken en natuurlijk mocht ook het drinken niet vergeten worden.

Ze gingen met de fiets naar de dichtstbijzijnde supermarkt. In de supermarkt aangekomen, wisten ze niet waar ze moesten beginnen… Overal zagen ze eten, drinken en een massa mensen.

Gezocht: redacteur / redactrice

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Om ingezonden verhalen sneller verwerkt te krijgen, zoeken wij één of meerdere redacteurs / redactrices. Uw profiel:

  • de Nederlandse taal goed machtig (spelling, grammatica),
  • in staat typische Nederlandse / Vlaamse woorden of uitdrukkingen te herkennen en te vervangen door meer algemeen bekende termen (“nou”, “de kamer” / “de living” vs “de woonkamer”, “de bank” / “de zetel” vs “de sofa”, etc.),
  • bereid om als vrijwilliger, i.e. zonder financiële vergoeding (*), enkele verhaaltjes per maand te verwerken onder aansturing van onze eindredacteur Jeroen.

Interesse om op deze manier mee uw schouders te zetten onder dit initiatief? Laat het ons vlug weten met een mailtje naar info@voorleestuin.be!

(*) Wij voorzien wel 2 kg kinderdankbaarheid per verwerkt verhaal.

VOLG ONS

502FansLike
6VolgersVolg
31VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN