Marijn weet raad

Copyright Delphine Verbeke

Ergens in Nederland woont een meisje, Marijn, dat altijd wordt geloofd. Ze weet zelf ook niet waarom het zo is dat men haar altijd gelooft, maar ze vindt het wel heel fijn. Ze vindt het ook heel fijn om een kleuter te zijn. Ze heeft veel tijd om te spelen en om met haar mama en papa te knuffelen.
‘s Avonds eten ze spruitjes. Dan vindt Marijn dan weer niet zo leuk, maar gelukkig gelooft mama haar. Ze mag er twee proeven en als ze die niet lekker vindt, hoeft ze niet meer verder te eten. Nieuwsgierig neemt Marijn een hap. Met appelmoes is het zo erg nog niet.

Ruud als babyfuut

Copyright Elly Kerker

Ruud loopt in de tuin. Hij wijst naar een vogel. De vogel zwemt in het water achter het huis.
“Een fuut met een hele bolle rug,” zegt mama.
Op de rug van de fuut ziet Ruud iets bewegen. Eén, twee, nee: drie kleine kopjes. Het zijn de kuikens van de fuut.

Oma’s appeltaart

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“Wil je nog een stukje?” wijst oma naar de taart.
Een met appel en kaneel, speciaal voor mij bewaard.
Ik eet net mijn laatste hapje en neem een slokje thee.
Natuurlijk zou ik willen, maar mama zegt snel “Nee.”
“Eén stukje is genoeg hoor, straks worden we nog dik.
Dan moeten we weken leven op brood en soep uit blik.”
Die laatste drie woorden, daar gruwelt oma van.
Soep moet lekker vers zijn, uit een grote pan.

Ze heeft lange grijze haren in een knot recht op haar hoofd.
Ze draagt vaak een schortje en ze is een beetje doof.
Iedere woensdagmiddag, dan ga ik naar haar toe.
We drinken thee en eten taart en vaak nog een taartje toe.
De appels voor de taart, die gaan we dan zelf plukken.
Dat doe ik alleen – oma kan niet zo goed bukken.
Ze is al erg oud en iedere dag iets dover.
Soms doet ze een dutje, wat ingezakt voorover.

Afgelopen woensdag, ik klopte op het raam.
Deed ze de deur niet open, dus riep ik haar naam.
“Oma, doe eens open, ik ben weer vrij van school.
Ik kom voor thee en taartjes,” klonk ik nog frivool.
Eindelijk kierde daar de deur, maar oma stond er niet.
Het was mam en het was pap en daarachter tante Riet.
“Kom maar even binnen, je krijgt een kopje thee.
Maar er is geen appeltaart,” zegt mama wat gedwee.
“Vanmorgen na haar ontbijtje, is oma wat gaan slapen.
Misschien was ze moe en moest ze erg gapen.
Na haar korte dutje is ze heel tevreden,
zomaar uit het niets rustig overleden.”

En toen mocht ik gaan kijken. Daar lag oma, in haar bed.
Met haar handen hoog gevouwen, onder het trouwportret.
Het leek haar te bevallen, zo vredig als ze lag.
Alsof ze blij was dat ze nu eindelijk iets langer slapen mag.
Toch moest ik erg huilen, omdat ik haar missen moet.
Haar thee en taart en geur en haar warme welkomstgroet.
Maar nu een paar jaar later, zwaai ik door dezelfde deur.
Uit het raam ernaast, komt een bekende geur.
Want toen oma’s huisje leegkwam, trokken wij erin.
Dat was best een beetje gek hoor, helemaal in het begin.
De grote appelboom? Die staat op dezelfde plek.
Met dezelfde appels, achter hetzelfde hek.
En als het even kan, dan ga ik de appels plukken.
Bak ik zelf een dikke taart en snijd hem zelf in stukken.
Zo lekker als oma’s appeltaart, zal hij wel nooit zijn.
Maar de zoete herinnering, die smaakt ontzettend fijn.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

De boomhut

Copyright Ingeborg Nijs

Vandaag is het een hele leuke dag. Marlon gaat met zijn vader een boomhut bouwen. Achter in de tuin. Het is zaterdag, dus papa is lekker vrij.

“Kom Marlon, hup. In de auto. We gaan hout halen.”

Bezoek bij Titus Takkemans

CC0 License - bron: pexels.com

Op een dag werd bij Titus Takkemans een stevig verpakte doos afgeleverd.  De doos was doorprikt met gaatjes en er kwamen vreemde geluidjes uit.  Binnenin vond hij een eigenaardige, kleurrijke vogel, die hij nog nooit had gezien, zelfs niet in de dierentuin waar hij werkte. De vogel scharrelde onrustig over de bodem. Titus Takkemans scheurde de doos verder open. De vogel ging er vliegensvlug vandoor en installeerde zich bovenop de kristallen luster in de woonkamer.
“KOKKOTATA KOKKOTATA!” krijste hij luid.

Beertje Honingpoot

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Is dat nu geen gekke naam voor een beertje? Of toch niet? Want beertjes zijn namelijk verzot op honing. Maar hoe kwam dit beertje aan zijn naam?

Van zodra ze geboren worden, kunnen beertjes al heel snel lopen. Dat is zo voor de meeste jonge tamme dieren die vier poten hebben zoals veulentjes, kalfjes, lammetjes, katjes en hondjes maar dus ook voor wilde dieren zoals girafjes, leeuwenwelpjes en, ja hoor, beertjes.
Zo mag het beertje van vader en moeder al vroeg alleen op stap gaan. Hij rent door het bos en als hij aan de rand ervan komt, ziet hij voor zich een groene weide die steil naar beneden loopt. Beertje laat zich als een dikke bruine bal lustig naar beneden rollen.
Dan stapt hij tussen de veldbloemen verder en ziet er allerlei dieren. Felgroene sprinkhaantjes, zwarte torretjes en mieren kruipen op de grond. In de lucht ziet hij kleurrijke vlinders, vliegjes en zelfs waterjuffers. Waterjuffers hebben een lang achterlijf en lichtblauwe vleugels. Als ze vliegen lijken ze een beetje op helikopters.

Af en toe landt een vlieg precies op zijn neusje. Dan schudt beertje hard met zijn hoofd om de vlieg weg te jagen.
Op een plekje waar veel bloemen bij elkaar staan, merkt hij diertjes die helemaal in de bloemen kruipen. Hij hoort ook dat ze zacht zoemen en na een tijdje ergens naar toe vliegen.

Als hij terug thuis komt, vraagt hij aan Mama Beer welke diertjes dit waren? Mama vertelt over de bijen:
“Bij de mensen leven bijtjes meestal samen in grote bijenkorven of bijenkasten waarin vele kamertjes zijn. In die kamertjes maken ze honing. Bij het rondvliegen kruipen ze helemaal in de bloemen. Daar vinden ze een zoete vloeistof die nectar heet. Er zit ook stuifmeel in de bloemen. De nectar en het stuifmeel brengen de bijtjes naar de korf. Van het nectar wordt dan honing gemaakt. De honing en het stuifmeel zijn het eten voor de bijen.
De bijtjes maken de honing en de mensen doen de honing in potjes. In ruil geven ze de bijen iets anders te eten. Daar zijn de bijtjes best blij mee.
Niet alle bijtjes wonen in korven. Ze maken hun kamers ook in holle bomen of op andere plaatsen in de natuur. Daar kunnen de andere dieren dan van hun honing mee smullen. En daarom heet jij Honingpoot. Want als je wat groter bent, zal je vast ook met jouw pootjes in de honing krabben.”

Beertje zucht na dit lange verhaal van zijn mama over de bijen. Morgen gaat hij beslist op zoek naar een plaats waar hij honing kan vinden, ook al is hij nog wat klein.

Als hij zich de volgende dag weer lekker van de berg heeft laten rollen, zoekt beertje Honingpoot een grote plant met veel bloemen die vol zit met bijen. Als de bijen wegvliegen probeert hij ze te volgen om zo te weten te komen waar ze hun honing bewaren.
Aan de rand van het veld staan een aantal groene kastjes. De bijen kruipen in de kastjes en komen er na een tijdje weer uitgevlogen.
Beertje verstopt zich snel in het hoge gras als hij plots een mens ziet aankomen die gekleed is in een wit pak en een grote hoed aanheeft waarrond een gaas zit. Uit het bijenkastje neemt hij een kadertje waarvan een gele stroop druipt. Zou dat honing zijn, denkt Beertje.

Hij ziet dat de witte mens de kadertjes naar een stalletje brengt . Beertje klautert op een bankje en kan zo door een raampje binnenkijken. Achter het raam ziet hij potjes staan. Dan ziet hij dat de mens op een fiets weg rijdt. Beertje merkt dat de deur van het stalletje op een kier is blijven staan. Zou hij durven binnengaan?

Hij opent de deur. Op een tafel staan open potjes met een goudgele vloeistof. Beertje gaat op zijn achterste poten staan en probeert zich met de voorpoten aan de tafel vast te houden. Maar met zijn lange nagels stoot hij zo hard tegen een van de potjes dat dit op de grond valt. Het glazen potje valt stuk. Beertje ruikt de zoete vloeistof en kan het niet laten om voorzichtig zijn pootje in de vloeistof te stoppen. Dan likt hij aan zijn pootje en smaakt hij iets dat hij nog nooit geproefd heeft.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Wat is dit lekker! Is dit honing? Zeker wel. Hij wordt wat gulzig en likt met zijn lange tong aan het potje. Maar er is een scherp stukje glas waaraan hij zijn tong snijdt. “Au, dat doet pijn,” zegt Beertje en snel rent hij buiten naar het hol van mama en papa beer.

Wanneer hij thuiskomt, verzorgt mama beer zijn tong en lacht: “Waar heb jij die tong ingestoken?”
Beertje Honingpoot vertelt alles en zegt: “Honing is het beste wat er op de wereld bestaat.”

Zijn mama lacht hem toe: “Zie je wel dat wij voor jou de juiste naam hebben gekozen, Honingpootje. Maar je moet met jouw pootje eten en beter opletten als je jouw tongetje gebruikt!”

 

Eten beren echt graag honing, of is dit idee vooral door Winnie de Poeh populair gemaakt? Beren eten inderdaad honing, maar gaan in bijenkorven vooral op zoek naar de bijenlarven en eitjes; die zitten immers vol vet en proteïnen.
Bijen laten de beren ook niet zomaar begaan: ze verdedigen hun korf en steken de beer waar ze kunnen! Maar door de dikke vacht van de beer kunnen ze enkel in het gezicht en de oren van de beer echt steken. De beer ondergaat dit om aan de lekkere inhoud te geraken, maar gaat zich daarna snel weg haasten en schudt daarbij de bijen van zich af.
— Bron: North American Bear Center

Kevertje

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Er was eens een huis met een prachtige tuin vol bloemen in allerlei mooie kleuren: gele, rode, paarse, roze met witte strepen, … je kon het zo gek niet bedenken.  In het midden van de tuin stond een indrukwekkende fontein waarin echte goudvissen rondzwommen. En als je heel goed keek, zag je in het gras rond de fontein een heel klein holletje. In dat holletje woonde Kevertje.

Kevertje zag er op het eerste gezicht heel gewoon uit. Hij had zes pootjes, aan elke kant drie. En zoals de meeste insectjes, was Kevertje heel klein. Zo klein als de nagel van je duim. Maar dit kevertje was niet zomaar een kevertje, Kevertje was namelijk een heel bijzonder kevertje: hij kon praten! Wel heel zachtjes natuurlijk, omdat hij zo klein was.

Het huis was ook prachtig, met lavendelblauwe luiken voor de ramen en een grote schoorsteen op het dak. In het huis woonde het vriendje van Kevertje, Daniël. Als Kevertje met Daniël wou spelen, kroop hij naar de achterdeur van het huis en trok hij aan het belletje dat Daniël speciaal voor Kevertje bij de drempel had opgehangen: KLINGELINGELING. Niet te hard natuurlijk, want dan deden Kevertjes oren pijn, maar net hard genoeg zodat Daniël het kon horen.

~~~

Op een mooie, zomerse dag kruipt Kevertje langzaam naar het huis. Maar dit keer niet in zijn gebruikelijke zwarte jasje. Dat is namelijk nog iets wat bijzonder is aan Kevertje. Hij is niet alle dagen zwart, maar hij heeft verschillende keverjasjes. Als hij naar een feestje gaat, doet hij zijn mooie groen glimmende jasje aan. Als hij in de tuin gaat spelen, draagt hij zijn gewone zwarte keverjasje en op de insectenschool dan weer zijn rode jasje met zwarte stippen. Vandaag heeft hij echter een heel speciaal jasje aan, een jasje zo wit als sneeuw. Zijn mama heeft het speciaal voor hem gemaakt deze morgen.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Als hij bij de deur is aangekomen, trekt hij aan het belletje: KLINGELINGELING. En ja hoor, de deur zwaait open en daar staat Daniël in zijn pyjama.
“Goedemorgen, Kevertje,” zegt Daniël nog wat slaperig terwijl hij in zijn ogen wrijft.
“Kom je buiten spelen?” vraagt Kevertje zacht.
“Ja, leuk! Wacht even, dan ga ik me snel aankleden.” Even later knielt Daniël naast Kevertje in de tuin. “Hé, dat witte jasje heb ik nog nooit gezien, wat mooi, Kevertje!”
Kevertje werpt een trotse blik op zijn nieuwe witte jasje, maar slaakt dan een diepe zucht.
“Wat is er, Kevertje?” vraagt Daniël bezorgd.
“Ik mis de sneeuw,” antwoordt Kevertje met droevige ogen.
Daniël begrijpt er niets van. “Maar Kevertje, hoe kun je nu aan sneeuw denken midden in de zomer?”
Dan vertelt Kevertje hem over wat hij deze nacht heeft gedroomd. Hij droomde over zijn avonturen van vorige winter met Daniël in de sneeuw. Hoe ze samen een grote sneeuwpop hadden gemaakt en Daniël Kevertje op zijn slee had voortgetrokken. Hoe ze sneeuwvlokjes op hun hand – of pootje in Kevertjes geval – hadden laten smelten en nog veel meer leuke dingen.

Kevertje had zo’n pret en toen … werd hij wakker en bleek het maar een droom te zijn geweest. Hij was er een beetje verdrietig om en daarom had zijn mama een sneeuwwit jasje voor hem gemaakt. Dat hielp wel een beetje, maar toch miste Kevertje nog steeds de sneeuw.
“Ik vind het heel jammer voor je, Kevertje, maar er valt nooit sneeuw in de zomer, dat is onmogelijk,” zei Daniël zachtjes. Hij had het nog maar net gezegd en sprong toen ineens op.
“Wat is er, Daniël? Ben je op een bij gaan zitten?” vroeg Kevertje geschrokken. “Nee hoor, Kevertje,” lachte Daniël. “Ik krijg gewoon ineens een supergoed idee!” riep hij enthousiast. “Kom maar mee, Kevertje, je gaat het niet geloven.”
Daniël tilde Kevertje voorzichtig op zijn hand en ging het huis binnen. “Waar gaan we naartoe?” vroeg Kevertje nieuwsgierig toen Daniël met twee treden tegelijk de trap op liep.
“Wacht maar, dat zal je wel zien,” antwoordde Daniël met een grote glimlach. Hij stopte voor een dichte deur en zei: “Kevertje, doe je ogen eens dicht en wacht tot ik zeg dat je ze weer open mag doen.”
“OK,” zei Kevertje met ingehouden adem. Vervolgens hoorde hij allerlei vreemde geluiden: stromend water, een opengaand kastje, geklik, geklak, geklok, …
“Doe je ogen maar weer open hoor, Kevertje,” lachte Daniël terwijl hij Kevertje voorzichtig op de grond zette. En dat deed Kevertje.

Kevertje zag een bad tot over de rand gevuld met schuim. Daniël deed een stap naar voren, nam twee handen vol schuim en blies vervolgens zo hard hij kon. Het schuim spatte uiteen en kwam als duizenden sneeuwvlokjes naar beneden. Het zonlicht dat door de ramen naar binnen viel, toverde kleine regenboogjes op de schuimvlokjes. Kevertje keek met grote ogen naar de neerdwarrelende vlokjes en straalde van geluk. “Dit is de mooiste sneeuw die ik ooit heb gezien!”

Eline krijgt hulp

Copyright Delphine Verbeke - gebaseerd op werk met CC0 licentie

Eline wordt elke woensdagmiddag naar de oppas gebracht. Daar hebben ze veel meer speelgoed dan thuis en er wordt ook goed op haar gepast. Eline vindt het dus helemaal niet erg om daarnaartoe te gaan. Ze heeft ‘s avonds nog genoeg tijd om met papa en mama te knuffelen.

Alleen die andere kinderen zijn soms wel vervelend. Op school zit ze er ook al de hele dag tussen. Ze zijn gewoon altijd allemaal zo druk. Eline probeert ze meestal maar gewoon te negeren. Net zoals vandaag. Ze zit fijn met een pop te spelen, als er een ander meisje bij komt staan. Ze kent haar wel, het is Tessa, die wil altijd meespelen maar pakt dan gewoon het speelgoed af. Eline doet alsof Tessa er niet is en speelt verder. 

In de dierentuin

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Een dagje dierentuin is altijd fijn
omdat er zoveel beesten zijn.

Leeuwen, tijgers en apen
en beren die liggen te slapen.
Olifanten en kamelen,
oh, er zijn er nog zo velen.

Mini-monster in de regen

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het regende de hele dag al een beetje toen mama monster na haar werk naar de dagopvang liep. Ze kwam mini-monster ophalen. Mini-monster ging, als zijn school was afgelopen, altijd naar de dagopvang. Dat moest wel omdat mama nog werkte als hij uit school kwam en mini-monster kon natuurlijk niet alleen in huis zijn.
Mini-monster vond het leuk in de dagopvang. Hij mocht er van alles doen, maar de dagelijkse quiz vond hij het allerleukst. En daarna ging hij spelletjes doen op de computer.

Maar toen mama hem die dag kwam halen, regende het dus een beetje.

VOLG ONS

513FansLike
6VolgersVolg
33VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN