Skaten

Afbeelding van Ryan McGuire via Pixabay

Koning Kaskoeskie staarde uit het raam van zijn paleis. Als je goed keek, zag je zelfs een paar tranen in zijn ogen. O, wat zou hij graag ook eens meedoen met die leuke sport die hij een heleboel kinderen en zelfs volwassenen op straat zag doen. Hij had van Krokeledokus, zijn hofnar, gehoord, dat die mensen aan het skaten waren en het leek hem zo leuk om dat ook eens te proberen! Maar ja, als je koning bent, dan verwacht niemand je zomaar op straat op een stel wieltjes te zien rijden. Daar is een koning toch veel te deftig voor!

Afbeelding van Ryan McGuire via Pixabay

Net toen Kaskoeskie zo aan het piekeren was, kwam de trouwe Krokeledokus binnen. Hij zag meteen dat zijn koning had gehuild. “Wat is er aan de hand, uwe Majesteit?” vroeg hij.
De koning vertelde aan Krokeledokus dat hij zo vreselijk graag ook eens wilde skaten. Samen bedachten ze een plannetje. Krokeledokus zou voor skates zorgen. Er zou een lange gang in het paleis voor iedereen worden afgesloten, behalve natuurlijk voor de koning en zijn hofnar. Daar zou de koning dan rustig kunnen oefenen.

En zo gebeurde het. De koning ging skaten in het paleis. De enige die er wat van te zien kreeg, was Krokeledokus. Koning Kaskoeskie was nog maar één minuut bezig of hij viel al achterover. “Au, mijn kon… mijn achterste doet zeer!” riep hij.
Nadat hij nog een paar keer lelijk was gevallen, reed hij nu door de paleisgang met dikke handschoenen aan, want dan deden zijn handen niet zoveel pijn wanneer hij voorover viel. Ook had hij met een paar riemen een dik kussen onderaan zijn rug gebonden, zodat zijn koninklijke achterwerk niet helemaal bont en blauw werd. Eigenlijk was het geen gezicht en het was dus maar goed dat het paleispersoneel er niets van zag.

Koning Kaskoeskie had de hele middag geoefend en toen het etenstijd was, had hij het rijden op de skates al aardig onder de knie.
“Nu wil ik het wel eens op straat proberen,” zei hij tegen Krokeledokus. Die ging meteen aan het werk en even later sloop de koning naar buiten. Hij had een oude jas van een oom van Krokeledokus aan.
Even later reed hij met een aardig vaartje op zijn skates door de straten van de hoofdstad. Tot hij de eerste inwoner van de stad tegenkwam. Die keek even naar de eenzame skater en zei toen meteen: “Goedenavond, Sire!”
Kaskoeskie was stomverbaasd! Hoe kon die man hem nu herkennen met die oude jas aan! Zo vlug als hij kon, reed hij naar het paleis terug. Krokeledokus stond hem al op te wachten.

“Snap jij daar nu iets van?” vroeg de koning aan zijn trouwe knecht.
Welnu, die moest heel hard lachen. “Komt u maar eens mee naar de spiegel, Sire,” zei hij. Toen de koning voor de spiegel stond, zag hij al snel wat er mis was met zijn vermomming. Op zijn koninklijke hoofd stond nog altijd heel netjes zijn gouden kroon.
O, wat was hij dom geweest!

Die dag en de volgende dagen kwam er niets meer van het skaten terecht. Maar nog geen week later stond koning Kaskoeskie weer op zijn skates. Gelukkig was hij deze keer niet vergeten om zijn kroon af te zetten. Omdat hij ook nog een valse snor op zijn bovenlip had geplakt, was er de hele avond niemand die hem herkende. Hij trof bij een pleintje een stel andere skaters en met wel een man of tien werden steeds weer nieuwe sprongen geoefend en nieuwe trucjes van elkaar afgekeken. Koning Kaskoeskie had nog nooit van zijn leven zo’n leuke avond gehad.
“Kom je morgen weer?” En: “Hoe heet jij?” vroegen een paar van zijn nieuwe vrienden.
“Ik zal het proberen,” zei de koning. “En ik heet Kas.”

Bijna elke avond kon je de koning met zijn vrienden zien sporten. Op een avond kreeg één van hen een idee en een paar dagen later hingen er overal in de hoofdstad vuurrode aanplakbiljetten. Daarop stond dat er de komende zaterdagavond een grote skatewedstrijd zou worden gehouden.

Koning Kaskoeskie besloot aan de wedstrijd mee te doen. Eerst moesten er vijf rondjes om het plein worden gereden. Tot zijn eigen verbazing won de koning dat deel! Toen moest er een hele reeks behendigheidsoefeningen worden gedaan. Soms lukte het onze koning wel om goede punten te halen, maar soms ook niet. Aan het einde van de avond werden de winnaars bekend gemaakt. De man die de prijzen uitreikte, zei: “De derde prijs is gewonnen door Karel de bakker. De tweede prijs door Jelmer de schoenmaker en de eerste prijs gaat naar mijn grote vriend Kas!”
Even was hij stil en vervolgde toen: “Eigenlijk weet ik niet eens wat mijn vriend Kas voor beroep uitoefent.”

Toen stapte ‘Kas’ naar voren. Hij trok de oude jas uit, rukte de snor van zijn bovenlip en haalde uit de wijde zak van zijn jas zijn kroon tevoorschijn! Het was doodstil op het plein. Toen barstte er een gejuich los, zoals de inwoners van de hoofdstad nog nooit hadden gehoord. “Lang leve onze sportieve koning!” riepen ze zo hard als ze konden.
Koning Kaskoeskie was populairder dan ooit.

De volgende dag verscheen er een grote ploeg arbeiders in de paleistuin. Ze werkten dag en nacht en aan het einde van de week stond er in de tuin een prachtige skatebaan, waarop iedereen gratis mocht skaten. Ook koning Kaskoeskie kon je daar zo nu en dan vinden en soms vond hij het jammer dat hij het zo druk had met het land besturen, omdat hij liever zijn skates wilde besturen!

1.3. Fliffelfluffie!

Als Marga de badkamer uitkomt, zijn de nachtegalen veranderd in witte konijntjes met paarse stipjes. Al fluiten ze net zo vrolijk.
Het beekje dat dwars door de gang kronkelt, is bevroren. De mooie zwarte spin is zelfs veranderd in een piepende witte muis, die wanhopig probeert uit het web te komen. Alle eenhoorntjes hebben witte vleugeltjes gekregen en vliegen klapwiekend door de lucht.

Marga tilt drie konijntjes uit de boom. Daarna probeert ze een klein eenhoorntje te vangen, om het te onttoveren, maar het vliegt klepperend van haar weg. “Kom hier!” roept Marga driftig en rent achter het beestje aan. “Kom meteen hier, jij akelige fladdervlerk. Of ik betover je!”
Maar de kleine eenhoorn fladdert steeds weer buiten bereik van haar grijpende vingers, ook als ze ernaar springt. “Wacht maar, jij lelijke vierpotige fladderaar, ik krijg je wel!”

Boos stampvoet het driftige heksje. Marga kruist haar vingers en roept, “Fliffelfluffie, eenhoorn kom hier!” Maar in de plaats dat het beestje braaf naar haar toekomt, verschijnt er een grote witte duif op haar handen.
“Alle dikke paarse toverbonen, waarom lukt er toch nooit wat,” klaagt Marga. Het komt vast door de klungelvloek, dat ze die duif te voorschijn tovert. Een witte duif is niet zo erg, maar bij de tweede keer Fliffelfluffie zeggen, verschijnen er een boel grote zwarte spinnen die kriebelend over haar handen lopen! Daarna verschijnt er een regenwolk die precies boven haar begint te regenen en haar kletsnat maakt.

“Wat moet ik nou toch doen?”
Marga kijkt boos rond. Doordat de eenhoorns heen en weer vliegen is de gang gevaarlijk geworden, want de paardjes vliegen trappelend op haar af en proberen haar te schoppen. Ze zijn vast boos dat ze rond moeten vliegen in plaats van te lopen.
“Bah, dat hebben Methusa en Zedusa weer gedaan. Ze kunnen ook niets met rust laten,” moppert het jonge heksje. Marga drukte haar vingertoppen en de toppen van de twee duimen stevig tegen elkaar. Daarna haalde ze diep adem voor haar toverwoord. “Flifelfluffie,” zegt ze luid nog een keer. Gatsie, haar toverwoord kan ook helemaal niets, alles blijft hetzelfde! Boos zegt ze het weer, fliffelfluffie! Om haar heen regent het meteen knikkers die vrolijk wegrollen. Marga geeft de moed niet op. “Fliffelfluffie!” roept ze weer, nu heel hard. Uit het niets dwarrelen witte vogelveertjes rond. De veertjes kriebelen haar neus en laten haar niezen.
Marga hoort ineens lachen. Vanuit hun kamerdeur kijkt de kleefaan tweeling giechelend toe. Marga stampvoet als ze de tweeling ziet. “Is het nou afgelopen!” schreeuwt ze driftig. “Jullie gemene giechelkoppen! Potten vol met paarse spinnen nog eens aan toe! Ik wil alles hier weer gewoon hebben!”

“Marga?” Een harde ruk aan haar mouw laat het heksje bijna omvallen van schrik. Haar broer kijkt grinnikend op haar neer. “Laat die pestkoppen maar,” zegt Rudy troostend. “Vader tovert dat straks wel weer goed. Kom je me helpen?”
“Rudy! Alle paarse toverbonen,” roept Marga geschrokken. “Besluip me toch niet zo!” 
“Pas op, als straks de koeproek roept, kun je nooit meer normaal kijken,” grinnikt haar broer. “Kom nu maar mee.”
“Ik heb honger, waar heb je me nou voor nodig?” Marga zwaait haar armen ongeduldig heen en weer. “Ik moet straks naar school.”
“Tante Tanja zou er toverles geven vandaag,” zegt Rudy opgewekt. “maar dat gaat niet door, want ze is in de gedichtjesput gevallen.”

Marga kent die put wel. In de kelder is de mooiste hinkelbaan van alle hinkelbanen in Wekasi. Aan het einde is een diepe put. Als je het hinkelen goed doet, krijg je aan het einde vleugels, dan vlieg je gewoon over de put heen.
Marga giechelt. Haar tante heeft het hinkelen niet goed gedaan en is in de put gevallen. Nu kan ze alleen nog maar in dichtvorm praten en dat is erg grappig. Het heksje wil meteen naar de kelder gaan, maar haar broer grijpt ongeduldig haar hand.
“Ze halen tante Tanja er wel uit,” grijnst hij. “Nu zijn we lekker vrij vandaag, kom je mee?”

Marga weet niet dat haar broer helemaal geen toestemming heeft om in de studeerkamer van hun vader te mogen.
Vader is vandaag een lange tijd weg, weet Rudy. Dan kan hij mooi gebruik maken van alle toverboeken die daar zijn. Hij heeft maar één spreuk nodig, maar eentje. Rudy wrijft over zijn wang, want daar zitten drie akelig jeukende bultjes bij elkaar. Ook jonge tovenaars en heksen hebben last van puistjes en Rudy heeft er nou net weer een paar.

“En mijn ontbijt dan?” Marga kijkt haar broer hongerig aan en drukt op haar buikje.
“Ik tover wel wat lekkers voor je.” Rudy haalt uit zijn zak een kleine doos. “Obediki,” zegt hij en doet de doos open. Dit is zijn hapdoos. Daar kan hij al het lekkers waar hij maar zin in heeft, in tevoorschijn toveren.
Rudy steekt zijn zusje een grote wafel met slagroom toe en gretig begint ze ervan te snoepen. Terwijl ze de wafel opeet, volgt het meisje haar broer door de lange gang van het kasteel.

De apenrots

Afbeelding van 9883074 via Pixabay

Op de apenrots in de dierentuin was het rustig die avond. Meestal liepen de aapjes tot laat in de avond over de rots heen en weer, maar deze avond waren bijna alle apen binnen in de rots gekropen. Het stormde zo hard dat een klein aapje zomaar het water ingeblazen kon worden en dus hadden alle apenmoeders gezegd: “Naar binnen, jongens en meisjes! Het waait vanavond veel te hard!”

Zo af en toe kwam er zo’n harde rukwind dat de hele apenrots ervan schudde!
Zoiets hadden de apen nog nooit meegemaakt! Zelfs de heel oude apen konden zich niet herinneren dat het ooit zo gestormd had.

In een hoekje van het apennest in de rots zaten drie apenvrienden bij elkaar. Het waren twee mannetjesapen, Pim en Pom, en één vrouwtjesaapje, dat eigenlijk Pamela heette, maar altijd Pam werd genoemd. Pim, Pom en Pam waren dikke vrienden. Ze waren altijd bij elkaar en haalden vaak zoveel kattenkwaad uit dat de mensen die naar ze stonden te kijken, er erg hard om moesten lachen.

Maar de avond van de storm werd er niet gelachen. Plotseling schrokken alle apen ontzettend! Buiten klonk een hevig gekraak en daarna een geluid alsof er iets heel groots op het eilandje was gevallen, waarop de apenrots stond. Alle apen zouden niets liever doen dan eens gaan kijken wat er gebeurd was, maar de oudere apen zeiden:
“De rots is nog heel! Morgenochtend als de storm is gaan liggen, is er nog tijd genoeg om buiten een kijkje te nemen.”

Onze drie vrienden konden zolang niet wachten. Ze gingen vlak bij elkaar in een hoekje van het nest in de rots zitten, bij een uitgang naar buiten.
Pom zei: “Als iedereen slaapt, gaan we ervandoor.”

Toen de apen allemaal sliepen, kroop Pam voorzichtig naar buiten. Niemand merkte er iets van en dus ging Pim haar achterna. Even later stapte Pom ook naar buiten en nu keken ze met z’n drieën uit over het eiland met de apenrots. Het was donker buiten en ze zagen niets bijzonders. Tot ze aan de achterkant van de rots kwamen. Opeens konden ze niet verder. Er lag een grote boom op de grond tot aan de voet van de rots. De drie aapjes klommen op de stam van de boom en omdat er in de verte nog een paar lampjes wat licht gaven, konden ze al gauw wat meer zien. De boom was omgevallen door de storm en hing over het water heen zodat de drie vriendjes gemakkelijk naar de overkant konden komen. Ze waren vrij!

Langs allemaal dieren die ze nog nooit gezien hadden, kwamen ze bij het hek van de dierentuin. Het hek was natuurlijk dicht, zoals altijd wanneer de dierentuin gesloten was, maar dat was voor onze drie aapjes geen enkel probleem! Binnen een minuut stonden ze allemaal aan de andere kant van het hek. Waar zouden ze naartoe gaan? Ze liepen wat rond en al snel zagen ze een straat met huizen.

“Laten we daar eens gaan kijken!” riep Pam. Ze liepen naar één van de huizen toe.
Het huis had een groot raam en voor dat raam was een brede vensterbank. Binnen in het huis brandde licht en nieuwsgierig als aapjes kunnen zijn, gingen ze netjes naast elkaar op de vensterbank zitten. Ze keken naar binnen. Daar zat een man op een stoel met zijn rug naar hen toe. Hij had een groot stuk papier in zijn handen waar hij de hele tijd naar keek. Opeens ging een deur tegenover het raam open en daar stapte een vrouw de kamer binnen. In haar handen had ze een dienblad met een koffiepot en twee kopjes erop.
Terwijl ze naar de man liep, keek ze naar het raam. Ze gaf een harde gil en van schrik liet ze het dienblad op de grond vallen. De man keerde zich om en zag nog net hoe drie geschrokken aapjes ervandoor gingen.

Pim, Pam en Pom renden zo hard als ze konden terug naar de veilige dierentuin. Maar waar was die nu toch gebleven? Ze liepen en liepen, maar nergens zagen ze ook maar iets dat op een dierentuin leek. Pam begon te huilen: “Nu zien we onze vader en moeder en onze vriendjes nooit meer terug. Wat zijn we toch dom geweest!”
Nu Pam zo verdrietig was, kregen Pim en Pom ook tranen in hun ogen.
O, wat voelden ze zich ellendig!

Het was ondertussen licht geworden en de eerste auto’s reden door de straten van de stad. Nu werden onze vrienden ook nog bang van al die enge lawaaidingen! Ze klommen de bomen in en van boom tot boom springend hoopten ze de dierentuin terug te vinden.

En toen zagen ze opeens iets bekends! Daar reed net zo’n auto als ze altijd in hun dierentuin zagen! Achter het stuur zat de man die hen elke dag hun eten bracht. Ze wisten niet hoe snel ze achter de man aan moesten rennen.

De oppasser had niets in de gaten. Hij wist nog niet dat er drie aapjes ontsnapt waren. Toen hij een kruispunt naderde, sprong het stoplicht op rood. De man remde en stopte. Opeens schrok hij zich een hoedje! Met drie doffe ploffen kwam er iets op het dak van de auto terecht. Meteen daarna zag hij hoe drie aapjes op de motorkap sprongen en hij herkende ze direct: Pim, Pam en Pom!

Hij deed de deur van zijn auto open en zo kwamen onze drie vrienden even later in de dierentuin en op de apenrots terug. Maar weet je wat wel zielig voor ze was? Toen ze hun avonturen vertelden, wilde geen één aap geloven dat ze echt in een auto waren meegereden!

Afbeelding van 9883074 via Pixabay

1.2. Rudy mag toveren

Petra van Engelenburcht

Rudy deed zijn zusje schrikken en toen toverde ze toverkriebelhanden! Rudy kon net de betovering ongedaan maken:

Marga lacht tevreden. Ze had niet verwacht dat haar betovering veel zou doen, maar Rudy roept, “ih,” en, “ah,” en springt gekieteld door de twee handen heen en weer. Tot hij zijn wijsvingers tegen elkaar kan drukken en “abracadabra” uit hijgt tussen het lachen door. Rudy moet het nog twee keer zeggen voor Marga’s betovering verdwijnt.

“Wacht maar, lach jij mij uit?” Rudy is best ook een beetje driftig en hij schreeuwt zijn toverwoord, “Obediki!”
Na een poef, krijgt zijn kleine zusje zulke grote oren dat ze bijna op de grond hangen.
“Oh, dat is gemeen. Griefel graf plaf!” Marga wijst naar hem en Rudy’s zwarte haar wordt een grote wirwar van stekelige punten.

Pief! Paf! Poef. Broer en zus betoveren elkaar tot ze nauwelijks nog herkenbaar zijn. Marga de brietebal is zo dik geworden dat ze als een bal rond rolt in de gang. Rudy de dungeslungel, is zo lang en mager dat zijn hoofd het plafond raakt en hij helemaal krom moet staan.
“Goed, goed, jij wint,” zegt Rudy, als zijn zusje hem boos aankijkt. Na een paar keer abracadabra zeggen, zijn ze weer gewoon.
“Wauw zusje, je wordt echt steeds beter,” zegt Rudy lachend. “Op een dag geef je me hondenstaarten.” Hij neemt zijn zusje toch ongerust op. Als Marga eenmaal boos is, kan ze dat gemakkelijk drie dagen vol houden. Het kleine meisje heeft onder haar rode krullen inderdaad gefronste wenkbrauwen. Zijn complimentje werkt toch. De frons verdwijnt en zijn zusje glimlacht.
“Denk je dat echt Rudy?”
“Nou, voor een klein heksje had je me nu echt goed te pakken,” geeft haar broer toe. Hij wrijft heimelijk over zijn ribben die flink gekieteld zijn. Rudy kijkt even rond, maar er is verder niemand te zien.
“Marga, ik wil je wat vragen.”
“Oh, wat dan?” Het meisje kijkt haar broer afwachtend aan.
“Ik ga zo toveren. Wil je me straks helpen, want ik mag in vaders studeerkamer toveren.”
“Echt waar?” Marga kijkt erg verbaasd, want vader laat nooit iemand in zijn kamer toveren. “Wat ga je toveren dan?”
Haar broer wrijft even zijn nek en grijnst wat verlegen. “Daar snap jij toch niets van,” haalt hij zijn schouders op. “Dat zijn toverdingen.”
“Oh, goed hoor,” knikt het kleine heksje, want zij snapt inderdaad niet veel van toverdingen.
Rudy begint te lopen, “ik zie je straks wel, goed? Over een hinkelpokje of twee.”

In Wekasi houdt iedereen er erg van om spelletjes te spelen. Hinkelen is het meest geliefde spelletje omdat wie de goede passen doet, die bij het einde van de hinkelbaan in iets grappigs verandert. Hinkelen noemen ze in Wekasi een hinkelpokje. Daarom noemen ze ook de uren een hinkelpokje.

Marga vraagt zich af wat haar broer gaat toveren dat hij haar hulp ervoor nodig heeft. Maar om in vaders studeerkamer te mogen zijn, daar heeft ze wel wat voor over, want in die kamer is alles heel erg spannend.
“Het is echt geen gewone dag vandaag,” fluistert het jonge heksje, “ik mag in vaders kamer.”
Oei, Marga moet ineens héél erg nodig plassen. Het kleine heksje zet het op een rennen naar de badkamer.

Even later komt ze de wc weer uit en gaat meteen naar de spiegel. Als ze haar spiegelbeeld ziet, telt ze altijd haar sproeten.
“Bléééééh,” steekt ze haar tong uit, omdat er weer wat sproetjes bijgekomen zijn. Alle vrouwen van de Magma familie hebben rood haar en sproeten. Marga wil liever geen sproeten. Maar een heksje van acht heeft daar nog maar weinig over te zeggen. Later, als ze toveren kan… Dan zijn die sproeten zó, in een Fliffelfluffie, verdwenen.
Tevreden grinnikt het heksje, want ze heeft haar broer lekker de prikkietel gegeven. “Net goed,” zegt ze tegen haar spiegelbeeld, dat ook tevreden grinnikt.

In haar kamertje trekt ze haar nachthemd uit en doet haar blauwe jurkje aan. Ze stopt een handvol knikkers in de ene zak van het jurkje en in de andere haar hapdoos. Ze kamt haar rode krullenbos en is klaar. Wassen en aankleden is een heel gewoon iets voor haar, maar alweer blijkt niets gewoon te zijn op deze vroege morgen…

Als Marga de badkamer uitkomt, zijn de nachtegalen veranderd in witte konijntjes met paarse stipjes. Al fluiten ze net zo vrolijk.
Het beekje, dat dwars door de gang kronkelt, is bevroren. De mooie zwarte spin is zelfs veranderd in een piepende witte muis, die wanhopig probeert uit het web te komen. Alle eenhoorntjes hebben witte vleugeltjes gekregen en vliegen klapwiekend door de lucht.

1.1. Marga en de ongewone dag

Copyright Petra van Engelenburcht

“Bah! Bah en nog eens bah. Die gemene pestkopperige naarlingen. Wat zijn ze toch gemeen, die rottige kevervreters. Ik geef ze de prikkietel als ze me weer pesten.”

Een klein mager meisje met rode krullen en groene ogen in een roze nachthemdje stampvoet boos. Dat is eigenlijk heel gewoon. Maar het is echt niet gewoon voor een klein meisje van acht jaar om de deur van haar kamertje te ontvloeken als ze net is opgestaan. Dat moet wel, want haar vriendjes vinden het altijd leuk om te plagen.

Nu ook weer. Kijk toch wat ze haar nu weer hebben aangedaan. Die gemene valse watervlooivangers. Het heksje kijkt naar haar voeten. Het zijn geen gewone kleine meisjesvoeten. Nee, allebei haar voeten zijn zo groot als een brood! Aan één grote teen bungelt nog net een klein paars pantoffeltje. Het kleine driftige heksje stampvoet weer en alles in haar kamertje rammelt en klingelt ervan.

Copyright Petra van Engelenburcht

“Bleh,” zucht Marga diep, “die flauwe plaagkoppen zijn altijd gemeen tegen mij.”
Boos zijn helpt niet. Het kleine heksje denkt even diep na, tot ze weet wat te doen tegen die gekke grote voeten. Na drie tovergebaren zijn ze gelukkig weer weg.

~~~

Marga woont in Wekasy. Ken je dit kasteel? Wel eens van gehoord? Misschien hebben ze op school wel eens aangewezen op de kaart waar het zou kunnen liggen? Nee? Wel, dat is misschien maar beter ook.

Wekasy is namelijk een groot kasteel waar iedereen kan toveren. Echt iedereen is heks of tovenaar, eigenlijk al vanaf de geboorte. Dat kan best gevaarlijk zijn. Kom je als tante of oom, je nieuwe nichtje of neefje een kadootje brengen en wil je de kleine even gezellig kietelen? Voor je het weet, veranderen al je vingers in snoepen of worteltjes. Krijg je ineens een olifantenslurf of verander je zelfs in een konijntje!

In Wekasy is iedereen daar wel aan gewend, eventjes de onttoveringsspreuk zeggen, drie keer achter elkaar, en er is niets meer aan de hand. Hoewel, als konijntje is dat niet zo gemakkelijk, dan moet iemand je even helpen. En als het misgaat, is iedereen ergens in veranderd en kan niemand de onttoveringsspreuk zeggen! Tja, toveren kan best gevaarlijk zijn. Vooral als het door een boos iemand wordt gebruikt. Dan kunnen er de engste dingen gebeuren.

Daarom ligt het kasteel Wakasy ergens waar niemand er zomaar even langs kan komen. Dus als je het kasteel toch op een of andere vakantie tegenkomt? Ga dan niet eventjes een selfie maken of wat foto’s. Gewoon doorstappen en vergeten waar je Wakasy juist vond.

Marga zit er op de toverschool om te leren toveren en eigenlijk… Ja, het is helemaal niet leuk om dat te moeten zeggen… Eigenlijk is Marga de slechtste van de hele klas!
Oh jee, dat vindt het kleine heksje helemaal niet leuk. Ze wordt zelfs heel erg boos als ze haar daarmee pesten, want Marga is het meest driftige heksje dat je jezelf maar voor kan stellen. Als ze staat te stampvoeten en haar gezicht knalrood wordt, als er vonken van haar vingers afspringen en ze allemaal boze woorden schreeuwt, dan wordt er al gegiecheld. En als ze daarbij als een driftig stuiterballetje op en neer springt? Dan schreeuwt iedereen het uit van het lachen!

~~~

Marga zou het liefste op haar kamer willen blijven, daar is ze tenminste veilig, maar ja, ook kleine heksjes moeten naar de wc. Marga moet plassen. Ze is nu extra voorzichtig. Als ze de deur maar heel lichtjes aanraakt? Hé. Gelukkig, er gebeurt niets.

Ze doet de deur op een kiertje open en kijkt naar links en naar rechts. Er is nergens iemand te zien die haar wil pesten. Wel ziet ze een lange gang met een boel deuren met vrolijke kleuren. Eén deur is zo breed, dat je er met twee tegelijk door kan. Die deur is van de kleefaan-tweeling, Medusa en Zedusa. Zij zijn de gemeenste pestkoppen van allemaal.

Voorzichtig doet ze de deur verder open. Er groeien boompjes met paarse bloemen in de gang en de vloerbedekking is van fris groen gras vol bloemetjes. Drie witte eenhoorntjes met gouden manen, niet hoger als haar knie, rennen spelend voorbij.

Copyright Petra van Engelenburcht

Vóór Marga weer een stapje naar buiten doet, kruist ze haar beide wijsvingers over elkaar. “Abracadabra,” fluistert het kleine heksje. Dat is de sterkste bezwering om je te beschermen tegen tovenarij, het meest belangrijke toverwoord dat er maar bestaat. “Abracadabra”, fluistert Marga weer. Ze doet opnieuw een pasje naar voren. Ze wil het toverwoord net weer zeggen; en dan…!

“Booeehhh!”
Met geklauwde vingers springt een pestkop naar voren. Hij had zich verstopt achter de kleine struik met de mooie paarse bloemen naast de deur.

“Rudy!” Marga bedekt vol schrik haar bonkend hart en kijkt hem boos aan. Haar broer is al veertien jaar oud. Drie keer zo groot als zij, met zwart krullend haar en blauwe ogen. Zijn benen zijn erg lang en mager in zijn zwarte broek en op zijn rode trui staat een springende eenhoorn.
“Boeh,” zegt haar broer grinnikend nog een keer. Hij heet eigenlijk Rudolf, naar zijn vader, maar iedereen noemt hem Rudy. Rudy lacht omdat hij haar te pakken heeft.

Copyright Petra van Engelenburcht


“Rudy! Jij gemene lelijke briepekop! Krijg de prikkietel!” Marga begint in haar nachtponnetje op en neer te springen. Ze wordt knalrood en schreeuwt, “jij akelige gemene pestkop! Zwarte vleerkop!”
Rudy moet steeds meer lachen als zijn zusje zo kwaad wordt.
Marga wijst boos naar hem, “Krijg de prikkietel, Fliffelfluffie!” schreeuwt het springende heksje haar toverwoord.

Copyright Petra van Engelenburcht

Oh ja, elke heks of tovenaar heeft een eigen toverwoord, waarmee alleen zij kunnen toveren. Probeer het maar, zeg gerust drie keer achter elkaar Fliffelfluffie, dat helpt niets als je niet kan toveren.

“Had ik jou lekker te pakken, zusje,” zegt Rudy tevreden en hij grinnikt, maar… Uit het niets duiken een paar grote handen op. Die handen gaan naar hem toe en de grote vingers geven Rudy van links een por tussen zijn ribben. “Ho! Dat is niet eerlijk,” roept Rudy, als hij ook van rechts door een hand gekieteld wordt.
Marga lacht tevreden. Ze had niet verwacht dat haar betovering veel zou doen, maar Rudy roept, “ih,” en, “ah,” en springt gekieteld door de twee handen heen en weer. Tot hij zijn wijsvingers tegen elkaar kan drukken en “abracadabra” uit hijgt tussen het lachen door. Rudy moet het nog twee keer zeggen voor Marga’s betovering verdwijnt.

Het Toverpotlood

Ella wordt vandaag vijf. Zij ziet er prachtig uit in haar prinsessenjurk en tiara in haar haar.

Ella’s tante heeft een pakketje voor haar bij de voordeur achtergelaten. Ze maakt het open. Het is een potlood en op het gummetje staat geschreven: ‘Geniet ervan!’.
‘Wat is DIT nou, een potlood? Ik heb daar nooit om gevraagd!’, zegt Ella verbaasd.
Zij probeert er mee te schrijven of mee te kleuren, maar…dat lukt niet.
‘Dat is gek, ik kan hier niks mee doen. Er komt niks uit’, en ze gooit het potlood, hup, zo in een hoek.

Ding dong! De deurbel gaat.
Jasmijn, Sterre en Hanna zijn er.
‘Oh nee! Jullie hebben óók al prinsessenjurkjes aan! Dat mag niet hoor!’, zegt Ella teleurgesteld.
Iets later belt Isabella aan. Zij heeft een prachtige tiara en glitters in haar haar.
Op dat moment komen Mark, Tom en Daan de tuin binnen scheuren op hun fietsen en ze
maken nog een paar rondjes door het gras. Het gras en modder vliegt achter hun banden
omhoog.
‘NEE! Niet fietsen!’, roept Ella boos.
Even later gaat de deurbel nog een keer.
‘Oh! Het busje met de verjaardagstaart is er’, zegt Mama opgewekt en ze loopt naar de
deur om de taart aan te nemen.
‘Kijk, prinsesje, je taart is er’, zegt ze en zet de taartdoos op tafel.
Alle kinderen gaan om de tafel heen staan en kijken nieuwsgierig naar de doos.
‘Hè, een VOETBALtaart?!? Ik vroeg toch om een prinsessentaart!?’, roept Ella.
‘Ah, liefje, ik zie het probleem niet. Taart is taart en deze is vast net zo lekker’, zegt Mama.

‘Ik wil geen voetbaltaart, ik wil een PRINSESSENTAART!’ roept Ella boos.
‘Stomme dag!’
‘Stomme taart!’
‘Stom potlood, of…. weet ik veel wat dat is’.


Zij pakt het potlood weer en deze keer kijkt ze van heel dichtbij naar het zachte gummetje.
Er staat heel klein ‘3x’ op geschreven.
Ella drukt op de gum.
Een keer… Twee keer… Drie keer…
Ineens ontstaan er glitters en sterretjes rond het gummetje.
‘Wow, een prinsessentaart!’, roepen alle kinderen nu verbaasd.

‘Nu snap ik het, het is een toverpotlood!’ zegt Ella glunderend.
‘Dan ga ik iets leuks proberen!’ en ze drukt weer 3 keer op het gummetje…
Ineens staan Jasmijn, Sterre en Hanna in hun pyjama’s.
‘Hahaha, ze staan in hun slaapkleren’, zegt Mark hard.
‘Ja, dat is grappig!’ Tom en Daan lachen nu ook hard.
Maar Sterre kijkt met gepruilde lippen naar Ella en Jasmijn begint te huilen.
Ella drukt het gummetje nóg drie keer in.
De broek van Mark valt omlaag en hij heeft ineens een luier om.
Daan krijgt een rol wc papier op zijn kop en het wc papier wikkelt zich helemaal om hem
heen.
En Tom krijgt een dikke speen in zijn mond.
‘Ik ben de hele dag de baas’, zegt Ella en ze drukt weer op het gummetje.
Isabella’s haar gaat helemaal slordig omhoog staan.
‘Ella? Wat ben jij aan het doen?’, zegt Mama verbaasd.
‘Alles leuker maken’, zegt Ella, en drukt nog drie keer het gummetje in.
Mama krijgt nu een hele dikke bibs, zo groot dat haar rok helemaal scheurt.
Woepie het hondje rent blaffend naar Ella toe.
Nu is Woepie aan de beurt!
Ella drukt 3 keer en Woepie wordt ineens een kat!
Woepie schrikt er zelf zo erg van dat hij het gordijn in springt.
‘Ik wil naar huis’, zegt Isabella met trillende stem.
‘Ik ook, ik ook…’, zeggen de anderen.
‘Ik vind het ook niet meer leuk’, zegt Mama.
‘Maar ik wil niet dat iedereen weg gaat. Dan heb ik geen vrienden meer’, bedenkt Ella snel
en ze drukt nog drie keer op het gummetje.
Dan krijgen Jasmijn, Sterre en Hanna hun mooie prinsessenjurken terug.
En Isabella krijgt mooi stijl haar met een schitterend grote tiara.
Marks luier, Toms speen en Daans wc papier zijn hup… weg.
Mama wordt weer zoals ze altijd was. Zij staat met een prachtige jurk in de kamer.
En Woepie staat naast Ella en kwispelt met zijn staartje.

‘Zullen wij nu gaan zingen?’, zegt Mama terwijl ze een diepe zucht slaakt.
‘Nou… Wacht nog even’, zegt Ella en ze drukt nog drie keer op het gummetje.
De hele kamer wordt tot het plafond gevuld met cadeautjes.
Op de cadeau’s staan geschreven: ‘Voor Ella’.
Zo’n leuk verjaardagsfeestje heeft Ella nog nooit gehad.

De tractor

Afbeelding van ambermb via Pixabay

Op een morgen liep Erik met zijn opa door de buurt waar hij met zijn vader en moeder woonde. Opa was een keertje verkeerd gelopen en Erik begon moe te worden. Maar toen ze bijna aan het einde van de lange wandeling waren, zag Erik opeens iets heel bijzonders. Hij kon zijn ogen bijna niet geloven! Daar, aan de rand van de stoep, met nog wat andere rommel, stond een TRACTOR! Erik had altijd al een tractor willen hebben!

Opa bekeek de tractor en zag al snel waarom het voertuig bij het grofvuil was gezet.
Er zaten wel trappers aan om met de tractor te kunnen rijden, maar de stang waarmee de achterwielen konden draaien, was afgebroken.
“Kan hij nu nooit meer rijden, opa?” vroeg Erik.
Opa keek nog eens goed en zei toen: “Ik denk wel dat ik dat karretje weer aan het rijden krijg.”

Opa tilde de tractor op en droeg hem naar Eriks huis. Zijn grootvader dook meteen de schuur in. Hij draaide een paar schroeven los en even later lag de hele aandrijving van de tractor al op de werkbank.

Afbeelding van ambermb via Pixabay

Die middag ging hij samen met Erik naar de smid in het dorp.
“Beste smid,” zei opa, “kunt u deze twee stukken ijzer weer aan elkaar lassen?”
Welnu, dat kon de smid wel. “Kom morgen maar weer terug,” zei hij.

De volgende dag gingen ze weer terug naar de smid. Gelukkig had hij alles keurig netjes kunnen repareren en nog diezelfde middag had opa het karretje weer in elkaar gezet. Trots als een pauw zat Erik op het stoeltje van de tractor en reed hij rond zijn huis. O, wat was hij blij met zijn mooie groene tractor!

Er gingen een paar dagen voorbij en Erik speelde elke dag met zijn nieuwe tractor. Ook zijn vriendjes mochten er af en toe een ritje mee maken. De ene dag maakten ze een reis door de wijk waar Erik woonde en de andere dag reden ze weer door een andere wijk.

Op een dag gebeurde er echter iets verschrikkelijks! Die middag was Erik weer met zijn tractor gaan rijden. Na een uur kwam hij opeens hard huilend naar huis gelopen. Zijn moeder schrok ervan! Zo had ze haar zoon nog nooit horen brullen. Eerst kon ze absoluut niet verstaan wat Erik haar probeerde te vertellen. Maar na een kwartiertje begreep ze eindelijk wat er gebeurd was. Tijdens een ritje met zijn tractor was Erik in de buurt gekomen van de straat waar hij met zijn opa de tractor had gevonden. Opeens was er een grotere jongen op hem afgerend en die had geschreeuwd: “Wat doe jij met mijn tractor? Geef hier dat ding! Die is van mij! Die tractor heb jij van ons gestolen! Gewoon van de straat gepakt en mee naar huis gesleept!”
Voor Erik wist wat er gebeurde, had de jongen hem van de tractor afgetrokken en was hij er met zijn mooie groene karretje vandoor gegaan. Erik had nog geschreeuwd:
“Die tractor heeft mijn opa zelf gemaakt!”, maar de jongen had hem al niet meer gehoord.

“Weet je nog bij welk huis de tractor toen stond?” vroeg Eriks moeder.
Nee, dat wist hij niet. Hij had toen meer naar de tractor gekeken dan naar de omgeving. Zijn moeder pakte meteen de telefoon en belde opa op. Ze vertelde het hele verhaal.
Opa was woedend. “Zomaar de tractor afpakken! Ik wil die knaap wel eens spreken!” riep hij door de telefoon. “Ik kom er meteen aan!”

En ja hoor, een uurtje later liep Erik al met zijn opa door de straten. Opa keek goed naar de huizen en opeens riep hij: “Daar staat die rode bloem voor het raam! Daar zocht ik naar! Hier gaan we aanbellen.”

Een vrouw deed de deur open. Opa vroeg: “Hebt u vorige week een tractor bij het grofvuil gezet?”
De vrouw deed net alsof ze van niets wist.
“Ik zal het eens aan mijn man vragen,” zei ze.
Op dat moment ging er een deur achter in de gang open. Een jongen vroeg:
“Wie is er aan de deur?”
Erik had nog net gezien dat er achter die deur iets groens stond en hij wist zeker dat dit de jongen was die zijn tractor had afgepakt. “Jij hebt mijn tractor gepikt!” riep hij boos.
“Ik zag hem net achter die deur daar staan!”

De jongen begon vreselijk te huilen. Zijn moeder trok hem naar zich toe. Toen vertelde zij haar verhaal: toen de tractor kapot was gegaan, had de jongen, die Kees heette, zo gehuild. Maar zijn vader wist niet hoe hij de tractor moest repareren. Kees had dat zo erg gevonden dat hij er een paar nachten niet van had kunnen slapen. Toen hij vanmiddag zijn tractor weer terug had gezien, had hij hem van Erik afgepakt.
“Je mag hem weer terug hebben, hoor,” zei Kees. “Jouw opa heeft hem voor jou gerepareerd en misschien krijg ik ooit wel eens een nieuwe.”
Kees had tranen in zijn ogen en het scheelde maar een haartje, of Erik was mee gaan huilen. Toen zei Erik: “Als je weer eens een stukje met je oude tractor wil rijden, kom dan gerust maar bij me langs!”

En zo werden Erik en Kees dankzij de tractor de beste vrienden!

Het vrolijke meisje

Afbeelding van Mimzy via Pixabay

Op een hele saaie dag,
in een heel saai dorp,
in een heel saai land,
hier heel dichtbij,
zat een meisje reuzeblij.

Haar haren waren lang en krullerig,
haar jurkje sierlijk en rood.
Haar verhalen waren vol met kleur,
haar gedachten vrij en rijk,
maar een ding vond ze vreselijk.

Kon ze haar geluk maar delen,
zouden anderen ook maar zien,
wilden zij ook maar verwonderen,
al was het maar heel kort misschien,
al was het maar een seconde of tien.

Op en dag liep zij langs ’t putje
waar ze heel vaak zat,
te denken aan de mooie wonderen,
op haar gezicht een lach,
maar wat ze nu toch zag.

In het putje lag een glimmend dingetje,
te blinken in de plas,
ze bukte zich en pakte het,
om te zien wat dit voor wonderlijks was,
toen viel het in het gras.

Het begon meteen te fonkelen,
verspreidde felle kleuren,
het kleurde heel de wereld vol
en eindelijk was alles goed,
eindelijk had iedereen moed.

Barend het bokje

Het is wel meer dan een miljoen jaar geleden dat er grote dinosaurussen op de wereld waren. In diezelfde tijd liep ook een klein bokje genaamd Barend op de aarde rond. Barend was soms een beetje eigenwijs en deed dan precies wat hij wilde.

Op een dag liep hij door een stuk grasland en probeerde hij wat mals gras te vinden. Van dat lekkere, sappige groene gras. Maar het enige gras dat hij vond was geel en droog. Hij at het wel op want hij had honger, maar lekker vond hij het niet.

Opeens begon het hevig te regenen. En weet je wat raar was? Tegelijk met al die regen bleef toch de zon nog schijnen! Toen zag Barend een wonder gebeuren. Aan de hemel stond een grote boog met de prachtigste kleuren die je bedenken kunt! Rood, oranje, geel, groen en nog veel meer kleuren. Barend vroeg aan een oude bok, die vlak bij hem aan het eten was:
“Wat is dat nu voor moois?”
De oude bok zei dat hij het ook niet wist en maakte een grapje: “Als je de plaats kunt vinden waar het einde van die boog op de aarde staat, dan vind je daar het sappigste gras van de hele wereld!”

Die avond verliet Barend de kudde. Hij trok eropuit om het einde van de regenboog te vinden. Al gauw kwam hij bij een rivier. Daar moest hij overheen, maar hoe? Gelukkig stond er vlak bij de waterkant een grote brontosaurus, een dinosaurus met een hele lange nek. Barend vroeg aan de brontosaurus:
“Zou u mij naar de overkant kunnen brengen?”
Dat wilde het dier wel. Het ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Barend wipte met een flinke sprong boven op zijn rug. Samen liepen ze naar het water en de brontosaurus liep er een eindje in. Toen het te diep werd, deed de dinosaurus zijn nek recht naar voren zodat die een smalle brug vormde naar de overkant en zo wandelde Barend heel voorzichtig naar de kop. Toen hij halverwege was, draaide het dier zijn kop om.
“Duurt het nog lang?” vroeg de brontosaurus. “Ik begin een stijve nek te krijgen!”
Eindelijk was Barend aan de overkant en hij sprong van de kop op de grond.
“Nog bedankt, hè!” riep hij. Barend kon weer een eindje verder!

Al snel was er een tweede hindernis. Nu lag er een heel groot meer voor hem. Barend wist zeker dat hij over het water moest om het malse weitje te vinden. Maar kijk, daar zag hij een paar pteranodons! Dat zijn hele grote dinosaurussen met brede vleugels met een soort klauwen aan het uiteinde ervan. Hij stapte op het tweetal af en vroeg of ze hem naar de overkant van de rivier wilden vliegen. De kleinste van de twee vond dat wel een leuk idee. Zomaar met een bokje op je rug vliegen! “Stap maar op!” zei hij.
Barend sprong op de rug van het dier. De vliegende dinosaurus sloeg zijn grote vleugels uit en weg vloog hij. Maar zonder Barend! Die was van schrik van zijn rug afgevallen!

Met een bocht kwam de pteranodon teruggevlogen en meteen daarna stegen ze samen op. Bokjes hebben geen klauwen waarmee ze zich kunnen vasthouden, maar ze kunnen wel op gladde rotsen klauteren! Nu bleef Barend stevig op de rug van het beest staan. Af en toe keek hij even naar beneden en dacht: “Waar ben ik toch aan begonnen?” Maar na een kwartiertje vliegen daalde de dinosaurus en kon Barend zijn reis vervolgen. Maar eerst ging hij wat uitrusten. Barend ging liggen en was al snel in bokjesdromenland.

De volgende dag stapte hij stevig door. Toen hij boven op een heuvel kwam, zag hij opeens dat er voor hem een groot veld lag met allemaal dezelfde struiken. Hij liep eropaf en toen hij er dichtbij was, zag hij dat de struiken allemaal scherpe dorens hadden. Daar kon hij nooit doorheen! Maar wat liep daar? Een styracosaurus! Dat is een grote dinosaurus met een hele rij horens op zijn kop. Het dier liep recht op de doornstruiken af!
“Mag ik meerijden?” vroeg Barend. Het mocht gelukkig en al snel was hij op de rug van het dier geklommen. Hij drukte zich tegen de horens zodat hij niet zou vallen. Met een vaart stormde de styracosaurus door de struiken. Toch duurde het wel een uur voor ze er helemaal door waren. Barend bedankte het dier en vervolgde zijn tocht naar het einde van de regenboog.

En toen gebeurde er iets vreselijks! Het begon te regenen, maar de zon bleef ook schijnen. En wat zag Barend in de lucht? Juist, een prachtige regenboog. Maar nu stond die boog achter hem! Precies in de richting waar hij vandaan was gekomen! Zou de oude bok hem beetgenomen hebben? Daar leek het wel op. O, nu moest hij dat hele eind weer terug!

Maar zover kwam het niet. Opeens merkte hij dat hij aan de rand stond van een heerlijk malse weide! En hij was niet alleen! Ook in dit deel van het land woonden bokjes. Al gauw kon Barend heel goed opschieten met zijn nieuwe vrienden. Hij vond er ook nog een lief geitje en samen leefden ze daar nog lang en gelukkig.

Koning Daan moet nodig

Zoals elke dag was koning Daan
precies om acht uur opgestaan.
Hij deed zijn gouden slippers aan
en nadat hij zijn kroon had opgezet,
liep hij haastig naar het toilet.

Maar op het koninklijk toilet
hing een bordje met: BEZET!
De koning brulde kwaad:
‘Wie houdt daar mijn wc bezet?!
Dit is een koninklijk toilet!
Het is verboden wat u doet,
vooral omdat IK nodig moet.’ 

Maar het bleef merkwaardig stil.
Wie zat daar op zijn gouden bril?
Wie plaste in zijn pot van goud?
Wie was daar zo ontzettend stout?

Hij klopte op de deur en luisterde
toen hoorde hij een stem die fluisterde: 
‘Papa..?’
De deur klikte zachtjes van het slot
en wie zat daar snikkend op de pot?

‘t Was het kleine prinsje Jelle
hij huilde:’ ik moet je wat vertellen
er is daarnet iets misgegaan
ik heb het in m’n broek gedaan.’ 

‘Ach’, zei de koning en gaf Jelle een kus,
‘joh, dat overkomt iedereen wel es.
Zelfs een prins en zelfs een koning,
ik geef je zo wel een verschoning.
Wacht maar op de gang op mij
want ik moet er even bij.’ 

De koning deed de deur op slot
en ging snel zitten op zijn gouden pot.
Maar ‘ t was te laat, want voordat hij zat
was plotseling zijn broek kletsnat!

OEPS!!! 

Dus hier een goede raad van koning Daan:
altijd op tijd naar het toilet toe gaan!
Maar gaat het toch mis, dan weet je dus:
het overkomt iedereen wel es.

VOLG ONS

531FansLike
6VolgersVolg
42VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN