Het geheim van de verdwenen kousen

In de tuin heeft Noortje haar poppen op het speeldeken gelegd. Ze heeft tasjes en bordjes klaargezet. Noortje is echter verdrietig en boos. Ze wil niet met haar poppen spelen.
“Nee! Met jullie kan ik niet spelen,” huilt ze. Boos gooit ze de koffiekan van het speelgoedserviesje in de struiken.
Minou de poes, die lag te slapen, schrikt. Als een wervelwind vliegt de poes naar het tuinhuis achterin de tuin. Eenzaam blijft Noortje achter.
Luna en Sofie zijn haar beste vriendinnetjes. Maar nu…

“Noor! Stop met zeuren. Je mocht naar het feestje bij Luna, maar je wou niet!” roept moeder kwaad vanuit de keuken.
“Luna en Sofie hebben prinsessenkousjes. Die heb ik niet!” roept Noortje en ze stampt nijdig op de grond. “Ze spelen ‘prinsesje’.  Ik mag alleen meespelen als ik ‘tovenaar’ ben. Ik heb geen glinsterende prinsessenkousjes en dus ben ik geen prinses. Maar ik wil geen tovenaar zijn. Ik wil een echte prinses zijn!” klaagt ze.
“Noor! Zeur niet over kousen! Als je niet kan spelen met je poppen, kom je maar naar binnen. Dan kun je me helpen met de koekjes,” roept moeder.
Met een rood gezichtje komt Noortje de keuken binnen, plukt enkele versgebakken koekjes van de keukentafel en ploft zich neer op een keukenstoel.
Moeder noemt haar alleen ‘Noor’ als ze echt boos is. Zoals nu.
“Je hebt genoeg kousen. Oma heeft er voor jou met streepjes gebreid. En met Kerst heb je zelfs K3 kousjes gekregen,” zucht moeder terwijl ze verder werkt.
“Maar ik wil kousjes zoals Luna en Sofie! Ik wil een prinses zijn en geen tovenaar,” weent Noortje.
“Noor! Voor de zoveelste keer: ik koop geen kousen met glitter. Je hebt genoeg kousen.”

De volgende morgen kan Noortje haar K3 kousjes niet vinden.
Ze had die gisterenavond toch klaargelegd? Ze begrijpt het niet. Ze lagen op haar rode jeansbroek samen met haar K3 bloesje. Nu zijn de kousjes weg. Noortje kruipt op de grond, kijkt onder haar bed, tilt zelfs de mat omhoog. Maar ze kan ze niet vinden.
Traantjes staan in haar ogen.
Moet ze nu met haar witte sokjes naar school? Nee! Witte sokjes zijn zo ‘gewoon’, denkt ze en ze doet dan maar de streepjes kousjes van oma aan.

Maar wat gebeurt er?
Op school hebben Luna en Sofie witte kousjes aan! Geen glitterkousjes!
“Spelbreekster! Waar zijn onze kousjes?” sist Luna als ze Noortje ziet. Noortje begrijpt het niet.
“Wat? Ik heb jullie kousjes niet. Ik heb mijn oma-kousjes aan want mijn K3 kousjes zijn weg,” snikt Noortje onbeheerst. Tot haar verbazing voelt ze de troostende arm van Sofie rond haar tengere schouders.
“Mijn prinsessenkousjes zijn ook verdwenen. Deze nacht! Zomaar!” fluistert Sofie en ze kijkt angstig om zich heen.
“Kousen kunnen zomaar niet verdwijnen!” Noortje zegt het héél hard. Het wordt muisstil en dan…
“Ik ben mijn berenkousjes kwijt,” zegt een kindje uit de klas.
“Mijn broer kan zijn kabouterkousjes niet vinden,” zegt een ander kindje.
Iedereen van de klas is kousjes kwijt. Hoe kan dat nu?

Die avond gebeurt er bij Noortje thuis iets héél geheimzinnig.
Vliegensvlug eet Minou haar kommetje gulzig leeg. Noortje kan haar niet aaien, zo vlug is ze weg.
Noortje rent haar nieuwsgierig achterna. De tuin door, tot aan het tuinhuis.
Waar is Minou gebleven? Noortje ziet haar niet meer. Is ze misschien toch door een gat in het tuinhuis kunnen kruipen?
Noortje duwt de struiken weg om door de ramen van het tuinhuisje te kijken.
“Miauw… Miauw… Miauw…” Het klinkt heel zachtjes.
Dan ziet ze het. Op een gekleurd nestje ligt Minou met zes kleine poezenhummeltjes!
De poes heeft een heerlijk zacht bedje gemaakt voor haar kleintjes. Een zacht bedje van kousjes. Wie had dat gedacht?
Prinsessenkousjes…
Noortjes K3 kousjes…
Kabouterkousjes…

De volgende dag nodigt Noortjes moeder alle kindjes van de klas uit. Iedereen krijgt taart en limonade. Noortje en haar moeder hebben een verrassing!
De kindjes mogen door de ramen van het tuinhuis kijken.
Ze moeten wel héél stil zijn.
“Miauw… Miauw… Miauw…” Minou zit nog steeds op het kousenbedje met haar kleintjes.
“Mijn kabouterkousjes…”
“Mijn prinsessenkousjes…!”
“Mijn…”
Elk kindje ziet wel iets dat verdwenen was.
“Minou mag onze kousjes hebben voor haar baby’tjes! Wij spelen wel zonder onze kousjes en iedereen mag meespelen,” zegt Sofie.

Afbeelding van Kruscha via Pixabay

“Joepie! Het is feest. Iedereen mag meespelen!” roept Noortje.
De kindjes mogen in de koekentrommel zelfs lekkere koek met chocolade nemen.
“Zelfgemaakt!” zegt Noor fier en mama glimlacht.
Nu zijn er geen glitterkousjes nodig om samen te spelen. Daar heeft Minou voor gezorgd!

Het mislukte toverdrankje

Tovenaar Gigamel was al vele jaren de beste tovenaar van het land. Weet je waar hij vooral beroemd om was? Hij kon mensen veranderen! Zo kon hij voor dames met veel te grote voeten, kleinere voetjes toveren of mannen met punthoofden een mooi rond hoofd geven.

De tovenaar was niet goedkoop en de meeste mensen die bij hem kwamen, waren dan ook hele rijke mensen. Voor een paar kleinere voetjes moest je toch al snel een flinke zak met goud voor de tovenaar meebrengen!

Gigamel had nog nooit een fout gemaakt en iedereen was altijd heel tevreden geweest over zijn werk. Vandaag had de tovenaar wel een heel bijzondere klant. Het was prinses Mara, de jongste dochter van de koning. Zo’n belangrijke klant had hij nog nooit gehad. Als alles nu maar goed ging!

Hij moest ervoor zorgen dat de prinses een mooiere neus kreeg. Het arme kind had namelijk zo’n puntige neus, dat ze soms bang was om mensen pijn te doen wanneer zij ze een kusje gaf. De tovenaar zou haar een mooi klein neusje geven. Hij had alles wat hij nodig had voor zijn toverdrank de vorige dag al klaargezet.

Zodra Mara zijn huis binnenkwam, ging Gigamel aan het werk. Hij roerde de toverdrank nog eens goed door en gaf Mara alvast het eerste bekertje te drinken. Er gebeurde nog niets, maar dat had de tovenaar ook niet verwacht! Pas na het derde bekertje zou het gebeuren. Mara dronk even later ook haar tweede beker leeg. Toen gebeurde er iets dat Gigamel niet had verwacht. Mara liet een zacht geknor horen. Dat was vreemd! De tovenaar gaf haar snel het derde bekertje.

Hij keek eens goed naar de prinses. Maar wat zag hij daar! De neus van Mara werd steeds groter en dikker. Haar neusgaten stonden helemaal vooraan in die dikke neus. Haar benen en haar armen werden kleiner en even later ging ze op handen en voeten lopen.
De tovenaar schrok zich een hoedje! De prinses veranderde langzaam maar zeker in een varkentje! Wat was er nu toch fout gegaan?

Afbeelding van Jazella via Pixabay

Hij ging zo snel mogelijk naar zijn toverwerkplaats. En daar zag hij het meteen. Op zijn takenbord stond: kerrie en gemalen kattenharen kopen. Nu wist hij het weer! De kerrie had moeten zorgen voor een goed ruikende neus en door de kattenharen zou de prinses een leuk poezenneusje krijgen!

Ach, dacht de tovenaar, iedereen maakt wel eens een foutje. Maar hoe kon hij ervoor zorgen dat het varken weer een prinses werd? Hij begon meteen in dikke boeken te snuffelen. Ha, daar stond iets over het omtoveren van een varken in een mens. Hij keek of hij alle ingrediënten voor het drankje in huis had. Ja, hoor, geen probleem. Vlug ging hij aan het werk.

Na een half uur stond er een toverdrankje op het vuur te pruttelen. Toen de drank klaar was, goot hij een flinke slok in de bek van het varken. Hij hield het varken goed in de gaten. Veranderde er al iets? Ja, het leek wel of de neus van het dier wat minder groot werd. Hij gaf het varken nog een slokje. Maar het spuugde de vies smakende drank meteen weer uit. Dan morgen nog maar eens proberen, dacht de tovenaar.

De volgende morgen werd hij al vroeg wakker, omdat er iemand op de deur stond te bonzen. Het was een deftige meneer uit het paleis. Hij wilde weten waarom prinses Mara de vorige avond niet thuis was gekomen. De tovenaar legde uit dat het kleiner maken van de neus van de prinses nu eenmaal niet in één dag lukte en de man vertrok weer.

Snel liep de tovenaar naar de kamer waar hij het varken voor de nacht had opgesloten. Hoera, de drank leek te werken! Het varken had een meisjesgezicht gekregen met een heel mooi neusje. Maar verder was het nog steeds een varken! Met korte pootjes en een krulstaart, die een beetje krap in het broekje van de prinses leek te zitten. Met een schaar maakte hij een gaatje in het broekje. De staart trok hij voorzichtig door het gaatje naar buiten. Het dier keek hem dankbaar aan.

Met veel moeite kreeg de tovenaar weer een paar slokken drank bij het varken naar binnen. Nu het dier het gezicht van een meisje had, ging het gelukkig wel iets gemakkelijker. Weer ging er een dag voorbij. Weer kreeg de tovenaar een boze man uit het paleis aan zijn deur en weer sliep de arme man die nacht slecht.

De volgende dag ging Gigamel al heel vroeg bij de prinses kijken. Ha, dat zag er een stuk beter uit! De korte voorpootjes waren weer armen met handen geworden en aan de achterpoten zaten weer voeten. Maar de achterpoten waren nog wel veel te kort. En het krulstaartje kwam nog steeds uit het broekje! Dus gaf hij nog maar een beetje toverdrank. De prinses dronk het spul met een vies gezicht op. Praten kon ze nog steeds niet!

Gelukkig ging alles nu vlug. Binnen een uur was de krulstaart verdwenen en de achterbenen van de prinses waren nu ook weer zoals vroeger. “Kan je nog steeds niet praten?” vroeg de tovenaar.

Toen deed de prinses haar mond voor de eerste keer weer open. Ze zei: “Gemene tovenaar! Ik heb nu al drie dagen geen hap eten van je gekregen en alleen maar af en toe een smerig drankje! En waarom heb je mijn mooiste broekje kapotgeknipt?”

De tovenaar vertelde haar eerlijk wat er was gebeurd en toen Mara alles had gehoord, was ze toch wel erg blij dat Gigamel haar weer had teruggetoverd. Toen ze even later in de spiegel zag hoe mooi haar neus was geworden, was ze dubbel zo blij.
“Ach tovenaar,” zei ze, “een foutje maakt iedereen wel eens!”

Meertje

Vosje woont in een huisje met een dak van mos.
Hij is een echte vos, want hij houdt van graven.
Hij houdt van stoute dingen.
Maar ook heel erg van zingen.

Het liefste gaat hij alle dagen.
Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat de kippen op jagen. 
Maar nee, vandaag niet.
Want vandaag is de dag
Dat Vos voor het eerst alleen met zijn vriendjes naar het meertje mag.

Vos die kijkt heel blij en tevree.
En denkt wat moet er eigenlijk allemaal mee. 
Hij loopt naar de badkamer en pakt alvast
Zijn handdoek, borstel en Shampoo uit de kast.

Dan kijkt hij naar de wastafel en daar staat zijn tandenborstel op de hoek.
Op de grond ligt nog een onderbroek. 
Hij doet ze allemaal in zijn tas. 
Hij pakt nog een opblaaseend, een bal, en ow denkt hij ook nog een trein. 

Hij trekt zijn jas aan
En is klaar om te gaan. 
Maar owjee,
Hij krijgt zijn tas niet mee. 

Vos denkt hoe kan dat nou, en kijkt om. 
Vosje vosje vos zegt hij tegen zichzelf wat ben je toch dom. 
Dit kan toch niet allemaal mee. 
Hij maakt zijn tas open. 

En denkt wat heb ik nu allemaal nodig. 
Een borstel? Nee die kan weg. 
En de trein en de bal kan ook weg. 
Alleen de handdoek , onderbroek, opblaaseend, en zwembroek mogen mee. 
Nu kan de tas wel om,
Vos kijkt tevree. 

Dan hoort hij gepiep ,
Vos, piept muis, mag ik ook mee?
Muis heeft zijn zwembroek al aan
En is klaar om te gaan. 
Tuurlijk mag je mee, zegt Vos. 
Dan gaat de deurbel: het zijn egeltje Mos,
en das. 
Vos is helemaal in zijn sas. 

Hij is zo ontzettend blij. 
Samen lopen ze naar het meertje.
Maar dan zien ze Klein beertje. 
Hij is verdrietig en huilt. 
Vos vraagt wat er is. 
Hij zegt, het zijn vriendjes die ik mis. 

Ow, zegt vos, dan ga je toch mee ons mee. 
Er kan altijd een vriendje bij. 
Beertje is heel erg blij. 

Eenmaal bij het meertje aan gekomen
leggen ze de handdoeken en tassen tussen de bomen. 
Iedereen duikt en plonst in het water. 
Vos die neemt een hele grote sprong en duikt zo het water in. 

Afbeelding van Alain Audet via Pixabay

Maar wat is dat nou. 
Waar is vos?
Das duikt zo naar de bodem van het meertje.
En brengt Vos aan de kant samen met beertje. 
Vos die hoest en proest en hij zegt: met die staart kan ik niet zwemmen. 
Ik wil staart terug, snikt hij. 

Nu is hij met zijn nieuwe staart niet zo blij. 
Want de staart is van wol. 
En zuigt zich zo helemaal met het water vol. 
En zakt hij zo naar de bodem van het meertje. 
Ik weet wel wat, zegt beertje. 

Deze staart is nu even overbodig. 
Vos, jij hebt een zwemstaart nodig. 
Beertje rent naar zijn huis. 
Hij komt terug met een schaar,
plastic tasjes en een plastic lint. 

Hij begint te knippen en te plakken. 
En zegt: tadaaa! Kijk maar eens vos wat je hiervan vindt. 
Vos is helemaal blij en legt zijn staart te drogen. 
Hij zegt deze staart kan er ook nog wel bij. 
Nu heb ik twee staarten een voor op het land en een voor in het water. 

Vos neemt weer een hele hoge sprong. 
Plons, hij duikt zo in het water. 
Hij krijgt complimenten van de vissen voor zijn mooie gekleurde staart. 
En de dag gaat zo voorbij met een sneltrein vaart.

Dan pakt iedereen zijn tas. 
En gaat naar huis. 
En vos zegt: dat was
me een dagje he muis. 

En eenmaal thuis hangt vos zijn zwemstaart in de kast.
Zo, nu heb ik er nog een staart bij,
zegt hij. 

En hij gaat naar bed en lekker slapen. 
En dromen over beertje,
zwemstaart en het meertje. 

Je moet trappelen

Haar hele bed lag vol met zachte knuffels, maar haar favoriete puppyhond kon ze niet vinden. Ze had onder het bed en dekbed gekeken, maar daar lag hij niet. Waar was puppyhond toch? Het was een kleine, bruin met witte knuffel. Volgens moeder was het eerder donkerbruin met zwart en rook hij vies. Dat vond Sanne helemaal niet. Puppyhond rook gewoon naar puppyhond.

“Je moet nu gaan slapen lieverd,” zei mama.
Maar hoe dan? Slapen zonder puppyhond kan echt niet!
“Eén nachtje. Morgen is puppyhond weer terug.”
Sanne wilde niet morgen, ze wilde nu! Ze was bang in het donker, zonder puppyhond.

Het geluid van de regen tegen het slaapkamerraam en het draaien van de wasmachine waren veel enger dan anders nu puppyhond er niet bij was. En de kleren op haar stoel leken wel een monster. Haar onderlipje trilde.
Nu moest Sanne huilen. Heel hard. Dat wilde ze niet, maar de tranen gleden zo over haar wangen op haar kussen. Ze streek ze weg, maar er kwamen steeds nieuwe tranen. Haar kussen werd natter en natter! En Sanne werd banger en banger. Als het water zo uit haar ogen bleef lopen, dan zou haar kamer helemaal vollopen met water. Vreselijk!

Sanne kroop op haar knieën naar het randje van haar bed. Stevig hield ze zich vast aan de stangen van het hoofdeinde, toen ze voelde dat het bed bewoog. Nu kon ze het water niet meer van haar wangen vegen, want als ze los zou laten dan zou ze van het bed vallen. Ze voelde dat het bed dreef.
Als ze nu eens kon stoppen met huilen, dan zou het water ook niet verder stijgen. Maar de tranen kwamen gewoon vanzelf. Hoe hoger het water kwam, hoe harder ze huilde.

Ze zag, in het zwakke licht van haar nachtlampje, dat het monster op haar stoel in het water zakte. Haar knuffels waren van het bed gevallen en het water had de pijpen van haar pyjamabroekje bereikt.
Ze gilde toen ze haar knuffels zag drijven. Haar natte pyjama voelde erg zwaar. Opeens hoorde ze een zacht stemmetje in haar hoofd, die zei dat ze rustig moest blijven. Je moet niet bang zijn, zei het stemmetje. Wie was dat stemmetje?
Het water was inmiddels gestegen tot aan haar middel. Je moet trappelen, Sanne, fluisterde de stem in haar oor.

Sanne trappelde en het water spetterde. Dat was eigenlijk best leuk. Ze ging zitten en bewoog haar benen heen en weer. Steeds harder, toen ze zag dat het water tegen de muren spetterde en op de knuffels belandde. Ze kon er zelfs een klein beetje om lachen. Toch keek ze nog rond waar het monster was gebleven.
Niet bang zijn Sanne, het monster is alleen eng als je bang voor hem bent. Weer die stem.

De knuffels hadden gezien dat Sanne aan het trappelen was. Dat deden ze nu ook. Beer spetterde naar Konijn. Die keek verontwaardigd. Haar drieling poppen Anne, Hanne en Sanne begonnen te giebelen: het was een grappig zicht, de druppels die naar beneden bengelden aan de snorharen van Konijn. Konijn probeerde z’n verontwaardigde gezicht vol te houden, maar het lukte niet, ook Konijn begon te lachen. En spetterde terug, naar meneer Beer.

Sanne hoorde nu alleen nog het geluid van giebelende spelende knuffels en spetterend water. De enge geluiden waren verdwenen. Het waren alleen nog geluiden plezier.
Er kwam abrupt een einde aan het spelplezier toen haar slaapkamerraam openvloog en ze allen met de stroom van het water naar buiten dreven. Het water verspreidde zich en daar lagen ze dan samen, gierend van het lachen op het grasveld.

Het was al licht toen ze moeders stem hoorde.
“Wat is hier gebeurd!”
Sanne streek met haar vuistjes door haar ogen. Ze zag dat ze tussen haar kleren en knuffels op de grond lag. Haar dekbed lag deels aan het voeteneinde van haar bed en deels op de grond. Ze voelde haar pyjama, haar kussen, alles was kurkdroog.
“Niets,” giebelde ze.
“Malle meid, kijk eens wie ik hier heb.”
“Puppyhond!” Sanne stak haar handen uit. Ze drukte haar favoriete knuffel stevig tegen zich aan, maar hij rook niet meer hetzelfde.
“We moeten opschieten lieverd. Je eerste zwemles vandaag.”
Sanne zette puppyhond op de vensterbank.
“Moet hij niet mee?” vroeg moeder niet begrijpend.
Sanne schudde haar hoofd. “Daar heeft hij niets aan. Hij mag toch niet mee het water in.”
Moeder krabde zich een keer achter haar oren, maar Sanne had geen zin om het uit te leggen. Als ze een nachtje zonder puppyhond kon, dan kon ze ook wel een dagje zonder puppyhond.

Ze huppelde vooruit en moeder had moeite om haar tempo bij te benen.
“Vind je het dan niet eng?”
“Zwemles? Ik ben niet bang voor water.”
“Gisteren zei je nog wat anders.”
“Dat was gisteren. Nu ben ik niet meer bang voor het water.” Wist moeder veel dat ze vannacht al had gezwommen. Het was haar geheimpje. Niets was meer hetzelfde als gisteren.
“Als Jordy bang is, mag hij puppyhond wel hebben hoor.” Jordy was haar kleine broer.
“Dat is lief meisje, maar weet je dat wel zeker?”
Sanne hoorde moeder niet meer. Ze stond al op haar teentjes voor het loket. “Ik kom voor de zwemles,” zei ze trots tegen de mevrouw achter het loket.

Even later liep Sanne in haar badpak met een stel andere kinderen achter de badjuffrouw aan.
“Ik ben voor het eerst,” fluisterde Sanne tegen het meisje naast haar. Een jongetje achter haar huilde.
“Ben jij bang voor water?” vroeg ze het jochie. Hij knikte en streek de tranen van zijn wangen.
“Je moet niet bang zijn. Je moet gewoon trappelen,” fluisterde Sanne.

Afbeelding van Jan Haerer via Pixabay

De trieste draak

Ergens heel ver hier vandaan lag vroeger Drakenland, waar heel veel draken woonden. Eén van die draken heette Drakan. Drakan hoorde bij de familie Draka en dat was de belangrijkste familie van het land.
Andere families heetten Dreka, Drika, Droka, Druka of Drijka. Maar geen van die families was zo belangrijk als de familie Draka. Daar kwamen namelijk de koningen en de ministers van het land vandaan en de vader van Drakan was koning Drakam!

Drakan kon op school heel goed leren. Als je hem iets vertelde, dan vergat hij dat nooit meer! En als hij eenmaal iets had gedaan, dan wist hij jaren later nog steeds hoe je zoiets moest doen. Toch was Drakan wel een beetje triest. Jarenlang wist hij niet dat hij iets heel belangrijks miste, maar op een kwade dag ontdekte hij dat toch.

Die bewuste dag was hij met een aardig drakenmeisje aan het rondwandelen door de bossen. Het meisje had een grote tas bij zich en na een lange wandeling maakte ze de tas open. Ze haalde een kleine barbecue met een mals kippetje en een voorraadje barbecuekooltjes tevoorschijn.

“Drakan, wil jij de kooltjes even aanmaken?” vroeg ze. Nu kunnen alle draken vuurspuwen, maar Drakan had het nog nooit geprobeerd. Hij haalde eens diep adem en blies die toen door zijn neusgaten naar buiten. En weet je wat er toen gebeurde? Helemaal niets!
De lucht die uit zijn neus kwam was niet eens warm! Het drakenmeisje liep woedend weg en Drakan bleef alleen achter bij de koude kip.

Al gauw wist bijna iedereen in Drakenland dat Drakan geen vlammen uit zijn bek kon krijgen. De arme jongen werd er vreselijk mee gepest. Een draak zonder vlammende bek is eigenlijk alleen nog maar een soort hagedis, zeiden de anderen. Ze riepen hem na: “Drakan, malle Jan. Waar is je vlammende bekje dan?”

Toen het pesten een maand of twee had geduurd, was Prins Drakan het zat. Terwijl iedereen sliep, sloop hij het Drakenpaleis uit. Hij had geen idee waar hij heen zou kunnen gaan. Niemand verliet ooit de stad waar hij geboren was. Alleen in de bossen rondom die stad, daar wandelden ze wel eens. Zoals toen met dat drakenmeisje.

Hij had al de hele dag flink doorgelopen, om zo ver mogelijk van de hoofdstad vandaan te komen. Weg van al die pestkoppen. Maar nu begon het donker te worden. Drakan keek om zich heen en zag een kleine grot. Hij besloot de nacht daar maar in door te brengen.

De volgende dag liep hij weer verder. Hij hoopte maar dat hij steeds verder van de hoofdstad vandaan liep en niet in een kringetje. Toen kwam hij langs een snelstromende beek. Opeens hoorde hij iets verderop een plons. Het klonk alsof er iemand in het water viel. Hij zag opeens een vreemd wezen met een bos vuurrood haar in het water voorbijkomen. Hij begreep meteen dat het vreemde wezen bezig was te verdrinken.
Snel stak hij zijn lange drakenstaart in het water en ja hoor, zijn plannetje lukte! Het dier, of wat het dan ook was, pakte met zijn voorpoten de staart beet en Drakan sleepte het naar de kant. Het vreemde wezen ging overeind staan op twee achterpoten. Je hebt vast al door dat het vreemde wezen gewoon een jongetje met rood haar was! Maar in Drakenstad kwamen nooit mensen en Drakan had er dan ook nog nooit één gezien.

De jongen ging voor de draak lopen en wenkte met zijn hand dat Drakan hem moest volgen. Na een poosje kwamen ze bij een hut. Een oude man kwam ze tegemoet.
“Wat is er gebeurd?” vroeg hij aan de jongen.
Die vertelde hoe hij door de draak was gered. Drakan begreep niet wat er gezegd werd. Gelukkig sprak de oude man een paar woorden Drakentaal en hij zei: “Ik ben heel blij dat je mijn zoon gered hebt. Kan ik misschien ook iets voor jou doen?”
Welnu, Drakan wist wel iets! Hij haalde eens diep adem en blies toen zijn adem weer hard uit. Weer gebeurde er helemaal niets.
“O, ik merk het al,” riep de man. “Misschien kan ik je wel helpen.”

De volgende dag ging de oude man, die eigenlijk een tovenaar was, allemaal vreemde dingen zoeken. Hij kwam thuis met een vuursteen, vuurvliegjes, bessen van de vuurdoorn, vuurpadden en nog een paar dingen. Hij maakte er met speciaal vuurwater een papje van. Hij smeerde het op de lange nek van de draak. Daaromheen deed hij een warm verband. “Zo twee dagen laten zitten,” zei hij.

Na twee dagen ging het verband eraf.
“Probeer het nu nog maar eens,” zei de tovenaar.
Drakan haalde weer diep adem en blies door zijn neusgaten uit. Hij wist niet wat hij zag! Uit zijn twee neusgaten kwam een flinke steekvlam naar buiten. Een struikje vlak bij hem vloog in brand en als de tovenaar er niet snel wat water overheen had gegooid, was het nog een bosbrand geworden ook!

Gelukkig wist de oude tovenaar ook hoe Drakan moest lopen om weer thuis te komen. Na een paar dagen liep hij de hoofdstad weer binnen. De eerste die hij tegenkwam, riep zodra hij Drakan zag: “Drakan, malle Jan. Waar is je vlammende bekje dan!”
Prins Drakan haalde even diep adem en twee tellen later rende de pestkop huilend naar huis omdat hij zijn billen had gebrand! Daarna werd Drakan nooit meer gepest en de nu niet meer triestige draak werd later een goede koning!

Afbeelding van chiplanay via Pixabay

De scheur in de klok

Het was een drukke dag geweest voor Jered. Hij had ’s morgens en ’s middags met zijn vriendjes gespeeld. Toen hij die avond in zijn bed lag, wilde hij alleen nog maar slapen.
En anders niets!

Jammer genoeg kon hij maar niet in slaap komen. Hij hoorde om een uur of elf dat zijn papa en mama naar bed gingen en nog steeds sliep de arme jongen niet. Hij was die dag gewoon veel te druk in de weer geweest.

Toen hij de klok beneden twaalf uur had horen slaan, besloot hij even naar beneden te gaan. Hij liep zo stilletjes als hij kon de trap af. Natuurlijk wilde hij papa, mama en zijn zusje Mara niet wakker maken! Hij liep de huiskamer binnen en keek daar even rond. Tegen één muur stond de grote staande klok. Hij keek nog even hoe laat het was. Ja hoor, al kwart over twaalf! Dan moest hij toch maar weer naar zijn bed gaan. Zou het nu lukken om in slaap te vallen?

Toen Jered terug in zijn slaapkamer was, moest hij opeens weer aan de grote klok denken. Had hij zich dat nu verbeeld? Of zat er echt een scheur in de zijkant van de mooie klok? Jered móest weten of de klok echt gescheurd was en heel zachtjes liep hij weer naar beneden. In de kamer liep hij naar de klok toe en ja, hoor: aan de zijkant zat echt een flinke, brede scheur. Dat niemand dat nog ontdekt had! Dat moest hij morgenochtend meteen aan papa vertellen. Misschien kon de klok nog gemaakt worden!

Hij keek nog eens goed naar de scheur. Wat gebeurde er nu? Er kwam iets uit de scheur naar buiten! Stokstijf bleef Jered staan. Hij kon zijn ogen niet geloven! Langzaam maar zeker stapte er een heel klein kereltje met een rode punthoed op zijn hoofd naar buiten. “Ha, Jered!” zei de kabouter. “Heb ik je erg laten schrikken?”
Jered kon toch moeilijk zeggen dat hij het heel gewoon vond, dat er een kabouter uit de klok kroop. Dus zei hij maar: “Ach, beste kabouter, je hebt me maar een klein beetje laten schrikken.”
“Ik ben eigenlijk geen kabouter,” zei het mannetje. “Ik ben de Tijdgeest!”
Daar had Jered nog nooit van gehoord.
“Kom maar eens met me mee in een reis door de tijd,” zei de Tijdgeest.

Jered stapte wat dichter naar de klok toe en opeens voelde hij zich slaperig worden. Voor hij het wist, stond hij aan de rand van een geweldig grote zandvlakte. Daar waren een heleboel mensen bezig om met grote stenen een soort hoge berg te bouwen. De berg had vier zijvlakken en opeens wist Jered wat het was! Hij keek in Egypte naar de bouw van een piramide! Samen met de Tijdgeest liep hij naar de bouwers toe. Opeens kronkelde er een dikke slang recht op Jered af. Tot zijn grote verbazing kroop het dier dwars door hem heen! “Kan die ons niet zien?” vroeg hij.
“Nee,” antwoordde de Tijdgeest. “Niemand kan ons zien staan. Zeg, Jered, zullen we nog wat verder gaan?”

Nu stond de jongen opeens in een groot, groen oerwoud. Prachtig gekleurde vogels vlogen heen en weer. Maar er waren nog meer dieren! Opeens hoorde Jered een geluid alsof er een zware trein aan kwam daveren. Hij keek eens in het rond en ja hoor, daar zag hij een enorme dinosaurus! Hij was heel ver weg, in een heel oude tijd terechtgekomen. Hij keek de Tijdgeest aan. Al die grote beesten, dat werd hem toch wel iets te veel. “Als je het niet erg vindt, zou je me dan weer in ons eigen huis willen terugbrengen?” vroeg hij bedeesd.
“Natuurlijk!” zei het kleine mannetje en hop, daar was de kamer met de grote klok al! De Tijdgeest kroop door de scheur de klok weer in en Jered dook meteen terug in zijn bed. Een paar tellen later was hij al in slaap.

De volgende morgen liep hij meteen naar de klok toe. Zou de scheur er nog zijn? Maar hoe Jered ook zocht, nergens was meer een scheur te vinden. Zou hij soms alles gedroomd hebben?

Afbeelding: AKS.9955Longcase clockCC BY-SA 4.0

Mies de nep spin

Pudding4brains, Opilio canestrinii (compositie), marked as public domain

Spinnen. Ze geven me de kriebels. Mama zegt dat als je ergens bang voor bent, je het een naam kunt geven. Dan wordt het vanzelf minder eng. Dat heb ik gedaan met Mies. Mies is een gewone hooiwagen spin. Je hebt ook de bonte hooiwagen. Die dragen een dik jasje. Mies loopt liever in haar blootje. Ze is eigenlijk geen echte spin, want echte spinnen hebben een aparte kop en een aparte buik. Bij Mies zit alles in één klein pakketje. Toch noem ik haar een spin, omdat ze er wel zo uit ziet.

Pudding4brainsOpilio canestrinii (compositie), publiek domein

Ik denk dat Mies een vrouwtje is. Eigenlijk weet ik niet hoe je kan zien bij een hooiwagen of het een vrouwtje of een mannetje is. Maar het idee dat Mies een spin-vriendin is, vind ik leuker. Ze zit vaak op mijn spiegel om zichzelf goed te bekijken. Dan draait ze rondjes als een echte ballerina.

Ik ben blij dat Mies geen kruisspin is. Het lichaam van een kruisspin is heel dik met korte harige pootjes. Om elkaar te herkennen hebben ze een grote tattoo van een kruis op hun rug. Ze hebben ook hun eigen club waar je alleen in mag als je ook zo’n tattoo hebt. In de avond als iedereen slaapt, verzamelen ze. Dan rennen ze met zijn allen zo door andermans webben heen. Die maken ze kapot zodat zij de meeste vliegen kunnen vangen.     

Mies is meer een klein bolletje. Haar pootjes zijn lange dunne stokjes. Daardoor lijkt ze heel groot, maar eigenlijk is ze heel klein. Ze past wel meer dan achthonderd keer in mij. Als Mies zo groot was, dan zou ze de koningin van de spinnen zijn. Iedereen zou naar haar luisteren. Ze zou de kruisspinnen bevelen aardig te zijn, anders zullen ze in de WC gegooid en doorgespoeld worden. Bevend van angst bieden ze hun excuses aan en beloven het nooit meer te doen.  

Mies is wel gehandicapt. Ze is in de plaats van een achtpotige, een zevenpotige hooiwagen. Misschien is ze wel zo geboren, maar het kan ook dat onze poes dat heeft gedaan. Mies loopt af en toe op de grond en onze kat gaat dan met haar spelen. Daar wordt Mies bang van en dan doet ze net alsof ze dood is. Ze kan ook een pootje loslaten om Poes in de war te maken. Poes begrijpt er dan niets meer van. Dan rent Mies heel snel met haar zeven pootjes de muur weer op. En als poes ‘s nachts slaapt, dan komt ze vast stiekem weer terug om haar pootje op te halen. Die plakt ze dan misschien weer met plakband aan haar lijfje vast.

Stel dat Mies mee zou doen aan de spin-Athlon, dan zou ze alsnog wel alles kunnen. Ze kan heel goed ondersteboven rennen. Zo hard, dat je niet eens merkt dat ze één poot mist. Ze kan ook heel stil blijven zitten. Ze kan alleen geen web maken, maar dat kunnen alle hooiwagens niet.

Toen mama Mies voor het eerst zag, begon ze te gillen. Ze rende weg uit mijn kamer en kwam terug met een krantje opgerold in haar hand. Ik zei dat ze Mies niet mocht doodmaken. Ze was niet meer eng en ze deed toch niets. Mies is onschuldig!  Ze beschermt mij terwijl ik lekker lig te slapen, zodat ik niet gestoken word door die stomme muggen.
“Maar als ze nou eitjes gaat leggen?”
Dat doet Mies niet. Moest IK mama nu gaan uitleggen dat Mies als mevrouwtjes hooiwagen daar ook een meneren hooiwagen voor nodig heeft. En die heeft ze niet. Mies is alleen.

Ik vraag me af of spinnen wel eens struikelen over hun eigen poten. Ik struikel wel eens over mijn eigen voeten en ik heb er maar twee. En als een spin springt als ze ondersteboven hangt, valt ze dan naar beneden? Ik heb dat nog nooit gezien. Als Mies dat zou doen, dan zou ze nu op mijn gezicht belanden. Ik denk dat ik dan heel hard zou gillen.

Hooiwagens zijn gelukkig niet giftig. Ze jagen op kleine insecten en die zuigen ze dan met een mini spinnen rietje leeg. Net zoals ik dat doe met mijn pakje chocomelk. Die blijft dan plat achter en dan gooi ik hem in de prullenbak.

Als je Mies laat schrikken, dan laat ze een windje. Ik ruik die niet, maar als het op een ander insect komt, dan stinkt die een uur in de wind. Net een stinkdier.

Mama kwam boos mijn kamer binnen. Mies was blijkbaar toch niet alleen. Ze heeft een hooiwagen meneer gevonden waarmee ze samen allemaal kleine hooiwagen baby’s heeft gekregen. Mama wilde ze opzuigen. Ik heb ze snel in een doosje gedaan en ze buiten neergezet, vlakbij een uitgeholde boom. Dan kunnen ze daar gaan wonen.
Ik heb er stiekem wel één gehouden. Want zonder hooiwagen kan ik nu echt niet meer slapen.

Kevertje en het hobbelpaard

Afbeelding van OpenClipart-Vectors via Pixabay

Het was woensdagmiddag en de regen kwam met bakken uit de hemel. De bomen werden door de harde wind flink heen en weer geschud. Maar Kevertje vond het niet erg, want hij mocht bij Daniël thuis spelen! Hij wist dat Daniël een prachtig hobbelpaard op zijn slaapkamer had staan en hij kon niet wachten om dat eens uit te proberen.

Terwijl Daniël een racebaan voor zijn autootjes aan het bouwen was, hoorde hij ineens een gepuf en gekreun. “Kevertje?” vroeg hij en keek verbaasd om zich heen. En ja hoor, daar zag hij Kevertje op de rug van het grote hobbelpaard driftig heen en weer bewegen. Maar het hobbelpaard zelf verroerde geen vin. Bij wijze van spreken dan, want paarden hebben natuurlijk geen vinnen.

“Ik vrees dat je hobbelpaard kapot is,” zei Kevertje. Daniël begon te lachen. “Maar nee, Kevertje, je bent gewoon niet zwaar genoeg.”
“O, nu snap ik het,” knikte Kevertje een beetje droevig. Voorzichtig kroop hij van het hobbelpaard af en keek Daniël met zijn schattige insectenoogjes aan. Ineens kreeg Daniël een idee. “Speel jij maar wat verder, Kevertje, ik ga een verrassing voor je maken. Ik ben zo terug.”

Afbeelding van OpenClipart-Vectors via Pixabay

Kevertje was heel benieuwd naar wat zijn vriendje van plan was. Ondertussen kroop hij in een speelgoedautootje van Daniël en fantaseerde hij dat hij aan een racewedstrijd mee deed. Wat was dat leuk! Maar hoeveel plezier Kevertje ook had, hij vond het nog steeds erg jammer dat hij niet op het hobbelpaard kon. Soms was het toch niet zo leuk om klein te zijn.

Maar wacht eens, daar hoorde hij iemand de trap opkomen. De deur vloog open en daar stond Daniël in de deuropening. Hij hield iets kleins in zijn hand.
Nieuwsgierig kwam Kevertje dichterbij gekropen.

“De verrassing is klaar! Doe je ogen maar dicht, Kevertje,” zei Daniël tegen zijn kleine insectenvriendje.
Kevertje kneep snel zijn oogjes dicht en wachtte vol spanning af. Hij hoorde hoe Daniël zachtjes iets voor hem op de grond zette.
“Mag ik al kijken?” vroeg Kevertje ongeduldig.
“Ja hoor, doe je ogen maar open,” antwoordde Daniël opgewekt.

Kevertje kon zijn ogen niet geloven. Voor hem stond een heel klein hobbelpaardje van klei. Hij zag er net zo mooi uit als het grote hobbelpaard van Daniël zelf. Kevertje slaakte een kreet van blijdschap en gaf Daniël een dikke klapzoen op zijn wang. Het kriebelde wel een beetje, zo’n insectenzoentje, maar dat vond Daniël niet erg. Hij was blij dat hij zijn kleine vriend een plezier kon doen.

“Je moet nog wel even wachten tot de klei opgedroogd is, hoor, Kevertje,” waarschuwde Daniël zijn vriendje. Maar het was al te laat.
Kevertje was in zijn enthousiasme met één grote sprong op zijn nieuwe hobbelpaardje gaan zitten. Daar zat hij dan, met zijn kleine keverkontje in de klei vastgeplakt. Wat nu?

Daniël begon te gniffelen. Kevertje keek eerst een beetje geschrokken, toen een klein beetje boos, maar al snel moest ook hij om de situatie lachen. Eerst zachtjes, maar toen steeds harder: “Haha, haha ha, HAHA HAAAA!”
Hij gierde het uit van de pret. Kevertje was zo aan het lachen dat hij pardoes van zijn paardje viel. Oef, gelukkig, hij was weer los!

Ditmaal wachtte Kevertje tot zijn hobbelpaardje kurkdroog was.
En ja hoor, het was zover. Kevertje mocht op zijn nieuwe hobbelpaardje gaan zitten. De rest van de middag hobbelde Kevertje aan één stuk door op zijn paardje door de kamer. Wat een topcadeau! Toen hij uiteindelijk van zijn paardje kwam en er nog eens gelukzalig naar keek, viel hem ineens iets op. Op de rug van het paard was nog duidelijk zichtbaar de afdruk van twee kleine keverbilletjes te zien. Met een grote grijns op zijn gezicht ging Kevertje weer naar huis. Hij had nog nooit zo’n leuke dag gehad!

2. Pippa en Duif met vakantie

Copyright Arie Smits

In deel 1 leren we Pippa kennen, de kip die wil kunnen vliegen.

Pippa graaft de hele dag tot alle kippen terugkomen om te gaan slapen. Ze is moe en valt snel in slaap.
De volgende dag, na het poetsen van haar snavel, krijgt ze van haar moeder een kommetje met maïs en een schaaltje met water. Na een paar hapjes gaat ze verder met het graven van de tunnel.

Ja! Eindelijk! denkt Pippa blij. Ik zie de blauwe lucht, de tunnel is klaar. Als ik nu ga slapen ben ik vanavond goed uitgerust om te gaan hardlopen.
Pippa droomt over vliegen hoog in de lucht en van spelen met de wind. Ze droomt over verre warme landen waar je ijsjes kan eten en limonade kan drinken. Daar vliegen alle vogels in de winter naartoe.

Er is weer een dag voorbij. Als de kippen slapen, kruipt Pippa voorzichtig door de tunnel naar buiten. Pfff, denkt Pippa, gelukkig, er is niemand wakker geworden. Meneer de Haan slaapt ook, ik hoor hem snurken, helemaal tot hier.
Met haar vleugels wijd buigt ze een paar keer door de knieën. Ze begint aan haar eerste rondje hardlopen. Nou, ik ben nu al moe, denkt ze hijgend en begint aan haar tweede rondje. Ik moet nog veel oefenen.

Na een week gaat het al wat sneller. Op een nacht let ze niet goed op en schrikt als ze meneer De Haan ziet staan.
“Wat ben je nu weer aan het doen, Pippa? Je maakt alle kippen wakker. Vooruit, het hok in en je komt er pas uit als ik het zeg.”

De volgende nacht gaat Pippa toch stiekem door de tunnel naar buiten. Haar moeder doet net alsof ze slaapt, maar ze ziet alles. Eigenlijk, denkt ze, zou ik ook wel willen vliegen, maar daar ben ik al te oud voor. Iedere avond kijkt ze stiekem door het raam naar buiten en ziet hoe Pippa haar rondjes alsmaar sneller rent.
“Als dat maar goed gaat,” zegt Klaartje Kip die naast de moeder van Pippa is komen zitten. “Ze eet veel te weinig, kijk toch eens hoe mager ze is.”
“Maak je maar geen zorgen, Klaartje,” zegt Pippa’s moeder. “Het komt allemaal goed. Pippa weet precies wat ze aan het doen is.”
Toktoktoktok,” klinkt het achter Pippa’s moeder en Klaartje Kip. Alle kippen zijn wakker geworden.
“Wat is dat kind van jou toch aan het doen?” vraagt een van de kippen. “Ze loopt alleen maar rondjes en nog eens rondjes.”
“Wacht maar af, dat zullen jullie snel genoeg gaan zien,” zegt de moeder van Pippa trots.
Pippa rent zo hard dat ze een klein stukje van de grond komt. “Ik kan het! Ik kan het!” roept ze.
Toktoktok, zagen jullie dat?” zegt de moeder van Pippa. “Ze kan al een beetje vliegen.”
“Maar… wat een onzin,” zegt een van de kippen. “Volgens meneer de Haan zijn wij helemaal geen vogels, dus kunnen we niet vliegen.”

De zon komt op. Meneer de Haan staat buiten en geeuwt. Hij loopt naar het kippenhok en roept: “Allemaal opstaan! Kukelekuuu!”
Pippa rekt zich eerst eens goed uit en fladdert met haar vleugels. Het is zo ver, denkt ze, vandaag ga ik vliegen. Ze gaat naar buiten en loopt helemaal naar achteren tot aan het hek. Alle kippen stoppen met eten.
Toktoktoktooooktoktoktok!” roepen ze en maken een mooi recht pad voor Pippa. Het is opeens doodstil. De kippen kijken geschrokken naar rechts, daar staat Pippa, dan kijken ze naar links. In de verte bij het hek aan de andere kant staat meneer De Haan. Met zijn vleugels in zijn zij staat hij iedereen boos aan te kijken.
“Zet hem op Pippa!” roept haar moeder. De andere kippen beginnen ook te roepen. “Je kan het, Pippa!”

Pippa doet een paar sprongetjes en buigt door haar poten. Een poot zet ze achter zich neer en buigt voorover. Net als ze klaar is voor de start roept haar moeder: “Stop! Wacht!” Moeder houdt een rugzak omhoog. “Kijk eens, Pippa, ik heb er voor onderweg water en popcorn ingedaan.” Pippa doet de rugzak om en gaat weer klaar staan voor de start.
Ze rent harder en harder en nog harder. Meneer de Haan komt steeds dichterbij. Alle kippen houden hun vleugels voor hun ogen. Iedereen weet nog hoe ze de vorige keer bovenop meneer de Haan botste. Maar de kippen zijn ook nieuwsgierig, sommigen kijken stiekem tussen de vleugels door.
“Ga door, Pippa!” roept haar moeder. “Vlieg! Vlieg!”
Pippa rent zo hard dat ze al een kleine stukjes van de grond komt. Meneer De Haan komt gevaarlijk dichtbij, nog maar acht meter, nog zeven, zes, vijf, vier… Pippa doet haar vleugels wijd en beweegt ze vlug op en neer.
“Daar gaat ze! Daar gaat ze!” roepen alle kippen samen.
Ze vliegt over het hoofd van meneer De Haan en laat van schrik een poepje op zijn hoofd vallen. Pippa vliegt over het hek en gaat hoger en hoger. Met grote ogen kijken de kippen omhoog en klappen in hun vleugels.

“Jij bent een vreemde vogel,” zegt een duif die naast Pippa komt vliegen. “Jou heb ik nog nooit gezien.”
“Ik ben de eerste kip op de wereld die kan vliegen,” zegt ze trots.
“Zullen we straks ergens een ijsje gaan eten?” vraagt de duif.
Samen vliegen ze gezellig kletsend verder.

 

Copyright Arie Smits

1. Pippa durft alles

Copyright Arie Smits

Elke dag is meneer De Haan als eerste wakker. Hij doet het raam open en haalt diep adem. Wat een mooie dag, heerlijk, denkt hij. Blij loopt hij naar buiten. Hij neemt een slok water en roept dan hard: “Kukelekuuu!”
De kippen zijn lui, denkt meneer De Haan en roept nog eens: “Kukelekuuu!”

De deur van het kippenhok gaat open. Geeuwend loopt de eerste kip naar buiten. Dan komen ook alle andere kippend druk pratend naar buiten. “Tok-tok-tok-tok-tok. Toooook-tok-tok-tok. Wat een prachtig weer,” zegt Sara Kip. “Kijk, we zijn mooi op tijd, daar komt ons eten al aan.”
De boer duwt het grote hek open en strooit maïskorrels op de grond. De kippen rennen er snel naartoe en eten hun buikjes vol.

Copyright Arie Smits

Klaartje Kip stopt met eten en kijkt in het rond. “Zeg, Sara, komt jouw kleine Pippa niet eten?”
“Nee,” zegt Sara. “Pippa zegt dat ze niet dik wil worden, daarom eet ze maar heel weinig.”
“Maar,” zegt Klaartje. “Als ze niet eet kan ze geen eieren leggen. Dat vindt de boer niet leuk.”
“Toook-tok-tok,” zegt Sara met een zucht. “Dat heb ik ook gezegd. Dan maakt de boer misschien soep van haar.”
Krakend gaat de deur van het hok open. Er komt een kleine kip naar buiten. Ze kijkt alsmaar omhoog.
“Het heeft allemaal niet geholpen,” zegt Klaartje. “Daar heb je Pippa.”

Pippa gaat op haar rug in het gras liggen en ziet hoog in de lucht een grote vogel vliegen. Zijn vleugels gaan op en neer. Pippa zwaait. De vogel houdt zijn vleugels stil en maakt zwevend grote rondjes. Wauw, denkt Pippa, dat wil ik ook wel. Lekker zweven en heel ver weg vliegen. Wat zal je dan ver kunnen kijken. “Mama!” roept Pippa. “Waarom kunnen kippen niet vliegen?”
Sara, de moeder van Pippa, krijgt een rood hoofd. “Ssst!” zegt ze geschrokken. Alle kippen stoppen met eten en schudden hun hoofd. “Stel niet van die gekke vragen, Pippa, ga eten, dan word je groot en dik.”

Pippa zegt niks meer, ze kijkt naar de meeuwen die spelen in de lucht. Kijk dan, wat leuk, kunstjes doen in de lucht. “Mama!” roept Pippa. “Ik wil ook vliegen!”
De andere kippen worden een beetje boos.
“Sara Kip, zeg eens tegen Pippa dat ze haar snavel houdt, wij willen eten!”
De moeder van Pippa duwt haar in het hok. “Als je niet wil eten blijf je maar in het hok. Ik wil geen gekke vragen meer horen.”
“Goed dan,” zegt Pippa. Maar ze kan alleen maar aan vliegen denken. Dat moet ik ook kunnen, want ik heb vleugels en als je vleugels hebt ben je een vogel. Ik wil niet mijn hele leven eieren leggen.

Pippa schrikt als opeens meneer De Haan binnenkomt. Hij gaat naast Pippa op de stok zitten.
“Luister eens, Pippa, er is nog nooit een kip geweest die kon vliegen. Daar zijn kippen te dik en te zwaar voor. Kippen kunnen alleen maar een beetje rondspringen, meer niet.”
“Maar, meneer De Haan,” zegt Pippa. “Wij hebben toch vleugels? Dan zijn we toch vogels? En vogels kunnen vliegen.”
Meneer De Haan kijkt boos. “Wij zijn geen vogels, wij zijn kippen, en nu wil ik er niks meer over horen.”

Meneer De Haan is vergeten de deur op slot te doen. Pippa loopt stiekem naar buiten. Niemand heeft het gezien, de kippen zoeken op de grond naar eten. Ze loopt naar het verste hek. Pippa gaat klaar staan en kijkt recht voor zich uit. Ik ren gewoon keihard en beweeg mijn vleugels heel snel, dan ga ik vanzelf de lucht in. Ze neemt een aanloop en rent dan zo hard mogelijk. “Opzij!” roept ze. “Aan de kant!”
De kippen schrikken van die rare Pippa, ze rennen alle kanten op. Het hek aan de andere kant komt heel snel dichtbij. Pippa beweegt haar vleugels nog sneller. Ik moet vliegen, denkt ze, anders knal ik tegen het hek. Plotseling staat meneer De Haan in de weg. Pippa botst bovenop hem, samen vallen ze op de grond. Overal vliegen kleine veertjes door de lucht.
“Tok-tok-tok-tok!” roepen de kippen bezorgd.
Meneer De Haan staat snel op en pakt Pippa vast. “Kom jij maar eens mee,” zegt hij. “Jij mag twee dagen niet naar buiten.”
O nee, dat wil ik niet, denkt Pippa, ik moet leren vliegen. Weet je wat? Ik graaf een tunnel, als dan niemand kijkt, ga ik toch naar buiten.

VOLG ONS

535FansLike
45VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN