Barend het bokje

Het is wel meer dan een miljoen jaar geleden dat er grote dinosaurussen op de wereld waren. In diezelfde tijd liep ook een klein bokje genaamd Barend op de aarde rond. Barend was soms een beetje eigenwijs en deed dan precies wat hij wilde.

Op een dag liep hij door een stuk grasland en probeerde hij wat mals gras te vinden. Van dat lekkere, sappige groene gras. Maar het enige gras dat hij vond was geel en droog. Hij at het wel op want hij had honger, maar lekker vond hij het niet.

Opeens begon het hevig te regenen. En weet je wat raar was? Tegelijk met al die regen bleef toch de zon nog schijnen! Toen zag Barend een wonder gebeuren. Aan de hemel stond een grote boog met de prachtigste kleuren die je bedenken kunt! Rood, oranje, geel, groen en nog veel meer kleuren. Barend vroeg aan een oude bok, die vlak bij hem aan het eten was:
“Wat is dat nu voor moois?”
De oude bok zei dat hij het ook niet wist en maakte een grapje: “Als je de plaats kunt vinden waar het einde van die boog op de aarde staat, dan vind je daar het sappigste gras van de hele wereld!”

Die avond verliet Barend de kudde. Hij trok eropuit om het einde van de regenboog te vinden. Al gauw kwam hij bij een rivier. Daar moest hij overheen, maar hoe? Gelukkig stond er vlak bij de waterkant een grote brontosaurus, een dinosaurus met een hele lange nek. Barend vroeg aan de brontosaurus:
“Zou u mij naar de overkant kunnen brengen?”
Dat wilde het dier wel. Het ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Barend wipte met een flinke sprong boven op zijn rug. Samen liepen ze naar het water en de brontosaurus liep er een eindje in. Toen het te diep werd, deed de dinosaurus zijn nek recht naar voren zodat die een smalle brug vormde naar de overkant en zo wandelde Barend heel voorzichtig naar de kop. Toen hij halverwege was, draaide het dier zijn kop om.
“Duurt het nog lang?” vroeg de brontosaurus. “Ik begin een stijve nek te krijgen!”
Eindelijk was Barend aan de overkant en hij sprong van de kop op de grond.
“Nog bedankt, hè!” riep hij. Barend kon weer een eindje verder!

Al snel was er een tweede hindernis. Nu lag er een heel groot meer voor hem. Barend wist zeker dat hij over het water moest om het malse weitje te vinden. Maar kijk, daar zag hij een paar pteranodons! Dat zijn hele grote dinosaurussen met brede vleugels met een soort klauwen aan het uiteinde ervan. Hij stapte op het tweetal af en vroeg of ze hem naar de overkant van de rivier wilden vliegen. De kleinste van de twee vond dat wel een leuk idee. Zomaar met een bokje op je rug vliegen! “Stap maar op!” zei hij.
Barend sprong op de rug van het dier. De vliegende dinosaurus sloeg zijn grote vleugels uit en weg vloog hij. Maar zonder Barend! Die was van schrik van zijn rug afgevallen!

Met een bocht kwam de pteranodon teruggevlogen en meteen daarna stegen ze samen op. Bokjes hebben geen klauwen waarmee ze zich kunnen vasthouden, maar ze kunnen wel op gladde rotsen klauteren! Nu bleef Barend stevig op de rug van het beest staan. Af en toe keek hij even naar beneden en dacht: “Waar ben ik toch aan begonnen?” Maar na een kwartiertje vliegen daalde de dinosaurus en kon Barend zijn reis vervolgen. Maar eerst ging hij wat uitrusten. Barend ging liggen en was al snel in bokjesdromenland.

De volgende dag stapte hij stevig door. Toen hij boven op een heuvel kwam, zag hij opeens dat er voor hem een groot veld lag met allemaal dezelfde struiken. Hij liep eropaf en toen hij er dichtbij was, zag hij dat de struiken allemaal scherpe dorens hadden. Daar kon hij nooit doorheen! Maar wat liep daar? Een styracosaurus! Dat is een grote dinosaurus met een hele rij horens op zijn kop. Het dier liep recht op de doornstruiken af!
“Mag ik meerijden?” vroeg Barend. Het mocht gelukkig en al snel was hij op de rug van het dier geklommen. Hij drukte zich tegen de horens zodat hij niet zou vallen. Met een vaart stormde de styracosaurus door de struiken. Toch duurde het wel een uur voor ze er helemaal door waren. Barend bedankte het dier en vervolgde zijn tocht naar het einde van de regenboog.

En toen gebeurde er iets vreselijks! Het begon te regenen, maar de zon bleef ook schijnen. En wat zag Barend in de lucht? Juist, een prachtige regenboog. Maar nu stond die boog achter hem! Precies in de richting waar hij vandaan was gekomen! Zou de oude bok hem beetgenomen hebben? Daar leek het wel op. O, nu moest hij dat hele eind weer terug!

Maar zover kwam het niet. Opeens merkte hij dat hij aan de rand stond van een heerlijk malse weide! En hij was niet alleen! Ook in dit deel van het land woonden bokjes. Al gauw kon Barend heel goed opschieten met zijn nieuwe vrienden. Hij vond er ook nog een lief geitje en samen leefden ze daar nog lang en gelukkig.

Koning Daan moet nodig

Zoals elke dag was koning Daan
precies om acht uur opgestaan.
Hij deed zijn gouden slippers aan
en nadat hij zijn kroon had opgezet,
liep hij haastig naar het toilet.

Maar op het koninklijk toilet
hing een bordje met: BEZET!
De koning brulde kwaad:
‘Wie houdt daar mijn wc bezet?!
Dit is een koninklijk toilet!
Het is verboden wat u doet,
vooral omdat IK nodig moet.’ 

Maar het bleef merkwaardig stil.
Wie zat daar op zijn gouden bril?
Wie plaste in zijn pot van goud?
Wie was daar zo ontzettend stout?

Hij klopte op de deur en luisterde
toen hoorde hij een stem die fluisterde: 
‘Papa..?’
De deur klikte zachtjes van het slot
en wie zat daar snikkend op de pot?

‘t Was het kleine prinsje Jelle
hij huilde:’ ik moet je wat vertellen
er is daarnet iets misgegaan
ik heb het in m’n broek gedaan.’ 

‘Ach’, zei de koning en gaf Jelle een kus,
‘joh, dat overkomt iedereen wel es.
Zelfs een prins en zelfs een koning,
ik geef je zo wel een verschoning.
Wacht maar op de gang op mij
want ik moet er even bij.’ 

De koning deed de deur op slot
en ging snel zitten op zijn gouden pot.
Maar ‘ t was te laat, want voordat hij zat
was plotseling zijn broek kletsnat!

OEPS!!! 

Dus hier een goede raad van koning Daan:
altijd op tijd naar het toilet toe gaan!
Maar gaat het toch mis, dan weet je dus:
het overkomt iedereen wel es.

Mini-monster en de slakken

“Hè, bah!” Mama loopt het huis binnen nadat ze de krant uit de brievenbus heeft gehaald. Met een vies gezicht kijkt ze naar haar pantoffels. Het is een beetje vochtig buiten en er glijden allemaal slakken over straat. Ze is per ongeluk op ééntje gaan staan. Haar pantoffel is helemaal slijmerig vies geworden.
“Die moet eerst schoongemaakt worden,” zegt mama, terwijl ze op de deurmat haar pantoffel uittrekt.

Mini-monster vind slakken wel leuke diertjes. Sommige slakken hebben van die grappige huisjes op hun rug. Kleine slakken hebben kleine huisjes en grote slakken grote huizen. Sommige hebben helemaal geen huisjes, mama noemt ze naaktslakken. Naaktslakken zijn heel groot, zwart met oranje.
Soms, als het geregend heeft en de zon weer gaat schijnen, ziet hij allemaal zilveren lijntjes glimmen in de tuin. Mama heeft hem verteld dat dat slijmsporen zijn die de slakken achterlaten als ze zich verplaatsen. Hij heeft ook weleens een slak opgepakt en toen werden zijn kleine monster vingers ook helemaal glibberig.
Soms zit er wel eens een slak op het raam. Hij gaat dan binnen kijken hoe de slak er aan de onderkant uitziet.

Mama-monster houdt niet van slakken. Ze maken alles vies met hun slijmsporen en ze eten de bladeren van de planten in de tuin. Sommige planten hebben grote gaten in hun mooie bladeren, dat komt omdat de slakken de bladeren opeten.
Mini-monster wil mama graag helpen om de slakken uit de tuin te houden maar hij weet niet zo goed hoe hij dat moet doen. Terwijl hij zijn boterham eet en een beker melk drinkt, denkt hij na over het probleem.

Opeens heeft hij een idee. Hij gaat een slakkengevangenis maken. Dan kan hij daar alle slakken in doen en kunnen ze niet meer van mama’s mooie planten eten. Als hij zijn lunch op heeft, doet hij zijn jas en schoenen aan en gaat naar buiten. Hij heeft het zandemmertje uit zijn zandbak meegenomen en hij zoekt de hele straat af naar kiezelstenen.
Als zijn emmertje half vol is gaat hij naar de tuin. In de hoek van de tuin legt hij de stenen in een mooie cirkel. Daarna legt hij er nog een randje met stenen tegenaan. Als hij nog stenen over heeft legt hij bovenop de beide cirkels weer een laagje stenen. Dan is hij klaar. Tevreden kijkt hij naar zijn bouwwerk. Hij vindt dat hij een mooie gevangenis gemaakt heeft en dat het tijd is om de slakken uit de tuin in zijn gevangenis te doen. Hij neemt zijn emmertje weer in de hand en gaat op zoek naar slakken. Hij vindt er wel twintig. Grote en kleine met huisjes en ook een paar naaktslakken. Voorzichtig legt hij ze één voor één in zijn zelfgebouwde gevangenis.

Afbeelding door cablemarder op Pixabay 

Het wordt al donker als mama hem naar binnen roept. Hij legt nog vlug een paar blaadjes van een plantje uit de tuin in zijn gevangenis en hij vind ook nog een dop van een fles, in een waterplas vult hij de dop met water en zet die ook bij de slakken. Dan kunnen de slakken eten en drinken.

Eenmaal thuis moet hij wel drie keer zijn handen wassen voordat alle slakkenslijm van zijn handen gepoetst is. “Mama, nu heb je geen last meer van de slakken. Ik heb ze in mijn slakkengevangenis gedaan.”
Mama vraagt hem of dat niet een beetje zielig voor de slakken is.
“Nee, hoor mama, ik heb ze blaadjes gegeven om te eten, ze kunnen samen spelen en morgen mogen ze er even uit.”

Na het eten gaat hij met zijn blokken spelen. Als hij naar bed moet, kijkt hij nog even door het raam de donkere tuin in maar hij kan zijn gevangenis niet meer zien. Het is al veel te donker geworden.


De volgende ochtend kleedt hij zich snel aan en wil naar buiten om de slakken nieuwe blaadjes te geven. Maar hij moet eerst ontbijten van mama.
“Misschien hebben mijn slakken wel heel erge honger mama,” sputtert hij nog tegen. “Eerst je ontbijt eten, monsterlijk monstertje van me,” zegt mama.

Als hij dan eindelijk naar buiten mag, doet hij snel zijn jas en schoenen aan. Hij rent de tuin in om bij zijn gevangenis te kijken. Bij het bouwwerk gekomen schrikt hij. De gevangenis is leeg. Waar zijn alle slakken gebleven? Er is geen slak meer te zien in zijn gevangenis. Ook de blaadjes die hij er gisteren ingelegd had zijn weg. Hij ziet dat de vloer en de muur van zijn gevangenis glinsteren van alle slijmsporen. Maar er is geen enkele slak in zijn bouwsel te vinden.

Mama komt bij hem staan. “Zijn ze weg?” vraagt ze.
Mini-monster knikt een beetje verdrietig. “Ik wou je helpen, zodat ze je planten niet zouden opeten,” zei hij met een bibberig stemmetje.
“Ach weet je monsterlijk mini-monster van me, alle dieren verdienen een plekje op de wereld en soms vinden wij ze een beetje lastig. Maar ze horen er wel allemaal bij. Mijn planten krijgen wel weer nieuwe bladeren. Maar zie je hoe mooi ze de vloer en de muren van je bouwwerk versiert hebben met hun slijmsporen? Het lijkt wel een glinsterende feestzaal.”

Nu mini-monster weet dat mama het eigenlijk helemaal niet zo erg vindt dat slakken van haar planten eten, doet hij de stenen weer in het emmertje en gaat hij een kasteel bouwen in de zandbak. En het kasteel versiert hij met de van slakkenslijm glinsterende stenen.

Op stap met Zibo

Zibo is een kleine zebra. Weet je wat een zebra is? Juist. Het is een wit paard met zwarte strepen. Of is het omgekeerd, een zwart paard met witte strepen? Ach, wat maakt het uit.

Afbeelding door Guido Aerts

Zibo gaat vandaag de wereld verkennen. Hij stapt vrolijk hinnikend door de velden. Vele dieren verstaan de mensen als ze praten. Een hond weet wat hij doen moet als je hem een pootje vraagt. Een paard die een kar trekt, weet wanneer hij moet stoppen.

Maar mensen weten niet precies wat de koe bedoelt als ze loeit. Als een kat miauwt weet je misschien dat ze eten wil, maar wat heeft ze precies gevraagd? Misschien miauwt ze wel dat ze een stukje van jouw lekkere wafel wil, die je aan het eten bent Wie zal het zeggen?

Maar nu verder over onze Zibo de zebra, die door de natuur wandelt. In een weide ziet hij een koe staan. Hij stapt er naar toe en zegt: “Dag beest.”
De koe kijkt op en antwoordt: “Ook een goeiedag.”
“Wat ben jij en hoe heet jij?” vraagt Zibo.
“Ik ben een koe en mijn naam is Bella,” zegt Bella.
“Ben jij een nuttig dier?” vraagt Zibo verder.
“Vast en zeker,” knikt Bella, “ik geef melk aan mijn kalfjes en aan de kinderen. Maar wat is jouw naam?”
“Ik ben Zibo. Zeg Bella, geef jij je melk ook aan de grote mensen?”
“Ja, hoor, Zibo, er zijn wel duizenden koeien over heel de wereld en die geven per dag miljoenen liters melk aan alle mensen en dieren.”
“Dat is super, denk ik. Dag Bella,” zegt Zibo en hij stapt verder.

Afbeelding door nyochi op Pixabay 

Daar ziet hij hoe uit een bloem een diertje kruipt. Het heeft vleugels en een geel achterlijfje waarop zwarte streepjes staan, net als bij hem.
“Hoi,” zegt Zibo, die zijn neus vlakbij de bloem brengt.
“Zoem zoem,” antwoordt het diertje.
“Wat ben jij en hoe heet jij?” vraagt Zibo.
“Ik ben een bij en heet Angèle. En wie ben jij dan wel?” vraagt Angèle.
“Ik ben Zibo, de Zebra. Maar… ben jij wel een dier?” twijfelt Zibo.
Het bijtje springt op de neus van Zibo en zegt: “Natuurlijk ben ik een dier! Ze noemen mij een insect.”
“Zo, dat is straf,” zegt Zibo, “en wat doe jij zoal en hoe kom je aan die mooie naam?” “Ze hebben mij Angèle genoemd omdat bijen een angel hebben. Daarmee kunnen wij steken als iemand ons pijn wil doen. Maar als men ons rustig laat werken gebruiken wij onze angel nooit. Dat is anders bij wespen. Die zijn gevaarlijk en prikken veel.  Een wespensteek doet best pijn.”
“Dat is goed om te weten. Welk werk doe je dan, Angèle?” vraagt Zibo nieuwsgierig.
“Wij halen nectar uit de bloemen en daar maken wij honing van. Dat is heel gezond om te eten voor klein en groot,” zegt de bij en ze zoemt weg.
Honing, dat ken ik niet, denkt Zibo. Maar dat ga ik vast eens proeven, zeker als het zo gezond is.

Even verder ontmoet Zibo een schaap. “Dag beest,” zegt Zibo.
“Bèèèh, hallo,” zegt het schaap.
En wat denk jij dat Zibo vraagt? Wat ben jij en hoe heet jij? natuurlijk.
“Ik ben een schaap en heet Krul,” antwoordt het dier.
“Mooie naam,” zegt Zibo, “ik ben Zibo. Zeg ben jij een nuttig dier?”
“Natuurlijk, ik geef wol aan de mensen die er lekker warme truien kunnen mee breien,” antwoordt Krul.
“Dat is fijn, maar niets voor mij,” zegt Zibo: “ik vind een trui veel te warm.”
“Heb jij het dan niet koud zo?” vraagt Krul.
“Waarom zou ik?” vraagt Zibo.
“Zo in jouw streepjespyjama?” lacht Krul.
Zibo denkt even diep na en dan schatert hij het uit en zegt: “Natuurlijk, Krul, dat heb jij goed gezien, jij dikke krollebol.”
Als de beide dieren bekomen zijn van het harde lachen, stapt Zibo tevreden terug naar huis. Wat een heerlijke dag was dit, denkt hij.

Zevelientje

Pixabay License

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was, noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Dan deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp.
Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis.

Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit.
Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was.
“Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…”
“Of anders wat?” vroeg Zevelientje.
“Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?”
“Zal ik helpen?” vroeg Zevelientje.
“Nee, hier ben jij veel te klein voor!” zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus?
Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!”
De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Pixabay License

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje:

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te huppelen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield.
De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij weer kwam! Snel sprak Zevelientje nog een spreuk:

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree!
De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en opnieuw dichterbij kwam…

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam.
De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in.
De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk.

En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen. Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!”
De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!”

Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?”
Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Erik de eekhoorn

Ergens in een groot bos woonde eens een groep eekhoorns. Er stonden een heleboel verschillende soorten bomen in het bos, waaronder veel dennen. Je weet vast wel dat eekhoorns het allerliefst noten eten, maar ze halen ook heel graag de kleine zaadjes uit dennenappels.

Eén van de eekhoorns heette Erik. Erik was een tamelijk grote mannetjeseekhoorn en hij had iets heel bijzonders! Erik had namelijk de mooiste staart van het hele bos. Tenminste, dat vond Erik zelf. Zo’n prachtige pluim had niemand! Altijd als Erik iemand tegenkwam vroeg hij: “Wie van ons tweeën heeft de mooiste staart?”
Meestal vond de andere eekhoorn dan de staart van Erik voller, mooier van kleur of langer dan zijn eigen staart. Erik kon er geen genoeg van krijgen en telkens weer vond hij een andere eekhoorn om staarten mee te vergelijken.

eekhoorn met mooie staart
Pixabay License

Maar toen gebeurde er iets vreselijks! Een meisjeseekhoorn had een vriend gevonden bij een andere groep eekhoorns en die vriend was met haar meegekomen naar haar eigen bos: het bos waar Erik woonde. De eerste keer dat Erik de nieuweling tegenkwam, speelde hij zijn spelletje weer. “Wie van ons beiden heeft de mooiste staart?”
De nieuwe eekhoorn, die Eddy heette, keek eerst eens naar de staart van Erik en toen naar zijn eigen staart en zei toen: “Mijn staart is langer dan die van jou. Mijn staart is ook breder dan die van jou. Ik heb dus de mooiste staart!”

Erik wist niet wat hem overkwam. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt! Wat een brutale vlegel! Maar in zijn eekhoornhartje wist hij wel dat Eddy gelijk had. Hier moest iets aan gedaan worden! Erik ging naar de rand van het bos, waar de mensen wonen, om daar eens wat rond te kijken. En wat zag hij daar? Bij een huis stond een man bij een raam. Naast hem stond een blikken bus. Daarin doopte de man een stokje met een pluim van haren eraan en vervolgens streek de man met die pluim over het hout dat om het raam heen zat. Op datzelfde ogenblik veranderde de kleur van het hout van een vaalgrijs in prachtig rood!
O, als hij nu eens zo’n mooie rode staart zou kunnen krijgen! Dan was hij meteen weer de mooiste eekhoorn.

Terwijl hij naar de schilder stond te kijken, hoorde hij hoe een vrouw naar de man riep: “Hans, kom je theedrinken?”
Hans zette meteen de kwast in het verfblik en liep het huis binnen. Zo gauw als hij kon, rende Erik op het blik en de kwast af. Hij gooide de kwast aan de kant en doopte vlug zijn staart in de rode verf. Hij zag dat hij een prachtige rode staart had gekregen. Hij schudde zijn staart eens flink. De druppels verf spatten in het rond en het raam zat vol rode vlekjes. De vrouw kwam naar buiten gestormd en Erik ging zo snel als hij kon naar zijn eekhoorngroep terug.

Zo trots als een pauw liep hij met zijn rode staart rond. Nu zullen ze toch wel vragen hoe ik zo’n mooie staart heb gekregen, dacht Erik. Maar nee, hoor. De eerste die hem aansprak vroeg: “Erik, wat is er met je staart gebeurd?!”
Erik keek achterom en toen schrok hij toch wel heel erg. In plaats van een prachtige rode pluimstaart zag hij een staart met allemaal aan elkaar gekleefde, harde rode haren. Nu de verf droog was leek het niet eens meer op een eekhoornstaart! Hij was zo beschaamd dat hij wegvluchtte, diep het bos in. Hij durfde de andere eekhoorns niet meer onder ogen te komen.

Met die harde staart kon hij niet goed meer van tak tot tak springen. Hij had daardoor al een hele tijd niets meer gegeten en was heel mager geworden. Hij lag uitgeput op de grond. Zo vond op een dag Marieke hem. Ze nam Erik mee naar huis en gaf hem aan haar vader. “Ach, kijk nu toch eens!” riep haar vader. “Ze hebben die arme eekhoorn met zijn staart in een pot met verf gestopt! Moeder, waar is de wasbenzine?”
Mariekes moeder kwam meteen met een fles en met een oude lap aangelopen. De vader goot een flinke scheut benzine over de staart en veegde voorzichtig de natte staart af met de doek. Er waren heel wat wasbeurtjes nodig om de staart weer helemaal schoon te krijgen, maar uiteindelijk lukte het toch. Erik had weer een gewone eekhoornstaart: mooi oranjerood en lekker pluizig.

Maar het arme beest was te zwak om op zijn pootjes te staan. Marieke ging noten voor hem pellen en je kon wel zien dat de eekhoorn dat lekker vond! Ze stopten Erik in een oud konijnenhok, gaven hem te eten en te drinken en na een week was hij weer helemaal de oude. Marieke zette het hok open en Erik wipte vlug naar buiten. Met een paar grote sprongen was hij het dorp uit en zoefde hij al weer van boom tot boom.

Even later zag hij zijn groepsgenoten weer. Wat was hij blij dat alles zo goed was afgelopen! En dacht je dat hij nu nog langer met zijn staart liep te pronken? Nee, hoor. Van hem mocht Eddy de mooiste staart van de groep hebben. Hij was allang blij dat hij zijn eigen fraaie staart weer terughad!

Paying a visit

On a sunny afternoon Trilili says: “I think I’ll go and see Tralala.”
On the way to Tralala, Trilili meets Trololo.
“Hello Trololo,” shouts Trilili.
“Good afternoon, Trilili,” says Trololo.
“Where do you go to?”, asks Trilili.
“Me? I am going to see Tralala,” answers Trololo.
“What a coincidence, I am on my way to Tralala,” says Trilili.
“Shall we walk together?” asks Trololo.
“Good idea, “ answers Trilili.

A few moments later, they ring the bell of Tralala.
Tralala opens the door and smiles: “What a surprise, my best friends Trilili and Trololo! Come in. I’ll make a cup of tea for the three of us.”
“That is great,” says Trilili.
“I agree,” says Trololo.
Soon they hear the whistle of the water kettle in the kitchen and a few minutes later they have their tea with a home-made piece of cake in the cosy house of Tralala.

“Did you hear the latest news?” asks Tralala.
“About what?” says Trilili.
“About Trululu,” says Tralala: “yesterday he fell with his bicycle and now he is at the hospital.”
“Oh, dear, he must have a lot of pain,” says Trololo.
“I have an idea, shall we pay Trululu a visit at the hospital?” asks Trilili.
Trololo and Tralala find it an excellent idea and a few moments later the three friends step on the bus to the hospital.
They have wrapped a piece of cake in paper with a nice ribbon. It is a present for Trululu.

Through a large revolving door the three friends enter the hospital. They like such a door that turns like a merry-go-round. But at the hospital you should not play in the corridors and you should not be noisy. That is why they speak very softly.

This hospital is huge with hundreds of corridors and a thousand rooms. They look around and wonder how they can find Trululu’s room. Then they see a sign with the word ‘Reception’. Behind the counter there is a kind lady asking them who they are and what they are looking for.
“I am Trilili,” says Trilili.
“And I am Tralala,” says Tralala.
“My name is Trololo,” says Trololo.

The receptionist smiles and says: “What adorable names you have. You must be paying a visit to Trululu?”
“How did you guess?” asks Trololo.
“There is only one Trululu in this hospital and with names like yours I was sure you were looking for him,” says the friendly lady and she adds: “Trululu is in room 312. Take the elevator to the third floor and then you turn to the right. The room is on the left side of the corridor.”

They zoom to the third floor and can hardly control themselves not to run to Trululu’s room, but they know that you should not run in the hospital’s corridors.
Just in front of the door with Trululu’s name, the three of them rush inside.
Trululu lays in a huge bed and his right leg is wrapped and hangs on a chain with a hook.
There is a nurse in the room who screams: “Ho, ho, ho, easy does it or you will break your legs as well!”

Trululu is full of joy. His friends thought of him and they even brought him a present.
Trilili, Tralala and Trololo are eager to know about Trululu’s accident. They hold their breath when Trululu tells them what happened.

In the meantime, the lady with her white coat gently slips out of the room. The nurse has already heard Trululu’s story plenty of times.

La Chanson des animaux

Une vache qui aboie
N’existe pas

Un cheval qui hennit
Mais oui, mais oui

Un âne qui brait
C’est vrai, c’est vrai

Qui est en vadrouille
L’ hirondelle qui gazouille

Est-ce qu’un éléphant barrit
Mais si, mais si

Un ours, sait il gronder
Oui, quand il est fâché

Le chat ronronne
Et l’abeille bourdonne

Un mouton qui coasse
Ça casse, ça casse

Une grenouille qui bêle
Est très exceptionnelle

Un lion qui rugit
Bien sûr que oui

Et notre chanson est fini
FINI !

Biggetje Bee en het stink-mysterie

Pixabay License

‘Mama, ik kom nóóit meer op zolder’, moppert Biggetje Bee tegen haar moeder.
‘Doe niet zo mal, daar speel je toch graag’. Mama Big kijkt haar vreemd aan en gaat verder met aardappelen schillen.
‘Nou, het stinkt. Erg vies. Super erg vies. Jakkie’, zegt ze er nog snel achteraan.

Biggetje Bee loopt naar de woonkamer en zet de televisie aan. Lekker ‘My Little Pony’ kijken.
Mama Big besluit even naar de zolder te gaan. Ze is nieuwsgierig geworden. Zou het echt zo stinken? Of is het maar aanstelleritis van Biggetje Bee. De zolderdeur gaat krakend open en een ondraaglijke stank komt Mama Big tegemoet.
Snel trekt ze de deur weer dicht.

Mama Big raapt alle moed bij elkaar en gaat op onderzoek uit. Wat stinkt er zo op zolder. Intussen heeft ze Biggetje Bee geroepen om mee te helpen.
‘Knijp je neus dicht en help even mee zoeken!’
Mama Big marcheert door de zolder als een echte soldaat.
Biggetje Bee moet erom lachen. ‘Gekke, mama!’ Biggetje Bee doet graag mee en huppelt achter haar moeder aan en roept: ‘Vind het stink-mysterie!’

Ze halen alles overhoop. Kisten met dekens, dozen vol met oude boeken en de klerenkast wordt zorgvuldig geïnspecteerd. Mama Big kijkt in elke hoek, onder de klerenkast en achter de kisten.
Biggetje Bee gebruikt extra haar goede neus. Ze ruikt en ruikt. Bij de klerenkast stinkt het erger dan bij de stapel dozen ernaast. Ze besluit van de dozen naar de klerenkast te lopen. Het stinkt super erg. Nu loopt ze van de klerenkast naar de dozen. De stank wordt minder. ‘Hmm, volgens mij moeten we naar de klerenkast, mama’, Biggetje Bee is vastbesloten.

Samen met Mama Big halen ze alle kleren uit de kast. Alle jassen worden eruit gehaald. Het zijn oude jassen en winterjassen. De laatste trekken ze nu toch niet aan in de zomer.
Mama Big pakt haar oude vodden jas die ze vaak aan heeft als ze in de tuin werkt. Ze tovert een plastic zakje uit een van de zakken. ‘Ahhhh. Jakkes!’ Mama Big gooit het zakje in de lucht en rent naar deur. Het zakje ploft met een smak neer op de grond. ’Daar zit iets in wat er niet in hoort!’ gilt ze.

Biggetje Bee pakt het zakje op en bestudeert het. Het voelt glibberig aan. De kleur is groen en het stinkt ontzettend. Ze bekijkt het nog eens goed. Juist. ‘Mama, er zitten twee eieren in. Hoe komen er nou eieren in jouw jas?’
Mama Big is van de schrik bekomen en loopt naar Biggetje Bee toe. Ze hoeft niet lang na te denken. ‘Dat zijn nog twee paaseieren die ik na het Pasen nog gevonden heb. Ik was in de tuin aan het werk en ik vond ze onder de rozenstruik.’ Mama Big moest ineens erg lachen.

Biggetje Bee kon haar lach ook niet inhouden en samen liepen ze met het stink-mysterie naar beneden. De eieren werden snel weggegooid. Mama Big liep nog even terug naar de zolder om de raam open te zetten. Weer terug beneden geeft ze Biggetje Bee een stevige knuffel en een zoen.
‘Wat heb je toch weer een goede neus, Biggetje Bee’. Mama Big gaf haar nog een extra zoen.

Pixabay License

De struik die omwaaide

Pixabay License

Er was eens een huis met langs de zijkant een lange muur zonder ramen. Tegen die muur had de vader van Guus en Jaap heel lang geleden een struikje geplant. Dat struikje was elk jaar een stuk groter geworden en als je het nu zag, kon je je haast niet voorstellen dat er ooit een klein struikje had gestaan.

In de struik gebeurde vanalles. Natuurlijk groeiden de takken en de blaadjes en elk jaar kwamen er in de lente een heleboel bloemen in, maar dat bedoel ik niet. Ook krioelde het in de struik van de kevertjes en torretjes, maar die zie je overal. Nee, ik heb het over grotere dieren.

Toen Guus in het voorjaar naar de struik keek, had hij al gezien dat een merelmannetje en een merelvrouwtje samen heel druk bezig waren geweest om aan de linkerkant van de struik een nest te bouwen. En onderin de struik woonde een veldmuizenfamilie. Aan de rechterkant zat een wespennest. Dat vond Guus niet zo leuk, maar meestal vlogen de wespen ver weg en had hij er weinig last van.

Guus had, samen met zijn grote broer Jaap, gezien hoe moeder merel een hele tijd op erg kleine eitjes had zitten broeden. En later, hoe in het nest jonge mereltjes uit het ei waren gekropen. De vader- en de moedermerel vlogen nu de hele dag af en aan om de jonge mereltjes eten te geven. Wanneer één van de twee bij het nest kwam, dan piepten de mereltjes uit alle macht en vochten ze om de lekkerste hapjes.

De muisjes daarentegen, zagen de jongens niet zo vaak. Die waren erg schuw. Ze hadden een holletje gemaakt tussen de dikke stam van de struik en de muur. Er stonden wat planten om de struik heen en zo af en toe rende er een muisje over de stenen op weg naar zijn veilige huisje. Een enkele keer had Jaap een kat in de buurt van de muisjes gezien, maar die had hij met een bezem weggejaagd!

Op een zonnige dag in juni waren de twee jongens buiten aan het spelen. Het was de hele morgen prachtig weer geweest maar nu leek het weer te gaan veranderen.
Guus riep tegen Jaap: “Kijk eens wat een donkere wolken daar aankomen!”
Nu zag Jaap het ook. Hij voelde ook dat het wat harder begon te waaien.
“Er komt storm!” riep hij naar Guus.
Het begon nog harder te waaien en de lucht was nog donkerder geworden. Plotseling leek het wel of er in de verte een vliegtuig aankwam.
“Dat is de wind!” schreeuwde Jaap.

Maar nog voor de twee jongens het huis in konden vluchten, brak de storm in alle hevigheid los. De wind rukte aan de bomen en aan het dak en terwijl ze stonden te kijken, kwam er een hevige windvlaag aanzetten. Voor ze het wisten, lag de grote struik plat op de grond. Gelukkig regende het nog niet en Jaap en Guus renden naar de struik om te kijken wat er met de bewoners was gebeurd. Welnu, dat zagen ze al gauw. Het wespennest was van de takken losgescheurd en werd met de vaart van een snel rijdende auto ver van het huis weggeblazen.
“Zo, daar hebben we geen last meer van!” riep Guus.

Maar ook met het merelnest was het niet zo goed gegaan. Het nest hing scheef tussen de takken en bladeren op de grond en de jonge vogeltjes waren eruit geblazen. Die lagen als zielige hoopjes veren in de buurt van het nest. Jaap ging eerst de vogeltjes helpen. Voorzichtig raapte hij ze één voor één op en zette ze terug in het nest, dat Guus losgemaakt had van de takken. Dat ging nog niet zo gemakkelijk, want het nestje was niet zo stevig meer! Jaap rende de garage in en kwam terug met een rol plakband. Daar werd de buitenkant van het nest steviger mee gemaakt. Nu moest het nest nog ergens komen te hangen. Achter in de tuin stond een stevige appelboom. Papa werd erbij gehaald en met wat ijzerdraad werd het nest met de jonge mereltjes in de appelboom gehangen. De twee oude merels vlogen de hele tijd om de jongens heen. Toen het nest op de nieuwe plaats hing, begonnen de kleintjes alweer om eten te piepen en even later vlogen pa en ma merel weer af en aan! Dat was gelukkig goed afgelopen.

Nu gingen ze nog even naar het muizennestje kijken. De oude struik was vlak boven de grond van zijn wortels afgescheurd en het muizennestje was nu volledig zichtbaar.
De muisjes waren nergens te zien, maar dit nestje was niet meer te repareren.
Guus scharrelde wat rond in de garage en even later kwam hij weer naar buiten met een oranje stenen bloempot. Onderin zat een klein gaatje. Te klein voor de muisjes.
Maar gelukkig, papa wist raad! Met een hamertje maakte hij voorzichtig het gaatje wat groter. “Zo is het wel goed,” zei Guus even later.

Pixabay License

Het muizennestje werd in een hoekje van de tuin onder wat struiken en planten neergezet en toen Guus twee dagen later de tuin inliep, zag hij opeens een klein muisje dwars over het pad in de richting van het bloempotje rennen. Oef, ze hadden hun nieuwe huisje gevonden!

VOLG ONS

531FansLike
6VolgersVolg
40VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN