Rex en de volle maan

Rex was de waakhond van boer Kraak. Rex sliep in een hondenhok op het erf. Hij had een saai leven, want er viel weinig te bewaken. Boer Kraak had maar drie koeien en wie wil er nu een oude, magere koe stelen?
Bovendien had het de laatste tijd zoveel geregend, dat Rex soms de hele dag in zijn hok bleef liggen. Hij verveelde zich daarom meestal.

Maar er was één dag in de maand waar hij naar uitkeek, en dat was de dag van de volle maan. Rex vond het heerlijk om te huilen naar de maan. Dan sperde hij zijn bek zo wijd mogelijk open en dan kwam er dit geluid uit tot hij helemaal buiten adem was: 
woewoewoewoewoewoewoeoooooooooooooo…
Zodra hij weer op adem was gekomen ging hij door met janken en dan kwam er dit geluid uit: 
woewoewoewoewoewoewoeoooooooooooooo…
Hoor je het verschil? 

Hij kon daar zo van genieten, vooral als ergens in de verte een andere hond antwoordde en daarna nog een hond en dan nog een, en uiteindelijk nog een, die zo ver weg was dat je hem nauwelijks nog kon horen huilen. Dan dachten alle honden uit de buurt even dat ze wolven waren, diep in de bossen van het koude noorden.

Maar elke keer gebeurde er weer hetzelfde. Rex was net lekker op dreef als boer Kraak een klomp uit zijn raam gooide en schreeuwde dat hij zijn bek moest houden, want boer Kraak hield van slapen. Soms vloog de klomp langs Rex heen, maar als hij raak was, deed het flink pijn en dan was Rex meteen stil. 
“Rothond!” schreeuwde boer Kraak dan. “Waakhond van niets! Huilen kun je, en mij wakker maken! Maar als er een dief is lig je te slapen!” 

Ook vandaag was de klomp hard aangekomen, pats op zijn kop. Maar wat boer Kraak had geschreeuwd was nog harder aangekomen. Want Rex wist best dat hij geen goede waakhond was. Als hij eenmaal sliep hoorde hij niets of niemand en op een keer hadden de vossen alle kippen gestolen zonder dat hij iets had gemerkt.

Met een zucht kroop Rex terug zijn hok in terwijl steeds meer honden naar de maan aan het zingen waren, want het maanlicht scheen betoverend tussen de jagende wolken. Ze jankten en huilden dat het een lieve lust was. Hij had toch zo’n zin om mee te doen!
Hij deed zijn poten over zijn oren om het gejank van de andere honden niet te horen, maar hoe hard hij ook zijn best deed, hij blééf ze horen. Zijn hele lijf kriebelde en zijn hart bonsde in zijn keel. Hij moest zichzelf inhouden om niet naar buiten te rennen en mee te huilen. Maar hij wist ook dat boer Kraak hem met de stok zou slaan als hij zijn bek weer opendeed.

De volle maan stond mooier aan de hemel dan ooit tevoren. Alle honden uit de buurt waren aan het huilen in het zilveren nachtlicht. Hier en daar, dichtbij en ver weg, overal klonken hun stemmen. Nog nooit hadden zoveel honden samen gezongen. 
Uiteindelijk kon Rex zich niet meer inhouden. Hij sprong op en rende zijn hok uit.
Woewoewoewoewoewoewoeoooooooooooo….,” jankte hij. 
Woewoewoewoewoewoewoeoooooooooooooo….”

Dààr kwam boer Kraak de boerderij al uit rennen in zijn pyjama, met een stok in zijn hand. “Rotbeest!” schreeuwde hij woest. “Ik zal je leren mij wakker te maken!” Maar verder kwam hij niet. Want ojé! Wat zag hij daar?
De rivier was gestegen en de koeienstal liep onder water! En het water kwam steeds hoger… en hoger… en hoger… 

Al snel klotste het om de hoeven van de drie magere koeien in hun stal, die angstig begonnen te loeien. De boer aarzelde niet. Hij rende zo snel mogelijk naar de schuur, gooide de deuren open en joeg de verschrikte beesten de wei in, die hogerop gelegen was en nog droog.

Rex had zich meteen in zijn hok verborgen toen hij de boze boer Kraak uit zijn boerderij zag aankomen met een stok. Vanuit zijn schuilplaats kon hij zien hoe de stal uiteindelijk instortte en wegdreef op de gezwollen rivier terwijl de boer hulpeloos moest toekijken.

Na een tijdje keerde boer Kraak zich om en liep naar Rex toe, de stok nog altijd in zijn vuist. Zijn lange schaduw viel dreigend over het hondenhok. Rex maakte zich zo klein mogelijk tegen de achterwand. Hij wist zeker dat hij ervan langs zou krijgen als nooit tevoren. Maar de boer ging op zijn hurken zitten, keek Rex aan en zei:
“Een goede waakhond ben je niet. Maar met je gejank naar de maan heb je me toch op tijd gewaarschuwd om mijn koeien te redden. Toeval? Wie zal het zeggen? Hoe dan ook, ik zal het niet vergeten. Van nu af aan mag je zoveel janken als je wilt.”

Kort daarna kreeg boer Kraak voor zijn verjaardag een tweede hond, die wél een goede waakhond was. Maar de boer vergat zijn belofte aan Rex niet. Eens in de maand, als het volle maan was en de twee honden samen zaten te janken, dan ging boer Kraak slapen bij zijn zuster, Maria Kraak, die in de stad woonde. Want daar hoorde je alleen maar auto’s en sirenes en toeters en schreeuwende mensen en gelukkig géén lawaai, zodat je heerlijk kon slapen.

Image by mohamed Hassan from Pixabay

Mier en Krekel

Mier had Krekel al dagenlang niet gezien. Ze miste hem en opeens dacht ze:
misschien is er wel iets ergs met Krekel gebeurd!
Ze liep snel het stille bos in om Krekel te zoeken. Maar Krekel was nergens te bekennen. Mier werd steeds ongeruster. Opeens zag ze Krekel op de open plek met het hoge gras.
Hij lag tegen een boom aan naar de lucht te kijken. “Krekel, eindelijk heb ik je gevonden, ik was zo ongerust!” riep Mier.
“Oh, lieve Mier,” zei Krekel, “ik zit gewoon naar de wolken te kijken. Het is prachtig wat je dan allemaal ziet!”
“Naar de wolken te kijken?” vroeg Mier. “Is dat alles wat je doet?”
“Ja,” zei Krekel. “Dat moet jij ook eens doen, Mier.”
“Dat kan niet,” zei Mier en ze kruiste haar pootjes voor haar borst. “Ik moet brandnetelsoep maken, bospaddenstoelen bakken en… en…”
“Dat kan later ook wel, Mier,” zei Krekel. “Kom naast me liggen en vertel me dan eens wat je ziet in de wolken.”
Mier zuchtte en zei: “Goed, Krekel, ik zal het proberen.”

Ze ging naast Krekel liggen en ze keek net als hem naar de wolken.
“Wel, Krekel,” zei Mier, “ik zie een wasmachine, een grote kookpot en…”
“Nee, nee, Mier!” zei Krekel. “Dat is niks. Denk eens aan grappige toverdieren!”
“Goed,” zei Mier, “ik zal het proberen.” Mier keek opnieuw naar de wolken en ze begon aan grappige toverdieren te denken. “Prachtig!” zuchtte ze dromerig en ze viel in slaap.

Copyright Theo Zwinderman

Plotseling werd ze wakker en ze zag dat het al laat was. Krekel was verdwenen en Mier werd erg verdrietig. Krekel is weg en ik ben vergeten brandnetelsoep te maken, dacht Mier. Ze sjokte naar huis, maar opeens bleef ze stokstijf staan. Ze rook de geur van brandnetelsoep en ze rende haar huis in. Daar stond Krekel met haar schort voor bij het fornuis. Hij roerde met een grote pollepel in een hoge pan.
“Zo, Mier, heb jij je pootjes wel geveegd?” zei Krekel lachend. Hij tikte Mier met de pollepel op haar neus en hij zei: “Oh, oh, Mier, zo word jij nog eens een echte Krekel!”
Mier veegde haar neus schoon, likte daarna haar pootje af en zei dromerig: “Als dat eens zou kunnen, Krekel!”

Het draakje dat niet groen was

Kobe was een heel lief draakje. Maar hij was niet groen. Hij had ook geen groene drakenmama en drakenpapa, zoals zijn vriendjes.
Zijn papa was wel heel stoer en sterk. Maar zijn schubben waren zo zwart als drop. Hij vond zijn mama de allerliefste, en eigenlijk vond hij haar ook heel mooi. Ook al was ze sneeuwwit. Ze droeg altijd een gouden strik om haar staart. En gouden oorbellen die rinkelden als kleine belletjes. Ze maakte de lekkerste bessentaart van de hele buurt. Als de geur van taart door het keukenraam ontsnapte, kwamen alle kinderen langs om een stukje te proeven.

Kobe was verdrietig, want hij was niet groen. Hij had overal grote zwarte en witte vlekken. Op zijn oren. Op zijn armen. Op zijn rug. En zijn bolle buikje en gezicht waren zo bruin als chocolade. Zijn mama glimlachte altijd dat dit kwam omdat hij zo’n heerlijk ventje was.
Maar Kobe vond het niet zo leuk. Hij wou groen zijn, net als zijn drakenvrienden. En hij wou dat hij kon vuur spuwen. Dan zou hij net zo stoer zijn als zijn grote broer.
“Dat komt nog wel,” zei z’n papa altijd. “Later, als je groot bent.”

Hij kon niet wachten tot hij groot zou zijn. Maar het liefst van al wou hij gewoon groen zijn. Of wit. Of zwart. Of helemaal chocoladebruin, als het moest. Hij wou maar 1 kleur hebben, niet 3! Wat moet een kleine draak met 3 kleuren doen?
Niemand heeft 3 kleuren! 3 kleuren zijn stom!

Op een dag kreeg hij een fantastisch idee. Hij verstopte zijn nieuwe verfdoos in zijn schooltas en op weg naar school verfde hij zijn huid helemaal groen. Donkergroen net als de bomen van het bos. Zijn buikje schilderde hij lichtgroen. De kleur van nieuwe blaadjes. Dat vond hij altijd al een mooie kleur.

Afbeelding van Dmitry Abramov via Pixabay

Met een grote lach op zijn gezicht en apetrots op zijn mooie, nieuwe kleur wandelde hij de speelplaats op. Hij ging bij een bankje staan en wachtte tot zijn vriendjes hem zouden komen bewonderen… Maar niemand kwam. De kinderen keken wel naar hem, maar niemand zei iets.

Na een tijdje kwam Flor, een heel mooi drakenmeisje, naar hem toe. “Ben jij nieuw hier?” vroeg ze. “Ik denk niet dat ik je al eerder gezien heb?”
Zijn mond viel open van verbazing. “Ik… ik ben het, Kobe,” stamelde hij.
“Nee, hoor,” zei Flor. “Jij kan Kobe niet zijn, want jij bent precies zo groen als elke andere draak hier.”
“Ik ben het echt,” herhaalde Kobe.
“Lieg niet!” zei Flor nu boos. “Ik ken Kobe heel goed en ik zie toch dat jij het niet bent, want jij bent gewoon groen!”
Ondertussen waren een aantal kinderen dichterbij gekomen. “Kobe is niet groen, dus jij kan Kobe niet zijn!” riepen ze. “Jij bent heel gewoon, en Kobe is speciaal!”

Kobe keek verlegen naar de grond. “De kinderen vinden mijn groene kleur niet leuk,” dacht hij. Wat nu gedaan?

“Wacht, ik bewijs het!” Kobe rende naar de fontein op het midden van het schoolplein. Hij stapte er zonder twijfelen in. Het koude water maakte hem kletsnat.
Na enkele minuten begon de groene verf van zijn drakenschubben te druipen. Flor en de andere kinderen keken verbaasd toe. Eerst verschenen de witte vlekken op zijn oren, daarna de grote zwarte vlek vanboven op zijn hoofd. Terwijl Kobe als een standbeeld in de fontein bleef staan, verscheen zijn chocoladebruine snoet ook. Het water van de fontein kleurde ondertussen al helemaal groen van de verf.

“Maar het is echt Kobe!” gilde Flor.
Hij klom uit de fontein, kletsnat.
Flor stapte op hem toe. “Kobe, waarom wil jij groen zijn?” vroeg ze terwijl ze hem knuffelde. “Ik vind jouw vlekken juist leuk!”
Kobe lachte verlegen toen Flor hem een zoen gaf op zijn wang. Misschien zijn 3 kleuren toch niet zo stom!

Bobsje Beer

Als je ouder wordt, dan weet je
niet meer hoe je praten moet
met je liefste knuffelbeer.
Want die taal vergeet je
en wat je als kind wel doet,
dat lukt nu niet meer.


Hallo, dit is Bobsje Beer.
Hij is van pluche, dus niet echt,
maar de oude meneer
begrijpt precies wat je zegt
en wil graag zijn verhaal kwijt
Heb je misschien even tijd?


Bobsje Beer is vandaag jarig,
maar het is zo eigenaardig
hij vindt het helemaal niet fijn
om een jarige beer te zijn.
want deze oude knuffelbeer
viert zijn verjaardag allàng niet meer.

Geen kus op zijn pluchen wangen
waar hij zo naar kan verlangen.
Geen: “Nog heel veel jaren, jongen.”
Geen liedje wordt voor hem gezongen.

Voor hem geen felicitatiekaartjes…
Voor hem geen verjaardagstaartjes…
Voor hem geen bloemenboeket…
Voor hem geen verjaardagspret…
Voor hem…
hoeft het allemaal niet meer…

De arme oude knuffelbeer
heeft helemaal niemand meer…
dàt weet hij zelf maar al te goed.
Kijk maar naar zijn sombere snoet.

Hij wrijft met zijn harige poot
zijn ogen helemaal rood.
O, was hij maar nooit geboren
dan voelde hij zich niet zo verloren.

In je eentje vier je geen verjaarspartij,
daar horen echt anderen bij.
Wat miste hij iedereen.
Was het nog maar zoals voorheen

toen zijn mensenvriend er voor hem was
en nog geen stomme boeken las
of met zijn drumstel als een bezetene
oorverdovend lawaai ontketende

Was alles nog maar als vroeger, als toen.
Bobs zou het zo weer over doen
vanaf die sinterklaasnacht
toen hij bij Jaap werd gebracht

dat was een verrassing voor hen beiden
en het begin van fijne tijden,
want hij werd het liefste present
voor de vierjarige kleine vent.

Die pakte en knuffelde hem
en riep uit met blijde stem
“Jij bent de àlderliefste beer!”
…Och die allereerste keer…

Hand in poot en poot in hand.
Ze hadden meteen een hechte band.
Dikke vrienden waren die twee!
Waar Jaapje ging kwam Bobsje mee.

Image by Cheryl Holt from Pixabay

Samen spelen, aan tafel eten…
en nooit zou Bobs vergeten,
dat Jaap hem ’s avonds met “welteruste”
op zijn bruine neusje kuste.

Dan ging hij slapen zo zacht en warm
heel dicht in klein Jaapjes arm.
Onafscheidelijk waren zij
die kleine Jaap en hij.


Jarenlang sleet de Bobs op Jaaps bed.
Dat was vaak dikke pret,
samen met andere pluchen dieren
viel er heel wat feest te vieren.

Bobs verjaardag was altijd
een dag vol gezelligheid.
Een heel speciaal evenement.
Tja, als je het liefste speelgoed bent…


Maar Jaap werd negen, Jaap werd tien
en had zijn beesten wel gezien!
Hij zat op school en deed aan sport,
dat krijg je als je ouder wordt…

Jaap moest lezen Jaap moest leren.
Had geen tijd voor pluchen beren.
Zijn kamertje werd een studio
na een muzikaal cadeau.

Dus ging er veel veranderen
voor Bobs en pluchen anderen.
Het speelgoed werd aan de straat gezet,
Bobs kwam op zolder terecht.

Daar ligt hij nu al jarenlang
verdrietig en een beetje bang
en eigenlijk ook wat boos
in een hoekje in een doos.


Dat was zijn levensverhaal
Is het niet verdrietig allemaal?
Zullen we dan maar met Jaap gaan praten?
Die arme beer zo aan zijn lot over te laten…

Het wordt echt hoog tijd,
dat hij Bobs uit de doos bevrijdt.
Dat heb ik Jaap in het oor gefluisterd.
En of hij heeft geluisterd?

Kijk eens wie hij bij zich heeft!
Bobs straalt alsof hij licht geeft!
Dat is dan net op tijd geweest
voor Japie en zijn knuffelbeest.

Bobsje Beer voelt zich eindelijk jarig,
Want iedereen is even aardig.
Hij wordt flink in het zonnetje gezet
en had in jaren niet zo’n pret!

Ja, deze oude knuffelbeer
viert volgend jaar zijn verjaardag weer!
Kom je dan ook op zijn verjaardagsfeest?
Of ben jij te groot voor een knuffelbeest?

Wees verstandig en op tijd
anders raak je die vriendschap kwijt
en krijg je spijt als haren op je hoofd
kijk naar Jaap als je me niet gelooft!

Juultje

In een leuk huis met een al even leuke tuin in een lange straat met bomen woont Juultje.
Juultje is een vrolijk meisje dat graag van alles wil weten. Ze stelt dan ook de hele dag vragen. Meestal aan papa, mama en oma, want die ziet ze het meest.

Soms vindt Juultje dat mensen heel rare, grappige zinnen uitspreken. Daar moet ze dan even over nadenken. En als Juultje die zinnen niet begrijpt, dan vraagt ze wat ze betekenen. Oma heeft verteld dat die rare, grappige zinnen ook een grappige naam hebben. Ze worden ‘spreekwoorden’ of ‘gezegdes’ genoemd. En heel soms gebeurt het dat Juultje zo’n spreekwoord of gezegde al direct begrijpt, als iemand ze zegt.

~~~

In je eigen sop gaar koken

Op een middag is Juultje bij oma. Oma staat in de keuken en snijdt een paar worteltjes.
Op het vuur staat een grote oranje pan met stukjes vlees erin. Het ruikt heerlijk in de keuken. Oma schuift de worteltjes van de plank, hup de pan in.
“Wat maak je, oma?” vraagt Juultje.
“Ik maak stoofvlees, Juul. Heerlijk suddervlees dat we vanavond kunnen eten,” zegt oma. “Wil je eens in de pan kijken?”

Oma zet een krukje bij het aanrecht, zodat Juultje daarop kan klimmen. Juultje kijkt in de pan. Ze ziet bruine stukjes vlees in lichtbruin vocht liggen. De oranje worteltjes die oma er net in heeft gedaan, ziet ze ook liggen. Oma schept de worteltjes om en ze zakken in het bruine water. Even later ziet Juultje dat het bruine water begint te borrelen.

“Hé, oma! Het bruine water gaat borrelen!” zegt Juultje enthousiast.
Oma ziet het ook. “Dat bruine vocht dat borrelt, is inderdaad voor een groot deel water, Juultje,” zegt oma. “Maar het is meer dan alleen maar water.”
“Wat zit er dan nog meer in?” vraagt Juultje.
“Er zit ook vet in van het vlees en ik heb er een scheutje bier in gedaan.”
Oma lacht. “Dat vinden opa en ik heel lekker.”
“Ik vind dat ook lekker, hoor,” zegt Juultje.
“Dat geloof ik meteen,” zegt oma. “Nu moet het vlees gaar worden. Dat doet het in dit sop van water, vet en bier. En nu kan ik drie uur lang iets anders gaan doen,” zegt oma, “want met het deksel op de pan kookt het vlees helemaal in zijn eentje gaar.”
“Dat is een handig sopje, oma!” lacht Juultje. “Want nu kunnen wij samen spelen!”

JPS68Carbonnade flamande, cropping by voorleestuin.be, CC BY-SA 4.0

De volgende dag speelt Juultje buiten in de speeltuin vlak bij haar huis.
Er zijn nog vier andere kinderen in de speeltuin. Het zijn Kiki en Twan, de tweeling die twee huizen verder dan Juultje woont. En dan zijn er nog Tess en Roos. Die wonen tegenover Juultje in de straat. Met Tess en Roos speelt Juultje vaak, maar ze gaat niet zo graag bij hen binnen spelen. Luuk, de broer van Tess en Roos, is al veertien en soms is hij niet aardig tegen zijn zusjes.

Als Juultje met Tess aan het klimrek hangt, hoort ze dat Luuk zijn zusjes roept. “Tess en Roos, jullie moeten binnenkomen, we gaan zo eten!”
Luuk staat aan de rand van de speeltuin met zijn handen in zijn zakken. Zijn moeder heeft hem gestuurd. Maar Tess heeft nog geen zin en reageert niet. Ze draait nog een paar rondjes om het klimrek heen. Roos roetsjt van de glijbaan en loopt dan naar haar broer toe.
“Tess, kom nu,” zegt Luuk.
Tess doet net of ze het niet hoort. Ze staat op van het klimrek en loopt naar de glijbaan.
“Tess!” roept Luuk boos.

Juultje hangt stil aan het klimrek en kijkt naar Tess. En dan naar Luuk en Roos.
Luuk haalt zijn schouders op. “Kook dan maar in je eigen sop gaar,” zegt Luuk. Hij draait zich om en loopt weg met Roos.
Juultje denkt na. Hm, waar heeft ze dat eerder gehoord?

Woelewiebels

Woelewiebels
Kroelekriebels
’s Avonds als ik slaap
Ik zie ze komen
In mijn dromen
Ze gaan zitten op mijn wang

Ze verdwijnen
In gordijnen
Of ze plakken tegen het behang

Weg ermee
Ik roep: ‘Nee!’
Ik word een beetje bang

Mama is er
Vraagt: ‘Wat is er?’
‘Een woelewiebel op mijn wang!’

Slokje water en een kusje
Even kijken bij m’n zusje
Eventjes in het grote bed
Zacht en warm
In mama’s arm
En dan…

Ik voel kriebelen
Ik voel wiebelen
Kriebel kriebel bij mijn oor

Grote griebels
Woelewiebels!

Maar bij mama
Durf ik alles
Ben ik niet meer bang
Dus ik aai ze
En ik zwaai ze van mijn wang

Niks geen kriebels
Woelewiebels
Mama’s haren zijn zo lang

Een donkerblauw vogelsprookje

In een dorpje ver bij ons vandaan, woonden boswachter Siem en zijn vrouw Vera. Ze waren gelukkig samen in hun oranje huisje aan de rand van het Hoge Bos. En toch, heel soms, staarde Vera stilletjes uit het raam. De boswachter sloeg dan verdrietig zijn arm om haar heen. Hun grootste wens ging maar niet in vervulling.

Gelukkig kwam elke dag, als de school uit was, de kleine Mus binnengestormd. Vanaf het moment dat Mus zijn eerste woorden sprak, had hij geroepen dat hij ook boswachter wilde worden. Zijn vader, de kleermaker, had eerst ‘nee’ gezegd – want wie moest dan later zijn winkeltje overnemen – maar Mus hield vol totdat zijn vader knikte dat het goed was.

Mus liep met Siem mee op zijn rondes door het bos. Zijn oren gloeiden van de prachtige verhalen die Siem vertelde over de dieren. Hij probeerde de namen van de planten en bomen te onthouden die Siem aanwees. Als ze terugkwamen, dronken ze chocolademelk – warme in de winter en koude in de zomer – en dan vertrok Mus weer.
“O, wat gezellig toch, zo’n jongetje,” zuchtte Vera verlangend als ze naar hem zwaaide en de deur weer sloot.

Op een koude middag in december, stapten Siem en Mus stevig door om warm te blijven. Hun voetstappen maakten diepe sporen in de sneeuw. Siem vertelde over een ree die hij gisterenochtend gewond had aangetroffen.
“Stropers… maar we zullen ze krijgen,” mopperde hij. “Ze mochten wil…” Siem stond plotseling stil. Mus keek verbaasd op. Een tel later vloog er een zwerm eksters krijsend over hen heen. Een vleugel sloeg Mus in het gezicht, een snavel pikte in zijn wang. Ze beschermden hun gezichten tegen de wilde vogels.

“Er is daar iets! Daar, achter de oude eik. Kom op!” riep Siem en hij trok Mus mee. “Wat krijgen we nu? Midden in de winter?” Siem wees omhoog. In de top van een dennenboom zat een groot nest. Een donkerblauwe vogel probeerde zich te beschermen tegen de eksters die haar aanvielen. Het waren er te veel.

Met een wanhopige kreet trapte ze met een poot door de bodem van het nest. Er viel een lichtgroen ei met spikkeltjes naar beneden. Siem dook naar voren en ving het ei op in zijn pet. Mus geloofde zijn ogen niet.
Met haar snavel gooide de vogel nog twee eieren over de rand. Het leek wel of ze mikte op Siems pet. Siem ving ze gelukkig alle drie. Daarna stortte het nest naar beneden. De vogel vluchtte. Een donkerblauwe staartveer dwarrelde naast hen neer. Het werd doodstil, de eksters waren verdwenen.

“Wat was dat? Ken jij die vogel, Siem?” vroeg Mus.
“Nog nooit gezien, jongen. Maar wat een dapper beestje!”
Verward liepen Siem en Mus terug.

“Ik snap er niets van, Mus. Het leek wel een tropische vogel! Wat doet die hier in de winter?”
Mus haalde zijn schouders op.
“Loop een beetje door, we moeten zorgen dat de eieren warm blijven,” zei Siem.

Thuis gaf Siem zijn pet voorzichtig aan Vera.
“We zullen kijken of we ze kunnen redden,” zei Vera, en ze legde de eieren in een warm dekentje bij de open haard.

Dagenlang gebeurde er niets. In geen enkel boek kwam de vogel voor. Ze vergaten de eieren zelfs een beetje. Tot op een nacht Siem wakker schrok van een luid gekraak. Hij rende de trap af en stak een kaars aan. Vera kwam achter hem aan en keek over zijn schouder. Op de grond lagen eierschillen. In de deken bij de haard bewoog iets. Voorzichtig liep Siem naar de haard. Opeens rende Vera voor hem uit.

“Pas op, Vera!” Siem probeerde haar tegen te houden.
“Nee… Siem, kijk!” Haar ogen straalden als sterren toen ze de deken opensloeg. In het midden van de deken lagen drie baby´s. Twee meisjes en een jongen. Ze knepen hun donkerblauwe oogjes dicht tegen het kaarslicht en geeuwden. Siem wreef in zijn ogen… en nog eens. “Een wonder,” mompelde Siem en gaf Vera een kus.

De dorpsbewoners verbaasden zich erover dat ze niet eerder iets aan Vera gemerkt hadden. Ze had haar dikke buik goed weten te verbergen! Alleen Mus wist beter, maar die hield zijn mond. Dat was iets tussen boswachters, daar praatte je verder niet over.

Als Siem de kleintjes onder hun kin kietelde met de donkerblauwe staartveer, schaterden ze van plezier. Het jongetje, Mees, sliep de eerste jaren met de blauwe veer in zijn bedje. Tot ieders verwondering kon hij eerder fluiten dan praten.

Merel, het eerste meisje, wees naar elk vliegtuig dat overvloog, klom op een stoel, wapperde met haar armen en sprong. Gelukkig kwam ze altijd goed terecht.

Zwaantje, het tweede zusje, volgde met haar ogen de vogels als ze naar het zuiden vlogen. “Mee, mee?” Ze keek haar moeder vragend aan. Vera hield haar hart vast en trok haar dochter dicht tegen zich aan.

Na vier zomers zat er een donkerblauwe vogel in de meidoorn achter het huis. Aandachtig bekeek ze de drie spelende kinderen. Toen ze Siem zag, floot ze een zacht vragend wijsje. Siem liep langzaam naar haar toe. Ze hield haar kop scheef. Hij begreep wat ze verwachtte.

“Bedankt voor je vertrouwen, lieve vogel. Mees fluit al onze zorgen weg. Merel is onze durfal en Zwaantje zal vroeg uitvliegen. We houden zo verschrikkelijk veel van ze. Kom ze alsjeblieft niet halen.”

De vogel leek even na te denken, knipoogde toen tevreden en vloog weg.

Afbeelding van Holger Detje via Pixabay

Willem Wanne op de motor

De mama van Willem Wanne heeft een motorfiets
Met een zijspan
Daar zit Willem Wanne wel eens in
Als ze naar de winkel gaan
Of naar oma en opa

Willem Wanne heeft een witte helm
Daar vindt hij niks aan
Die wil hij niet op zijn hoofd
Willem Wanne speelt er liever mee
Hij doet er blokken in
Of slaat er met zijn hamertje op
Maar motorrijden vindt hij leuk

Mama zwaait als ze een andere motor ziet
Willem Wanne zwaait dan ook
En ook naar bomen, en naar lucht
Maar die zwaaien niet terug.

Mini-monster gaat naar de kermis

Eindelijk is het zaterdag. Vandaag gaan ze naar de kermis. Opa en oma hebben beloofd om vroeg te komen zodat ze samen met Mini-monster en mama naar de kermis kunnen gaan. Mini-monster is nu groot genoeg dat hij zelf mag kiezen waar hij een ritje in wil maken. Hij mag er vier kiezen.

Als mini-monster en mama hebben ontbeten en zijn aangekleed, horen ze de auto van opa en oma de oprit oprijden. Mini-monster doet snel de deur open en pakt zijn jas al van de kapstok. “Gaan we?” roept hij enthousiast en rent al naar buiten.
“Ho, stop, monsterlijk monstertje, opa en oma hebben heel ver gereden. Ze zullen wel eerst een kopje koffie lusten.”
Ja, daar heeft hij natuurlijk helemaal niet aan gedacht. Zuchtend hangt hij zijn jas weer aan de kapstok.

Als de koffie op is, trekken ze eindelijk de jassen aan en gaan naar de kermis. Het is gezellig druk op het plein en de lampjes knipperen vrolijk. De muziek klinkt luid en het ruikt er naar vers gebakken oliebollen en naar zoete suikerspinnen.
Mini-monster heeft met mama afgesproken dat ze eerst een rondje wandelen om de attracties te bekijken. Daarna mag hij er vier uitzoeken. Er zijn draaimolens, bootjes die in water rondjes draaien, een tent waar je eendjes kan hengelen. Hij ziet ronddraaiende vliegtuigjes die ook echt omhoog de lucht in gaan. Hij ziet knuffelbeesten in glazen bakken, die je met een grijper moet proberen te pakken en een ballentent waar je blikken kunt omgooien. Het snoepkraam ziet er prachtig uit met snoepgoed in alle kleuren.

En dan staan ze weer bij het begin van de kermis.
“Nou, monsterlijk monstertje van me, waar wil je allemaal in?” vraagt mama.
Mini-monster zou overal wel aan mee willen doen, maar hij mag er maar vier kiezen. Hij denkt heel diep na… “Ik wil graag in de olifantjes, de vliegtuigjes, met een bal blikjes omgooien en een super grote lolly.”
“Goede keuze, Mini”, zegt mama goedkeurend. Opa en oma knikken instemmend.

Omdat ze vlak bij de snoeptent staan, kiest Mini-monster daar alvast een mooie vuurrode, ronde lolly uit. Mama stopt de lolly voorzichtig in haar tas. Voor straks.
Dan gaan ze naar de ballentent. ‘KINDEREN ALTIJD PRIJS’ staat er op het bord dat Mini-monster nog niet kan lezen. De mevrouw geeft hem drie zachte ballen en op baan 3 mag hij proberen de blikken om te gooien. Hij gooit 4 blikken om en mag een prijsje uitzoeken. Na lang nadenken kiest hij een mooie blauwe pen met opschrijfboekje uit.

Nadat hij in de olifantjes zijn rondjes heeft gedraaid, lopen ze naar de vliegtuigjes. Hij hoopt dat hij heel lang, heel hoog gaat. Met het gele muntje met daarop een rood vliegtuig in de hand, wacht hij in een mooie blauwe vliegtuig tot de meneer zijn muntje komt halen.

Dan komt er plotseling beweging in het vliegtuig. Alle vliegtuigjes om hem heen gaan de lucht in en zakken weer naar beneden. Daarna gaan ze weer omhoog. Maar met het vliegtuig van Mini-monster is iets mis, hij blijft beneden rondjes draaien. Hij kijkt op de bodem van het vliegtuig of hij misschien op het gaspedaal moet trappen, maar hij ziet niets. Mini-monster snapt er niets van. Waarom is nu net zijn vliegtuig kapot. Hij had zich zo verheugd op een lange vlucht hoog in de lucht. Arme Mini-monster, de tranen prikken in zijn ogen… Als de vliegtuigjes allemaal weer beneden zijn is de rit afgelopen. Verdrietig stapt Mini-monster uit zijn blauwe vliegtuig, die hij nu opeens niet zo mooi meer vind. “Hij is kapot”, zegt hij met een boos gezicht.
Mama pakt hem bij de hand en loopt nog een keer met hem naar de vliegtuigjes, ze wijst naar het stuur. “Kijk Mini, daar zit een knopje”. Mini-monster ziet inderdaad in het midden van het stuur een knopje zitten. “Als je tijdens je rit op dat knopje drukt, gaat je vliegtuig omhoog.”
Nu snapt Mini-monster het opeens, hij heeft tijdens zijn rit dat knopje helemaal niet gezien en dus bleef hij beneden rondjes draaien. “Volgende keer als de kermis weer komt, dan weet je hoe het moet”, zegt mama. “Kom, oma wil nog oliebollen kopen voor thuis.” 

Teleurgesteld en een beetje verdrietig loopt hij samen met mama en oma loopt naar de oliebollenkraam. Maar waar is opa gebleven? Als ze bijna aan de beurt zijn voor de oliebollen komt opa er aan lopen. “Ik wil graag een oliebol met rozijnen”, zegt hij tegen oma. Hij geeft net als mama, Mini-monster een hand. Als oma een grote zak met oliebollen in de tas wil doen moet opa haar even helpen. En terwijl opa de hand van Mini-monster loslaat voelt hij dat er iets in zijn hand achterblijft. Heel voorzichtig doet Mini-monster zijn hand open en heel even houdt hij zijn adem in…
In zijn hand ligt een rond geel muntje met een rode vliegtuig erop gedrukt.Hij kijkt blij naar opa die hem een een knipoog geeft. 
“Mama, kijk! Ik heb deze van opa gekregen!”
Even later stapt Mini-monster weer in het blauwe vliegtuigje en draait blij lachend hoog in de lucht zijn rondjes.

Willem Wanne en het rode fietsje

Daar gaat Willem Wanne
Op zijn rode fietsje
Twee grote wielen en twee kleine wielen
Een rode fiets met zijwieltjes
Willem Wanne kan al goed fietsen

Mama zegt, ik haal de zijwieltjes eraf
Dan kun je echt leren fietsen
Echt fietsen! Dat wil Willem Wanne graag!
Net als de grote kinderen

Maar wat is dat?
Willem Wanne valt steeds om
Zijn fietsje doet het niet meer!
Willem Wanne moppert
En huilt
En schopt tegen z’n rode fiets

Ho, zegt mama, zo gaat ‘ie stuk
Wacht, ik zal je helpen
Als mama duwt, dan gaat het goed
En dan fietst Willem Wanne alleen
Willem Wanne valt niet om

Daar gaat Willem Wanne
Op z’n rode fiets
Een grote jongen al, die Willem Wanne

VOLG ONS

535FansLike
48VolgersVolg
8VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN