De pietenprinses en pietenprins

Daar stonden ze dan, Pietje en zijn zus Pietemina. Buiten adem van het rennen zagen ze de stoomboot de haven uitvaren. Er kwam heel veel stoom uit de pijp. Ze konden de pieten nog net zien zwaaien.

“Juist te laat! Echt jammer…” mopperde Pietje.
Zijn zus, Pietemina, haalde haar schouders op. “Niks aan te doen. We zoeken een andere manier om de Sint te spreken. Kom mee!”
Ze pakte zijn hand en nam hem mee. Hand in hand liepen ze terug van de kade af.

Op de stoep, aan de rand van de drukke straat, bleven ze even staan. Niemand lette op hen.
“Wat gaan we nu doen, zus?” vroeg Pietje, nog steeds ontgoocheld dat ze de stoomboot hadden gemist.
Pietemina dacht heel diep na. Plots klaarde haar gezicht op. Ze had een idee! “Wij gaan met de sneltrein!” riep ze enthousiast. “Kom Pietje!” En snel trok ze haar broertje mee.

Maar het was zo druk op straat en op de stoep, dat ze bijna niet vooruitkwamen. Toen ze langs de fietswinkel liepen, zagen ze een jongetje zijn bakfiets tegen de muur zetten. Snel rende Pietemina naar hem toe.
“Kan je ons helpen?” vroeg ze heel beleefd.
Die jongen keek op en zei meteen: “Natuurlijk! Wat kan ik voor jullie doen?”
“We moeten zo snel mogelijk naar het treinstation. Kun je ons brengen?” vroeg Pietemina.
“Zeker! Springen jullie maar in de bak,” zei de jongen.

Dat hoefde hij geen twee keer te zeggen. Pietemina en Pietje sprongen meteen in de bak. De jongen stapte op zijn fiets en begon heel hard met zijn bel te rinkelen. Hij schreeuwde luidkeels: “Aan de kant! Wij komen eraan!”
Iedereen sprong heel vlug weg. De bakker, die net uit zijn winkel stapte met een mand vol broden, sprong aan een kant en de broden vlogen door de lucht. Boos gilde hij: “Pedroooooooooo! Let toch op!”
Maar Pedro hoorde hem niet meer. Hij was de bocht al om.

Pietemina en Pietje genoten van hun ritje, toen Pedro ze vroeg: “Hoe heten jullie eigenlijk?”
Pietemina lachte en zei: “Mijn naam is Pietemina en dit is mijn broertje Pietje. Wij moeten zo snel mogelijk naar het treinstation, anders komen we te laat voor het feest.”
“Wat voor een feest?” vroeg Pedro nieuwsgierig.
Pietemina en Pietje glunderden. “Het allermooiste feest van de hele wereld. Een feest voor iedereen. Alle kinderen komen bij elkaar en maken heel veel plezier samen. Voor iedereen is er snoep, koek en chocolademelk. De kinderen zijn blij! Ze lachen en vieren uitbundig feest. En natuurlijk krijgt iedereen een mooi cadeau,” vertelde Pietemina heel blij.
“Wow, dat lijkt mij een geweldig feest,” zei Pedro.
“Ja, dat is het ook,” lachten Pietemiena en Pietje.
“Het duurt niet lang meer. Deze straat in en dan zijn we er,” zei Pedro. Pedro fietste nog harder. En ja hoor, daar was het station al.

Pietemina en Pietje sprongen meteen uit de fietsbak. Snel pakte Pietemina wat uit haar jaszak en gaf Pedro een hand. “Hartelijk dank,” zeiden Pietemina en Pietje tegelijk. En ze liepen snel weg.
Pedro deed zijn hand open en zag gouden muntjes. “Hmmm, lekker!”

Pietemina en Pietje renden naar de conducteur. “Conducteur, wij hebben de snelste trein nodig,” zeiden ze in koor.
De conducteur keek eerst verbaasd naar de twee kinderen die alleen op stap waren, maar vertelde toen dat de sneltrein pas over een uur zou vertrekken.
Pietje en Pietemina keken teleurgesteld. Wat nu?
“Zus! Toon hem de ring!” riep Pietje plots.
Pietemina liet de conducteur de ring van haar vader zien. Die moest ze aan de volwassenen laten zien, wanneer ze dacht dat het nodig was.

De conducteur keek goed naar de ring en knikte. “Kom maar met mij mee,” zei hij tegen de kinderen.
Snel liepen Pietemina en Pietje de conducteur achterna. Ze liepen het kantoor van de conducteur binnen. Daar zat meneer Tjoektjoek. Hij was de grote baas van de conducteurs. Het was een grote man met brede schouders en een dikke snor. Hij had een goudkleurige hoed op.
“Meneer Tjoektjoek,” zei de conducteur, “deze kinderen hebben uw hulp nodig!”
Pietemina liet de ring weer zien. Meneer Tjoektjoek sprong meteen op en zei: “Volg mij maar, kinderen!”

Ze gingen samen met meneer Tjoektjoek naar het perron. Maar ze gingen niet naar de grote trein. Meneer Tjoektjoek keek de kinderen aan en pakte hen stevig bij de hand. Toen zei hij: “Springen!”
Meneer Tjoektjkoek en de kinderen sprongen zo hoog als ze maar konden. Plotseling beghon het perron onder hen te schudden en tussen de wachtruimte en de broodjeszaak kwam een klein perron tevoorschijn.

Aan het nieuwe perron stond de allermooiste trein die de kinderen ooit hadden gezien. De mond van Pietje viel open. Hij kon zijn ogen niet geloven: “Woooow! Dit is de FastSunGo 2017! De snelste trein in de hele wereld. En die trein rijdt alleen op zonne-energie!”
Pietje wist alles over treinen en deze trein was zijn favoriet.

Binnenin was de trein nog mooier: prachtige goudkleurige stoelen, blinkende beeldschermen, grote ramen… Pietje maakte meteen een vreugdedansje. Hij klapte in zijn handjes, draaiende in het rond, schudde eerst met zijn hoofd en toen sprong hij heel hoog.
Pietemina kwam samen met meneer Tjoektjoek de trein binnen. Ze keek meneer Tjoektjoek aan en wees naar Pietje: “Dat is mijn broertje! Hij doet de pietendans! Typisch!”
Ze rende naar hem toe en begon ook mee te dansen. “O, yeah, geweldig!” En ze lachten allebei.
“Oké,” lachte meneer Tjoektjoek. “Blijven jullie maar lekker dansen. Ik ga nu aan de slag.”

Meneer Tjoektjoek ging de machinekamer binnen en zette de trein aan. Muisstil startte de trein op. Het dak van het perron ging open en toen ging het treinspoor omhoog en omhoog en omhoog. Totdat de trein boven op het dak terecht kwam.

Toen de trein begon te bewegen gingen de kinderen snel zitten. Vanuit hun zachte zeteltje keken ze door het raam naar buiten. Daar beneden stonden de gewone treinen en liepen mensen rond. Ze zagen er zo klein uit van hierboven!
Plotseling hoorden ze de stem van meneer Tjoektjoek. “Maak de gordel vast en geniet van de reis!”
De kinderen deden meteen hun gordel om.

Meneer Tjoektjoek zette de trein op FastFast! De trein vloog supersnel over het spoor. Maar het maakte nauwelijks kabaal. Niemand kon de trein voorbij horen racen.
“Joepie!” riepen de kinderen.

Meneer Tjoektjoek bleef in de machinekamer. Daar had hij een robot, die heette Chocorobo. Met een druk op een knop zette meneer Tjoektjoek de robot aan.
“Goedemorgen, Chocorobo. Helemaal uitgerust?” vroeg hij.
“Beep beep,” antwoordde Chocorobo opgewekt.
“Mooi!” glimlachte meneer Tjoektjoek. “Luister eens goed. Er zitten twee kinderen in de trein. Breng ze wat drinken en eten alstublieft.”
“Beep, beep,” antwoordde Chocorobo weer. En daar ging hij.

Pietemina en Pietje konden hun ogen niet geloven toen ze Chocorobo hun wagon zagen binnensnorren. “Wooooowww! Dit is zo cooool,” riepen ze tegelijk. En ze begonnen te lachen en deden de pietendans. Chocorobo begon ook in het rond te draaien!

Toen de kinderen klaar waren met het pietendansje, gingen ze bij Chocorobo staan en begonnen hem te kusselen. Terwijl ze de robot knuffelden, gaven ze hem ook heel veel kusjes. Kusselen!
“Beep, Beep, jullie lief!” zei Chocorobo. “Beep, Beep, chocolademelk en speculaas?”
“Ja!” riepen de kinderen in koor.
Uit de buik van Chocorobo kwamen twee glaasjes chocolademelk en twee reuze speculaaskoeken. Ze smulden van al het lekkers.

Nadat ze gegeten en gedronken hadden, vielen ze in hun stoel slaap. Ze waren zo moe van de reis en alle leuke dingen! De rugleuning ging vanzelf naar achteren en zo werd de stoel een bed. Chocorobo pakte de dekens onder de stoel vandaan en dekte de kinderen daarmee. “Beep, Beep, slaap zacht!” fluisterde de robot.

Na een tijd ging de fluit van de trein: “Pfffftttt! Pfffftttt!”
De kinderen deden hun ogen open en geeuwden.
“Beep, beep, we zijn er,” waarschuwde Chocorobo.
De kinderen schudden hun hoofd om goed wakker te worden. Ze keken door het raam.
“Wow, yes, we zijn er. Dat was snel!” zei Pietje.

Ze kusselden nog even met Chocorobo en bedankten hem.
“Beep, beep, graag gedaan,” zei Chocorobo verlegen.
Daarna renden ze naar meneer Tjoektjoek om ook hem te bedanken.
“Graag gedaan hoor!” lachte meneer Tjoektjoek toen Pietemina hem de hand drukte.
De kinderen renden zwaaiend naar buiten en waren even later al verdwenen tussen de mensen.
Meneer Tjoektjoek deed zijn hand open en zag gouden munten. “Hmmm, lekker!”

Pietemina en Pietje renden zo hard als ze maar konden, regelrecht naar de haven. En ja, ze hadden het gehaald! Kijk maar, daar komt de stoomboot van Sinterklaas aan.
“Joepie!” riepen ze blij en gaven elkaar een high-five.

Toen de boot was aangemeerd, renden Pietemina en Pietje ernaartoe. “Wij willen aan boord,” schreeuwden ze. De Hoofdpiet herkende de kinderen en hielp ze snel in de boot. “Wij moeten Sinterklaas spreken! Het is echt dringend!” riepen ze samen.
De hoofdpiet bracht hen bij Sinterklaas.

Sinterklaas keek verbaasd op. “Wat doen jullie hier?” vroeg hij.
Pietemina haalde uit haar zak een brief. Op de envelop stond: Voor Sinterklaas. Haar vader, Koning Zwarte Piet, had haar de brief gegeven om aan Sinterklaas te overhandigen.
“Dank je brave kinderen. Ik zal het voorlezen,” zei de Sint.

Geachte heer Sinterklaas,

Ik heb Pietemina en Pietje naar u toegestuurd, zodat ze u kunnen helpen in de plaats van de andere Zwarte Pieten. In Zwarte Pietenland gaat het namelijk niet goed. Ik ben te oud geworden om voor het land en de Pieten te zorgen. Het Zwarte Pietenkasteel is bouwvallig geworden en het dak lekt.
Ik ben te oud om op het dak te klimmen. Zo kan ik het dak niet repareren.

Er moet zoveel gebeuren en ik kan het niet alleen! Ook de achtergebleven Pieten zijn wat ouder en kunnen niet zoveel meer. Daarom vraag ik u vriendelijk om alle Zwarte Pieten terug te sturen. Wij hebben ze nodig. Ze moeten zo snel mogelijk terugkomen! Misschien kan dat met uw stoomboot?

Zij moeten helpen om Zwarte Pietenland te herstellen. De oudjes moeten verzorgd worden. Stuur ze alstublieft terug.

Pietemina en Pietje zijn jong en sterk. Die zullen u heel goed helpen. Ook heb ik een vraag uitgestuurd naar alle andere Pietenprinsessen en Pietenprinsen of ze u willen helpen.

Ik dank u zeer voor uw begrip.

Met vriendelijke groeten,
Koning Zwarte Piet

Sinterklaas praatte met de Hoofdpiet en besloot de Zwarte Pieten terug te sturen.

De mensen die op Sinterklaas stonden te wachten, keken verbaasd op toen Sinterklaas eerst met alleen Pietemina en Pietje uit de boot stapte.
Ze vroegen zich af waar de Zwarte Pieten waren gebleven. Sinterklaas ging naar ze toe en zei: “Lieve mensen, ik heb een mededeling. Vandaag zullen de Zwarte Pieten mij niet meer helpen. In Zwarte Pietenland is hun hulp hard nodig.”
En zo vertelde Sinterklaas wat er aan de hand was. Ook las hij de brief nogmaals voor.
“Maar maak je geen zorgen,” zei Sinterklaas toen. “Ik weet zeker dat Pietemina en Pietje heel hard hun best zullen doen om dit feest nog mooier te maken. Bovendien zijn er nog meer Pietenprinsessen en Pietenprinsen die komen helpen. Het wordt zoals altijd, een geweldig feest!”
Iedereen begon te juichen en deed de pietendans.

Tijdens de intocht van Sinterklaas op 5 december liepen niet alleen Zwarte Pieten naast Sinterklaas, maar Pietenprinsessen en Pietenprinsen van over de hele wereld. O, wat zagen ze er mooi uit! Ze hadden mooie kroontjes op. Die kroontjes en ook hun schoentjes waren versierd met veren in alle kleuren van de regenboog, rode, gele, groene en nog veel meer.
De prinsesjes hadden de prachtigste jurken aan. Rode jurkjes, paarse jurkjes, groene jurkjes! Alle kleuren die je maar kon bedenken.
En de prinsen hadden hun allermooiste pak aan. Groene pakken, blauwe pakken, rode pakken en nog veel meer. En regenboog handschoenen!
Het was een waar kleurfestijn. Iedereen zag er prachtig uit.

Foto Novum, bron nrc.nl

De kinderen, die de kleurrijke stoet voorbij zagen komen, waren blij met zoveel moois. Sinterklaas liep trots vooraan en zwaaide vrolijk naar iedereen. De Pietenprinsessen en Pietenprinsen gooiden gouden muntjes naar de kinderen.
“Joepie,” gilden de kinderen. “Hmmm, lekker! Het zijn chocolade muntjes. Heerlijk!”
“Dank u, Sinterklaasje!”
“O, wat een geweldig feest!”
Iedereen was blij en vierde, samen met Pieten in alle kleuren, het Sinterklaasfeest.

Bruine Sint en Witte piet

Het was december en alle Pieten waren druk door elkaar aan het lopen. Pakjes vlogen door de lucht, pepernoten op de grond, speelgoed overal. Het was een echte chaos.
Het was al 3 december en de Pieten waren ver achter op schema.

Sinterklaas zat op zijn kantoor, druk aan het schrijven in zijn boek. Toen werd er zachtjes geklopt. Hoofdpiet liep voorzichtig naar binnen…
“Sinterklaas…” zei hij, “ik weet dat u het druk hebt, maar we zitten met een groot probleem. We hebben dit jaar meer bestellingen binnen gekregen dan vorig jaar. We krijgen nooit alles op tijd af! Alle Pieten hebben stress en sommige Pieten hebben zich ziek zelfs al gemeld. We hebben dringend hulp nodig!”
Sinterklaas pakte de telefoon. “Maak je maar geen zorgen,” zei Sinterklaas rustig, “ik zal even rondbellen en zal zorgen dat jullie vandaag nog hulp hebben.”

Niet veel later kwam Sinterklaas binnenlopen met een grote groep witte Pieten. Alle Pieten stonden stil en stopten met werken. Ze keken de Pieten met grote ogen aan.
“Maar Sinterklaas,” zei de Hoofdpiet, “dit kan toch niet? We hebben toch altijd alleen maar zwarte Pieten? Wat zullen de kinderen hier wel niet van denken. Dit is toch raar?”

Iedereen begon door elkaar te praten.

“Luister eens even,” zei Sinterklaas streng. “Als iets anders is, betekent het daarom niet dat het slecht is. Jullie zullen zien dat het hellemaal niet zo erg is als jullie denken.”

Die dag en de dag daarna was er geen grote chaos meer. De witte en zwarte Pieten werkten heel goed samen en alles was heel snel klaar. Sinterklaas keek vanuit het balkon naar de chocoladefabriek, waar een heerlijke zoete geur vandaan kwam, om te zien of de Pieten op schema waren. Toen gleed hij uit over een pepernoot en viel in een bak met gesmolten chocolade!

Een van de witte Pieten rende snel naar Sinterklaas om hem uit de bak met gesmolten chocolade te helpen. Sinterklaas zat helemaal onder de chocolade! Hij had nu een bruine baard en een bruin gezicht.
“Moet je nou kijken,” zei een van de Pieten, “bruine Sinterklaas en witte Piet.” Iedereen was even stil. Toen begon Sinterklaas heel hard te lachen en alle Pieten lachten mee.
“Misschien geen gek idee, maar dit is toch iets te veel verandering,” zei Sinterklaas. “Misschien kunnen we volgend jaar wel regenboog Pieten meenemen! Nu ga ik eerst maar even in bad.”

Copyright Reina Celestina

Pakjesavond bij Max

Copyright Peymaneh Werkman

Het is 5 december.
Max en Lotte hebben lang naar deze dag uitgekeken.
Zij hebben mama geholpen de hele kamer te versieren met vlaggetjes en zelfs een versierde stoel neergezet voor Sinterklaas. Woepie, het kleine hondje, is ook blij met het feestje! Hij loopt de hele tijd rond en kwispelt met zijn staartje.
Er staat een grote schaal pepernoten op het aanrecht voor vanavond. Wanneer mama en Lotte niet kijken, stopt Max stiekem een pepernoot in zijn mond.
“Woef, woef!” blaft Woepie blij.
“Ssssst… Stil zijn!” zegt Max en propt nog een pepernoot in zijn mond.

’s Avonds is het druk bij Max thuis. Opa en oma zijn er gezellig bij.
Op de tafel staan allerlei lekkere hapjes: pepernoten, taai taai pop, pakjes drinken en een banketletter.
“Ik denk dat ik vanavond veel cadeautjes krijg,” zegt Lotte blij.
Max zegt niks. Hij voelt zich niet lekker. Zijn buikje maakt af en toe een vreemd borrelend geluid…
“De Sint kan elk moment komen!” roept Lotte.
“Zullen we alvast gaan zingen?” vraagt mama en zij begint als eerste te zingen.
“Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan. Hij brengt ons Sint Nicolaas…”
Lotte, papa, opa en oma gaan dan meezingen.
Max voel zich nog steeds niet zo lekker.
Hij probeert mee te zingen: “..wie zoet..krijgt lekkers..wie stout.. de roe..”
Elke keer als hij zingt maakt zijn buikje rare geluidjes, alsof zijn buik ook mee wil zingen!

Ding Dong!
De deurbel gaat.
Lotte rent naar de deur. “Hij is er! Hij is er!”
Woepie schiet uit zijn mand achter Lotte aan.
“Dag kindertjes,” zegt Sinterklaas als hij binnen komt. Achter Sinterklaas verschijnt Zwarte Piet.

De Sint gaat op de speciaal voor hem versierde stoel zitten. Woepie kwispelt heel enthousiast en loopt rondjes om de Sint. “Ik zie dat Woepie heel blij is,” zegt Sinterklaas terwijl hij Woepie aait.
Zwarte Piet maakt grapjes en gooit pepernoten door de kamer. Woepie jaagt zo snel achter de pepernoten aan dat hij met zijn pootjes uitglijdt op de vloer.

“Nee, Piet! Niet doen!” zegt mama beteuterd wanneer Piet ook háár pepernoten vrolijk begint rond te strooien.
“Rommel Piet weet niet beter,” zucht Sinterklaas.
“Hij is stout! Misschien moet je hem Stoute Piet noemen,” grapt Lotte.
“Ja. Volgend jaar neem ik Lieve Piet mee. Hoe is het hier? Zijn jullie lief geweest? Ik heb jullie horen zingen.”
“Ja, ik wel, maar niet iederéén heeft meegezongen, hoor,” zegt Lotte en kijkt schuin naar Max.
“Ik voel me gewoon niet zo lekker,” mompelt Max.
“De Sint houdt van ieder kind, of het ziek is of niet. Kom maar even bij mij op schoot zitten,” zegt de Sint.

Copyright Peymaneh Werkman

“Dus jij hebt geen zin om mee te zingen, jongen?” vraagt de Sint heel aardig aan Max terwijl hij hem op schoot tilt. Misschien tilt de Sint hem net even te snel op, want de buik van Max maakt een enorm borrelend geluid. En dan, voordat iemand er erg in heeft, geeft Max plots over, vol over Sinterklaas! En het blijft maar komen in golven, nog een keer en nog een keer! Sinterklaas probeert Max nog snel van hem af te zetten, maar het is al veel te laat. Zijn baard, cape, mijter, alles zit er onder.

Lotte trekt een vies gezicht.
Mama en oma houden hun hand voor hun mond. Nee toch, dit gebeurt niet echt!
Sinterklaas kijkt bedachtzaam, staat langzaam op en loopt vervolgens de kamer uit. Zwarte Piet trekt een vies gezicht en knijpt zijn neus dicht. Maar dan glimlacht hij en knipoogt naar Max.
Max voelt zich beter nu. “Mijn buik heeft het niet lastig meer,” zegt hij zachtjes.
Lotte snikt en zegt: “Het komt allemaal door jou dat de Sint is weggelopen. Jij bent stout geweest en wij hebben geen cadeaus gekregen. Ze zijn nu allebei weg!”
“Sorrrryy!” zegt Max heel sip.

“Woep! Woep! Woep!” horen ze Woepie blaffen in de gang. Hij blijft maar blaffen.
“Wat is er Woepie?” Max loopt naar hem toe. En hij kan zijn ogen niet geloven. “Lotte, Lotte, kom eens kijken!” roept hij heel hard.
Lotte rent naar de gang.
Er staat een grote jutezak in de gang, die helemaal vol zit met cadeaus.
“De Sint denkt aan ieder kind, of het ziek is of niet,” zegt Max blij.

Bas en de verloren melodie

Bas rent de trap op naar zijn kamer en springt op zijn bed. Eerst even lezen, het was erg druk op school en lezen helpt hem om tot rust te komen. Na een kwartier voelt hij zich beter en pakt zijn tekenboek, waarin hij gisteren twee vlinders heeft getekend. Die wil hij kleuren. De grote vlinder paars met oranje stippen en de kleine helemaal geel. Was ik ook maar een vlinder, denkt hij.
Dan hoefde ik niet naar school en mocht ik de hele dag van de ene bloem naar de andere zweven.

“Bas, kom je eten?” roept mama beneden.
Terwijl hij de trap afsjokt, neuriet hij zijn lievelingswijsje: “Hmmmm — hmm-hmm-hmm — hmm-hmm-hmm.” Hij weet niet meer hoe hij eraan komt. Misschien van mama’s autoradio of van een roodborstje in het park. Na een lange hoge klank komen er heleboel kortere, laag en hoog, met tot slot een lange lage klank.
“Die klanken heten noten,” zei meester Joost van de blokfluitles. Gek hoor, pinda’s zijn ook noten!

Image by Colin Behrens from Pixabay

Bas neuriet zijn wijsje vaak. Maar nooit als er iemand bij is, want dan wordt zijn geheim ontdekt. Wat dat geheim is? Als Bas zijn wijsje neuriet, gebeurt er iets bijzonders.
De eerste keer was op een woensdagmiddag. Hij zat bij de vijver te neuriën, toen mama opeens achter hem stond.
“Hé, Bas!” zei ze. “Wat een mooie melodie! Wat is dat voor liedje?”
“Dat is geen liedje!” had Bas boos gezegd. Maar toen mama weg was, moest hij er steeds aan denken hoe ze zijn wijsje had genoemd.

Melodie… een mooie naam voor zijn wijsje! En toen hij weer ging neuriën, dacht hij:
Hallo, Melodie, waarna er – FLOEP – boven zijn hoofd een piepklein meisje verscheen.
Ze had lang, donker haar en uit haar blauwe jurkje staken twee sierlijke vleugels. Hij wist meteen hoe ze moest heten: Melodietje natuurlijk!

Bas vindt Melodietje heel leuk, ook al zegt ze niets. Veel leuker dan de kinderen op school, die alsmaar duwen en gillen. Telkens als hij zijn wijsje neuriet – FLOEP – komt het meisje weer! Maar als er iemand aankomt, verdwijnt ze. Daarom wil hij graag alleen zijn, al vinden mama en papa dat eigenlijk niet goed.

Weet je wat ook fijn is? Als hij problemen heeft, helpt Melodietje hem.
Zoals die ochtend dat hij zijn schoenen nergens kon vinden en mama zei: “Trek je regenlaarzen dan maar aan.”
Toen ging hij vlug neuriën en wees Melodietje nog net op tijd tussen een hoop speelgoed zijn schoenen aan. En wat het allerfijnste is? Dat Melodietje ook komt als hij in een hoekje van het schoolplein staat, verborgen voor de andere kinderen.

Maar op een dag wordt Bas met een akelig voorgevoel wakker. Er staat hem iets naars te wachten. Even later weet hij al wat. Hij is zijn melodie verloren. Wat hij ook probeert, geen noot schiet hem te binnen. Als mama voor de vijfde keer roept, sjokt Bas de trap af naar de eetkamer. Zijn zusje Floor is al klaar met eten en zijn pap is koud. Na een paar happen legt Bas zijn lepel neer. Hij voelt een brok in zijn keel.
“Wat is er?” vraagt mama.
“Niets! Gewoon geen trek.”
Mama fronst haar voorhoofd. “Pak dan maar je rugzak en schoenen.”
Maar als hij naar de auto loopt, heeft Bas geen schoenen maar regenlaarzen aan.

Alle kinderen zitten al op hun stoel. Ze proesten het uit als Bas met een hoofd als een biet binnenkomt. En in de pauze staat hij weer helemaal alleen, zonder melodietje…

Bas doet van alles om zijn melodie terug te vinden. Na blokfluitles vraagt hij meester Joost nieuwe wijsjes te spelen. Thuis luistert hij naar de radio en buiten naar elke merel. Maar na wel duizend wijsjes te hebben gehoord, geeft hij het op.

Thuis ligt hij alsmaar op zijn bed. Papa en mama, en ook Floor, kijken bezorgd.
“Waarom eet je niks? En je ziet zo bleek!”
Maar Bas schudt alleen zijn hoofd.

Op school lachen de kinderen hem allang niet meer uit om zijn regenlaarzen. Suffend zit hij op zijn stoel. Alleen met zingen let hij op. Stel dat de juf een wijsje begint dat op zijn melodie lijkt!

Maar op een dag komt er op het schoolplein een meisje naar Bas toe. Ze zit nog niet lang in zijn groep. “Hoi,” lacht ze. “Ik heet Madelief. Jij bent Bas, hè? Zullen we knikkeren?”
Bas knikt verlegen. Madelief heeft blonde krullen die alle kanten opspringen. En met haar viooltjesblauwe ogen kijkt ze hem nét zo vrolijk aan als zijn oude vriendinnetje.

Vanaf die dag staat hij nooit meer alleen op het plein. Altijd is Madelief er, en ook wel eens een ander kind. Omdat ze dicht bij elkaar wonen, krijgt hij ook in de buurt vriendjes.
Soms wil Bas nog wel alleen op zijn kamer zitten, lezen of vlinders tekenen. Maar na een tijdje belt Madelief dan aan: “Kom je, Bas?”

Op een zaterdag gaan ze in de vijver kikkervisjes vangen. Als ze er genoeg van hebben, gaan ze op het gras naar de blauwe hemel liggen kijken. In de verte vliegt een helikopter, verder is het stil. Tot er boven hun hoofd een merel begint te zingen: “Twie-iet-ie-iet — twiet-twiet-twiet.”
Bas schiet overeind. Dat is de melodie! Of in ieder geval het begin ervan.

Met zijn kopje schuin kijkt de vogel hem aan, alsof hij wil zeggen: “Bas, fluit jij het wijsje maar verder.”
Het begin is moeilijk, maar al gauw fluit Bas het hele wijsje. Alsof het nooit kwijt is geweest. Als hij op adem moet komen, neemt de merel het over. Dan is Bas weer aan de beurt.

Een hele tijd zijn ze zo aan het fluiten, als hij naast zich hoort zeggen:
“Bas, wat een mooi wijsje!”
Oh, Madelief! Bas stopt verschrikt. Nu zal zijn gevleugelde vriendinnetje zeker nooit meer verschijnen! Maar gek genoeg is hij juist blij. Blij dat nu ook Madelief zijn melodie kent.
En niemand anders!

De nieuwe burgemeester

In een héél klein dorpje, dat goed verborgen lag tussen bossen, weilanden en rustig kabbelende beekjes, werkten alle dorpsmieren van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat ijverig aan het opknappen en verbeteren van hun huis. Ze brachten allerlei materiaal bijeen om te bouwen en om nieuwe wegen aan te leggen. Er zat werkelijk niemand stil.

Op een vroege lentedag ging de burgemeester van dit mierendorpje met pensioen. Steeds werd er gepraat over wie de nieuwe burgemeester zou worden. Ondertussen gingen de dagen voorbij zoals altijd. Er werden mierenbaby’s geboren en er werden nieuwe huizen gebouwd. Bovendien zorgde iedereen voor elkaar. Ook verzamelden de inwoners voldoende voedsel voor de komende herfst en winter.

Image by Clker-Free-Vector-Images from Pixabay

Maar opeens was er een hoop lawaai in het dorpje. Iedereen krioelde door elkaar heen. “Wat is er aan de hand?” vroeg Thea aan haar buurvrouw, die ook naar buiten was gekomen.
“We krijgen eindelijk een nieuwe burgemeester,” vertelde de buurvrouw.
“O, daar had ik nog niets over gehoord,” zei Thea. “Maar waarom is iedereen dan zo aan het schreeuwen?”
“Och, Thea, als je eens wist…” Zuchtend ging de buurvrouw weer naar binnen om haar dochtertje eten te geven.

Toch wel nieuwsgierig geworden, besloot Thea om eens wat meer te weten te komen.
Ze wandelde naar het dorpsplein. Tot haar verbazing waren veel van haar dorpsgenoten aan het demonstreren op het plein, vlak voor de burgemeesterswoning. Sommigen hadden zelfs spandoeken meegebracht waarop stond: “Wij willen geen mankepoot!”
Thea vroeg zich af wat daarmee bedoeld werd. “Waarom gaat iedereen zo tekeer?” vroeg Thea met luide stem aan een demonstrant. Ze kon zichzelf nauwelijks verstaan door het kabaal.
“Weet je het nog niet? Onze nieuwe burgemeester mist een poot!”
Hoofdschuddend liep Thea naar huis. Ze vroeg zich af waarom haar dorpsgenoten zoveel drukte maakten. Iemand die een poot mist, kan toch nog wel een goede burgemeester zijn, dacht ze.

Intussen was haar dochter thuisgekomen van haar werk. Ze zat gezellig te praten met een onbekende jongen. Thea zag meteen dat die twee smoorverliefd op elkaar waren.
“Zo, Mieke, wie is die jongen?”
“Hoi mam, dit is Bob,” zei Mieke met een rode kleur.
“Dag Bob, ik heb jou geloof ik nog nooit eerder gezien in ons dorp,” zei Thea vriendelijk.
“Dat klopt, mevrouw, ik kom van ver en de gemeenteraad heeft mij gevraagd om naar uw dorp te komen,” vertelde Bob. “En onderweg ben ik uw dochter tegengekomen. En euh… ik vind haar heel erg lief!” zei hij enigszins stotterend.
“We willen zo snel mogelijk gaan samenwonen, mam,” zei Mieke.
Thea fronste haar voorhoofd. Dit ging haar toch wel wat te snel.

Thea, die de jongen wel aardig vond, keek nog eens goed naar hem.
Hij ziet er goed uit, dacht ze. Mooie ogen, lange antennes, sterke schouders en flinke poten. Flinke poten? Maar… Wat zag ze daar, of beter gezegd: wat zag ze daar niet?

Bob was haar al voor. “Tsja… Ziet u mevrouw, mijn ouders maken zuurstokken voor op de kermis. En als kleine jongen ben ik met mijn rechterachterpoot in het zuurstokkenzuur terechtgekomen… En daarom mis ik nu een stuk van die poot.”

Thea moest toen wel even slikken. Maar Mieke en Bob keken heel verliefd naar elkaar en konden het kennelijk goed met elkaar vinden. Thea vond dat die twee heel goed bij elkaar zouden passen. “Laat ik eerst maar een kopje thee maken, dan kan ik mijn gedachten even op een rij zetten,” zei Thea.

“Wel kinderen, als jullie echt willen samenwonen, dan vind ik het goed. Waar zijn jullie van plan om te gaan wonen?” vroeg ze terwijl ze van haar mierzoete thee proefde.
“In het huis van de burgemeester, mam,” zei Mieke.
“M-m-maar dan moet Bob onze nieuwe burgemeester zijn!” riep Thea verbaasd. Pas nu had ze door dat Bob en de nieuwe burgemeester één en dezelfde persoon zijn. “Oh, jongen, ik heb gezien hoe ze in het dorp over je denken…”
“Ja, mevrouw, ik heb ook het een en ander gehoord, maar ik ben dat wel gewend.”
“Mijn steun heb je, hoor,” zei Thea bemoedigend.

“BRAND, BRAND!!!” Thea’s buurvrouw, die in paniek was, schreeuwde het uit. Haar woning stond in brand en… Haar dochtertje was nog binnen.
Zo snel als hij kon, rende Bob naar de brandende woning. Thea en Mieke probeerden de buurvrouw te kalmeren. Er waren ondertussen al veel nieuwsgierigen bij de brandende woning. Ze keken naar het gloeiende schouwspel. Niemand durfde dichterbij te komen!

“Mijn dochtertje is nog binnen!” schreeuwde de buurvrouw. Bob bedacht zich geen moment en ging – met gevaar voor eigen leven – de woning binnen. Even later droeg hij het kleine meisje naar buiten. “Hier is uw dochtertje, mevrouw,” zei Bob tegen de buurvrouw, die de kleine meid sprakeloos in haar armen nam.
Ondertussen had de brandweer de brand geblust. De woning was helaas helemaal verloren gegaan.

“Jullie mogen wel zolang bij ons intrekken,” zei Thea tegen haar buurvrouw, die haar zeer dankbaar was. Met man en macht werd meteen aan de bouw van een nieuwe woning begonnen. Je begrijpt zeker wel, dat Bob nu juichend werd onthaald.
“Lang leve onze burgemeester!” klonk het overal.

Mieke was supertrots op haar Bob. Ze werden samen in een lange colonne begeleid op weg naar de burgemeesterswoning in het midden van het dorp. Tot in de kleine uurtjes werd nog lang nagepraat over deze wel heel bewogen dag.

De volgende dag ging het mierenvolkje weer verder met het vergroten en verbouwen van hun goed verborgen dorpje – hun werk van alledag.

Gedicht van de Sint

Op een vroege morgen zit de jonge Sint in bed.
Hij pakt zijn warme koffie, die zijn moeder had gezet.
Hij denkt aan zijn verjaardag en neemt een grote slok,
Hij denkt hoe druk hij ‘t heeft, neemt ‘t laatste uit zijn mok.

Hij trekt zijn onderjurk, mantel en sokken aan,
Om vervolgens ‘s middags op bezoek te gaan.
Hij denkt aan alle kinderen, die cadeautjes open maken,
Hoe blij ze zullen zijn, ongestoord door andere zaken.

Zaken die er zullen zijn als ze zijn opgegroeid,
Verwachtingen en zorgen, door ’t leven licht verknoeid,
Geen schaterlach maar glimlach, cadeautje opgeborgen,
De tijd gaat snel weer verder, vandaag zorgen voor morgen.

‘t Cadeautje verdwijnt dan in de drukte van de dag,
Misschien nog even terug, als naar huis gegaan mag.
Maar ja veranderen kan de Sint het niet,
Dit is hoe het leven gaat en vooruit schiet,
Dus hij geeft kinderen mee: lach hard,
Want later is te laat als ‘t volwassen leven start.

De kinderen verstomd, dan weer pepernoten eten,
De Sint stopt er drie in zijn mond, en denkt ‘k moet beter weten.
Hij verandert zijn gedacht en lacht als een kind,
Vergeet de mensen om hem heen als hij ‘t geluk weer vindt.

Dan ziet hij de jonge vrouw, ze kijkt hem vragend aan.
Volwassen blik, DE glimlach om haar mond staan,
Hij komt wat dichterbij en zegt dan zacht:
“Vergeet nooit, kind, het is een grote kracht,
Je bent nooit te oud, om gelijk wat te doen,
Neem het van me aan, ik ben zelf nog kapoen!”

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

Er was eens een elf november

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“Eet eens door,” zei mama tegen Sil en wees naar zijn bord met broccoli.
Sil keek naar buiten, het schemerde al. Nog even en de eerste lampionnen zouden aan de stokjes bungelend met een kind erachter voorbij komen. Spannend.
“Ik heb geen trek meer, ik zit vol.” Hij schoof het bord van zich af en keek nog eens door het raam de straat in. Nog niemand.

Mama stak de kaarsjes in de uitgeholde pompoenen aan en liep ermee naar de voordeur.
“Kijk eens wie we hier hebben,” riep ze vanuit de gang.
Sil wist al wie het was: Neles, zijn buurjongen. Ze hadden tenslotte afgesproken om samen te gaan deze elf november. Op school hadden ze een grote, zwarte spinnenlampion geknutseld met juf. Sils broertje was er een beetje bang voor; goed gelukt dus!

Jasper, Mila en de held

Er waren eens, in een bos hier ver vandaan, twee koalabeertjes: Jasper en Mila. Ze waren beste vrienden. Zo lang als ze zich konden herinneren. En op een dag zei Mila tegen Jasper: “Weet je, eigenlijk hebben alle meisjes toch een held?”
Jasper keek haar vragend aan: “Hoe bedoel je?” 
“Neem nu de prins van Assepoester. Of Tarzan van Jane. Er zijn gewoon veel helden maar ik heb er geen.”
“Sorry, ik begrijp niet zo goed waar je heen wilt,” zegt Jasper met een fronsend gezicht.
“Nou, wat ik wil zeggen is dat ik mijn held ga zoeken.” 

Toen was het even stil. Jasper wist niet zo goed wat hij moest zeggen. En zei toen uiteindelijk dat hij wel mee ging helpen zoeken. Zo gingen de twee op zoek. Naar Mila’s held. 

Als eerst hingen ze affiches op met: ‘Held gezocht’. Toen niemand hierop reageerde, bedachten ze een ander plan. Want de helden komen als je in nood bent. Dus zetten ze Mila in een boot, alleen op het water, zonder motor of peddels. 

Mila zat anderhalf uur op het water om hulp te roepen, tot Jasper de ijskoude rivier overzwom, naar Mila. Veel konden ze niet, want ze hadden nog steeds helemaal niks in de boot. Geen peddels, geen motor. Alleen Mila en een kletsnatte Jasper.
De stroming bracht hen uiteindelijk weer aan land. En na de hele middag om de rivier gelopen te hebben, kwamen ze weer thuis aan. Maar nog steeds zonder held. 

Toen bedacht Mila dat ze eigenlijk nog wel veilig was, in die boot. Misschien was daarom geen held gekomen? Pas als ze niet meer veilig zou zijn, zou haar held haar komen redden. Zo bedacht ze dat ze echt in gevaar moest zijn. 

En zo kwam het dat de volgende dag Mila en Jasper heel hoog in een boom zaten. Jasper keek bang naar Mila, maar ze was vastbesloten dat haar held zou komen. Het enige wat ze moest doen was uit de boom springen. Dus daar stond ze, klaar om te springen. 

Image by Martin Str from Pixabay

Ze deed haar ogen dicht en telde af. 1… 2… En ineens, net voordat ze zou springen, pakte Jasper haar hand vast. Ze raakte daardoor wel uit balans en viel…

Daar hing Mila, aan Jaspers hand, en Jasper vasthoudend aan een tak. 
“Wat doe je?” schreeuwde Mila boos.
“Ik ga je toch niet zomaar laten springen! Wat denk jij nou, dan val je en moet je naar het ziekenhuis of…”
Mila onderbrak hem: “Nee ik ga niet vallen, mijn held die…”
KRAK zei de tak waar Jasper zich aan vast had gehouden. En de twee vielen naar beneden. Nog steeds hand in hand.
Ineens begreep Mila alles. En toen vielen ze hard op de grond… En werd alles zwart…

~~~

Langzaam opende Jasper zijn ogen. Het eerste wat hij hoorde waren Mila’s woorden: “Hij is wakker!” 
Dan ziet hij haar gezicht. “Eyyy slapende held, ben je eindelijk wakker.”
“Wat?” Jasper is verward en ziet nu pas dat hij zich in een ziekenhuiskamer bevindt. 
“Ja weet je nog, mijn plan, met die boom? Nou eehh, ik heb een gebroken been, en jij een zware hersenschudding.”
Ze hinkte naar het bed en ging naast Jasper liggen. Daar lagen de koalabeertjes. De een duizelig, en de ander in het gips. 

Mila’s hoofd lag op Jaspers schouder en ze draaide haar hoofd naar hem toe. Ze keek hem even aan en dan fluisterde ze: 
“Weet je, het duurde even, maar toch heb ik mijn held gevonden.”

Het aquarium

Vandaag is het eindelijk zover. Al wekenlang heeft Emmy de dagen afgeteld. Vandaag gaat zij met haar juf en klasgenootjes naar het aquarium. Wat voor visjes zullen ze daar zien? En hebben ze daar octopussen?
“Kom,” zegt mama. “Stap maar snel in de auto, anders komen we te laat.”
Snel klimt Emmy de auto in. Haar voetjes trappelen heen en weer, zo veel zin heeft ze erin.

Al snel komen ze aan bij het aquarium. Juf Jolien staat haar bij de ingang met een paar klasgenootjes op te wachten.
“Fijn dat je er bent, Emmy,” lacht ze. “Ga maar naar binnen.”
Juf Jolien is de liefste juf van de school. Ze heeft zelfs snoepjes meegenomen!

Emmy geeft mama een kus op haar wang en huppelt met haar klasgenootjes naar binnen. Bij de ingang staat een enorme bak water. Emmy drukt haar neus tegen het glas. “Waaaaaauw.”
Op de bodem zitten een paar krabben. Ze lopen druk heen en weer en zwaaien met hun scharen.
“Kijk! Nemo!” wijst een meisje.
“En daar! Een octopus!” roept een ander jongetje.

Nadat juf heeft betaald, is het tijd om naar binnen te gaan. Ze lopen een grote zaal binnen. In het midden staat een grote, glazen muur. Er zwemmen vissen in alle kleuren van de regenboog. Er is zelfs een schildpad!
Alle kinderen komen bij de muur staan en drukken hun neus zo dicht mogelijk tegen het glas. Een anemoon op de bodem beweegt langzaam mee met de stroming. Een van de vissen zwemt naar Emmy toe en kijkt haar nieuwsgierig aan.
“Vissen zijn cool!” roept Bennie. “Kijk wat een mooie kleuren! Blauw en rood en geel en groen!”
Juf Jolien komt achter het groepje kinderen staan en wijst met ze mee naar de vissen die heen en weer zwemmen. Een groepje zeepaardjes verschuilt zich in de waterplanten en tussen de rotsen.

Photo by Daniel Corneschi on Unsplash

Nadat ze alles hebben gezien, is het tijd om naar de volgende zaal te gaan. Maar voordat ze daar kunnen komen, moeten ze door een grote, ronde gang van glas. Stapje voor stapje lopen ze naar binnen. Overal zijn vissen. Boven hen, links en rechts en zelfs onder hen. Er is zelfs een haai! En een dolfijn!
De kinderen kijken hun ogen uit. Op sommige stukjes glas zitten plantjes en stukjes koraal. Het ziet er prachtig en kleurrijk uit. Voorzichtig lopen ze door naar de andere kant van de gang. Ze kunnen hun ogen maar niet van de dieren af houden.

Ze komen bij een nieuwe zaal met in het midden een koffiehoekje en hoge, blauwe muren.
“Kom, kinderen. Tijd voor iets lekkers.”
Ze nemen plaats op een grote, ronde bank die uitkijkt op een ander groot aquarium. Er zit een grote inktvis in. Zijn lange tentakels zwaaien druk heen en weer.

Juf Jolien geeft iedereen een appel en een snoepje. Emmy heeft een smurfensnoepje. Het blauwe snoepje is lekker zoet. Daarna deelt juf Jolien limonade uit met gekleurde rietjes. De gekleurde streepjes zien er vrolijk uit en verkleuren wanneer de rode limonade er doorheen stroomt.
“Wat is het hier toch mooi,” glimlacht Emmy. Haar stralende oogjes zwieren nog rond de zaal. Boven de koffiehoek hangt een grote walvis.
“Dat is geen echte hoor,” legt juf uit. “Maar in het echt zijn het hele grote dieren.”

Wanneer iedereen zijn limonade en appel op heeft, is het tijd om naar het winkeltje te gaan. Iedereen heeft een paar euro van papa en mama gekregen om iets leuks als aandenken te kopen. Emmy heeft al snel haar souvenirtje gevonden. Het is een sleutelhanger met een zeepaardje eraan. De kleurrijke stof van het diertje voelt zacht aan en de oogjes fonkelen in het licht.

Dan is het tijd om de vissen gedag te zeggen.
“Dag visjes, doei dolfijnen. Tot ziens haaien, tot snel krabbetjes!”

Mama staat al op de parkeerplaats op Emmy te wachten, samen met een paar andere mama’s. Juf Jolien loopt met de kinderen mee en zegt ze gedag.
“Tot morgen, Emmy! Hopelijk vond je het leuk.”
Emmy en mama zwaaien juf Jolien uit totdat ze uit het zicht is.

“En, hoe was het?” vraagt mama. “Heb je het leuk gehad?”
“Ja!” roept Emmy blij. “Hééééél leuk!”
“Gelukkig maar,” zegt mama. “En nu, op naar huis.”
De auto hobbelt over de drempels maar Emmy heeft er geen last van. Nee, die voelt zich na deze dag zo gelukkig als een vis in het water.  

Luiaard Luna moet op reis

Luna is een kleine luiaard die samen met haar familie in het regenwoud van Peru woont. De bomen en planten zijn er zó mooi dat de mensen de streek ‘Madre de Dios’ noemen, Moeder van God.
Hangend in een boom ziet Luna hoe haar vader lekkere hapjes klaar zet voor zijn vrienden. Hij is er al uren mee bezig. “Als je niet snel bent,” zegt Pa keer op keer, “moet je voor alles meer tijd uittrekken.”

Voor Tapas de Miereneter staan er stokjes met honing en spartelende mieren. De Mocambo zaden met de lekkere pindasmaak zijn voor Teddy de Tapir. Reggie het Stekelvarken krijgt stukjes schors van de Kinaboom. Die zorgen voor een goed humeur.
Luna kan zien dat Pa nerveus is. Het moet een belangrijke bijeenkomst zijn.

~~~

De vader van Luna laat zijn gedachten dwalen. Het duurt nog even voordat het gebrul van de graafmachines stopt en de schemering invalt. Boom na boom wordt geveld. De geur van de mensen komt steeds dichterbij.

Het lawaai houdt veel dieren wakker die overdag moeten slapen. In de nacht, als het tijd is om te eten, zijn de kinderen moe en lastig. Geen wonder dat de grootste dieren al zijn vertrokken. 
Hij maakt zich zorgen over Luna. Ze is het liefste meisje van de wereld maar zelfs voor een luiaard is ze erg lui.

De rest van zijn kroost schuifelt van tak naar tak om de groenste bladeren te vinden. Luna hangt steevast op haar favoriete plek waar ze uitzicht heeft op de sterrenhemel. Helemaal uitgezakt en met een schuin hoofdje tuurt ze roerloos naar de maan.

Afbeelding van Minke Wink via Pixabay

Elke nacht brengt hij haar malse blaadjes en zegt ‘Morgen zoek je zelf wat’. Luna zegt nooit wat terug. Sinds haar geboorte heeft ze niet eens ‘mama’ of ‘papa’ gezegd. Soms denkt hij dat Luna uit luiheid niet wil praten.
Toch kan hij nooit boos worden op Luna. Als ze indommelt sluit ze langzaam haar ronde ogen tot scheve spleetjes. Onder haar platte neusje krult traag een brede glimlach. “Wat heb ik het fijn,” lijkt ze te willen zeggen.

Het gestommel van zijn vrienden trekt zijn aandacht. Ze zijn er.

~~

“Jullie weten dat Luna niet de snelste is…” zegt Pa en komt meteen ter zake. Hij denkt dat Luna niets kan horen omdat ze meestal slaapt tot laat in de avond.
Pa gaat verder: “We hebben lang gewacht, maar nu is het tijd om te vertrekken. Jullie zijn mijn beste vrienden. Laten we samen op reis gaan. Dan kunnen we om de beurt Luna dragen. Anders ben ik bang dat de mensen ons inhalen en de boom omkappen waarin we slapen.”

Tapas de Miereneter slurpt een sliertje mieren naar binnen en murmelt: “Het gaat niet zo goed met mijn rug. Ik word een jaartje ouder.”
Met zijn kort slurfje propt Teddy de Tapir achter elkaar Mocambo zaden in zijn mond. “Ik heb nu al geen controle over mijn kinderen,” roept hij iets te hard. “Als ik ook nog op Luna moet passen, word ik overspannen.”
Reggie het Stekelvarken is zo opgewekt van de Kinaschors dat zijn stekels rechtop staan in een waaier van zwarte en witte vlekjes. “Ik ben zelf maar klein,” piept hij, “voor mij is Luna te zwaar.”

De vader van Luna durft niet aan te dringen. Hij beseft dat elke familie haar eigen boontjes moet doppen. Ze praten nog wat over ditjes en datjes. Het is al helemaal donker als hij weer alleen achterblijft.

~~~

Luna heeft alles gehoord. Vanuit haar boom ziet ze hoe Pa verslagen voor zich uit staart. Kleine tranen rollen over zijn wangen.
Luna wil zeggen dat Pa niet verdrietig hoeft te zijn. Dat ze sneller zal klimmen. Dat het toch best aardige vrienden zijn. Dat het allemaal wel goed komt. Dat Pa de beste vader van de wereld is.
Maar Luna weet niet hoe ze woorden moet maken. Bijna gaat ze zelf huilen. Er zijn teveel gedachten in haar hoofd. Luna zucht diep. Haast ongemerkt maakt ze een langgerekte klank. ‘Aaaaah’.

Ze schrikt even. Maar het geluid is mooi. Ze wordt er rustig van. Adem in. Nog een toon, veel hoger nu.
Zo ontdekt Luna dat ze kan zingen.

Luna zingt een melodie zonder woorden. Alle dieren horen op hun eigen manier wat de muziek wil zeggen.
Tapas de Miereneter voelt zijn rug sterker worden. Zolang hij nog niet bejaard is, kan hij Luna heus wel dragen. Teddy de Tapir wordt altijd monter van spelende kinderen. Op Luna passen zal hem nieuwe energie geven. Reggie het Stekelvarken is klein van postuur maar groot in vriendschap. Luna mag op zijn rug voor korte stukjes.
En Pa hoort in het liedje hoeveel Luna van hem houdt.

~~~

De volgende ochtend gaan ze samen op reis.

Als je in Madre de Dios een luiaard ziet in een maanverlichte boom, luister dan goed. Misschien is het Luna en hoor je haar zingen…

POPULAIRE VERHALEN