De olifantjes

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In een grote dierentuin in een stad hier heel ver vandaan, verwachtten twee olifantenmoeders allebei een olifantenkind. Voor het personeel van de dierentuin was het erg spannend, stel je voor dat ze tegelijk zouden worden geboren!

Het eerste olifantje werd op een woensdag geboren. Alles ging prima! Moeder en kind maakten het heel goed en al snel was het jonge dier lekker melk aan het drinken bij zijn moeder. Zijn tante, de andere aanstaande moeder, kwam even kijken. Die dacht natuurlijk: Straks heb ik ook zo’n leuk beestje!

Wel, dat klopte precies! De maandag daarop werd het tweede olifantje geboren. Ook nu ging alles goed. De oppassers moesten ervoor zorgen dat de vaders er niet bij in de buurt konden komen en dat lukte. O, wat was al het personeel van de dierentuin blij dat alles zo goed was verlopen!

Het publiek kreeg er nog een paar weken niets van te zien. Eerst moesten de jonge dieren – samen met hun moeders – nog wat sterker worden en dan konden de nieuwe aanwinsten aan de bezoekers worden getoond.
Eén dag voor het zover was, stond er een groot artikel in de krant: KOM NAAR DE DIERENTUIN! KOM NAAR DE JONGE OLIFANTJES KIJKEN! stond er boven het verhaal. Dat hebben ze in de dierentuin geweten! De volgende dag stonden er een uur voor de dierentuin openging, al dikke rijen bezoekers voor de poort. Allemaal wilden ze als eerste de olifantjes gezien hebben. Toen de poort openging, stroomde de mensenmassa naar het gedeelte van de dierentuin waar de olifanten waren.

O, wat een teleurstelling. Het was net of de olifantenmoeders in de gaten hadden wat er aan de hand was. De kleintjes stonden wel in de olifantenweide, maar niemand zag er ook maar iets van! De beestjes stonden vlak bij het olifantenhuis en de twee moeders stonden voor de jonge dieren. Het enige dat het publiek kon zien, waren een stel kleine pootjes tussen de grote poten van de oudere dieren. Eén man schreeuwde: “Aan de kant met die dikke olifantenbillen!”
Maar de twee moeders deden net of ze gek waren. Ze bleven gewoon staan.

Toen kwam er een oppasser aan. Hij had een grote zak bij zich met allemaal lekkere groenten en lekker fruit erin. Al dat heerlijke eten strooide hij zo’n 20 meter van de olifanten vandaan op de grond. Dat bleek een goed idee te zijn! Langzaam maar zeker schuifelden de grote olifanten naar het eten toe. De kleintjes bleven eerst nog een poosje bij de muur van hun verblijf staan, maar toen gingen ze samen aan de wandel. Alle mensen juichten. Van schrik stoven de kleintjes weer naar achteren. Het publiek bleef nu stil toekijken wat er verder gebeurde. Na een tijdje liepen de jonge dieren overal op de olifantenweide rond. Iedereen vond het een prachtig stel.

De jonkies groeiden goed. Ze kregen nu niet meer alleen moedermelk, maar aten ook al van de groenten en het fruit, dat alle olifanten als voer kregen.
Ze waren nu niet meer zo heel erg klein en niet bang meer voor het publiek. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze een beetje ondeugend werden.

Tussen de olifantenweide en het publiek was een strook water. Toen de kleintjes op een dag gezien hadden, hoe een ouder dier met zijn slurf water opzoog om dat daarna over zichzelf heen te sproeien, wilden ze dat ook wel eens proberen. Wat hadden ze daar een plezier in! Ze spoten zichzelf nat en daarna alle ooms en tantes die in het olifantenverblijf woonden. Op een dag kreeg er één een geweldig idee. Hij zoog zijn slurf goed vol met water en sproeide toen alle mensen, die voor het water stonden te kijken, drijfnat! Dat vond het andere olifantje ook wel een leuk spelletje! En weer ging er een dikke straal water over het publiek heen. De mensen stoven alle kanten op! En de olifantjes? Sommige mensen wisten zeker dat ze die twee hard hadden horen lachen.

De kleintjes hadden trouwens nog een leuk grapje! Als ze hun slurf uitrekten om iets lekkers van iemand uit het publiek aan te pakken, dan hielden ze hun slurf vlak bij het hoofd van die man of vrouw en pakten dan niet het lekkers, maar begonnen hard te trompetteren. Wat een deugnieten!
Als je ooit hoort dat er ergens jonge olifantjes in een dierentuin zijn, dan moet je beslist eens gaan kijken!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Onder de grond

Copyright Jan Rood

Een enkele keer heb ik het volgende verhaal weleens aan grote mensen verteld, maar niemand geloofde me. Sterker nog, ze lachten me uit en dat terwijl ik kon bewijzen dat het waar was.

Maar misschien komt dat omdat oudere mensen geen fantasie hebben. Ze kunnen het zich gewoon niet voorstellen en dan is het voor hen niet waar. Maar kinderen hebben wel fantasie en daarom zal ik het nog één keer vertellen. Het verhaal gaat over een olifant die een mol wilde zijn.

Een olifant is, zoals we weten, een heel groot dier. Het heeft een slurf zodat de olifant zowel takken uit hoge bomen kan eten alsof het struiken waren die op de grond groeiden. Heel handig voor dat soort dingen. Maar hij is dus een planteneter. Je ziet ze ook weleens in ons land, dan staan ze in een dierentuin of circus.

Maar wat misschien niet iedereen weet, is dat zo’n olifant een staart heeft met een borstelig uiteinde. Nu bezocht ik eens een dierentuin waar ik een olifant zag staan zonder zo’n borsteltje en omdat ik dat vreemd vond, vroeg ik hem hoe dat kwam. De olifant vertelde me het volgende:

Voordat ik hier in de dierentuin rondliep, was ik circusolifant. Ik deed kunstjes voor het publiek en vond dat best leuk. Het circus waar ik bij hoorde, reisde het hele land door. En als ze soms in een rustig dorp waren, mocht ik ook weleens los lopen, zodat ik wat van bomen en struiken kon eten. Zo gebeurde het dat ik op een dag langs de kant van de weg een mol in het gras zag. Nu zitten mollen normaal gesproken altijd onder de grond om gangen te graven om zo wormen te kunnen vangen.  Maar soms komen ze ook weleens boven de grond, bijvoorbeeld, om een brede weg over te steken. En op zo’n moment zag ik hem. Ik besnuffelde hem wat met mijn slurf en vroeg: “Hoe is dat, de hele dag onder de grond. Vind je dat niet eng?”

“Nee hoor”, antwoordde hij, “het is juist spannend. Het is donker en je weet nooit wat je in een gang tegenkomt”.
“Dat wil ik dan ook weleens meemaken”, zei ik toen, “maar daar ben ik als olifant niet geschikt voor”.
“Onzin”, zei de mol. “Weet je hoe je dat doet? Je steekt je slurf in een molshoop en zuigt dan zo hard als je kunt en voor je het weet zit je onder de grond”. 

Zo gezegd, zo gedaan en nadat ik ontzettend hard gezogen had en na enig wroetwerk om mijn grote lichaam zo’n mollengang in te persen, ja hoor, zat ik met mijn hele lijf onder de grond. Alleen het puntje van mijn staart bleef nog boven de grond uitsteken. Maar inderdaad, het was daar pikkedonker en best wel een beetje eng.
“En nu?” vroeg ik toen aan de mol die naast me in de gang zat.
“Wormen vangen, natuurlijk”.
“Ik vind het hier best spannend”, antwoordde ik, “maar ik lust helemaal geen wormen. Ik houd van takken en bladeren en fruit vind ik ook heel lekker, maar wormen, nou nee.”
“Tja”, zei de mol, “dan heb je hier verder weinig te zoeken”.
“Nou, dan ga ik maar weer”, zei ik en perste mezelf weer naar buiten. Alleen het puntje van mijn staart moest eerst onder de grond en toen weer naar buiten en dat lukte niet zodat de kwast bleef steken en losliet.

“Vandaar dat je nu een kale staart hebt”, zei ik toen tegen de olifant, “maar deed dat geen pijn?”
“Nee hoor, en bovendien zat hij al een beetje los en als het goed is groeit hij na verloop van tijd gewoon weer aan”.
“Ik geloof niks van je verhaal”, antwoordde ik.
“Eigenlijk kan me dat niet schelen. Maar ik kan het toevallig bewijzen”.
“Huh?”

Nu is het bekend dat olifanten een heel goed geheugen hebben en dat klopt, want hij noemde de naam van het dorp en de weg waar het gebeurd was en waar volgens hem het puntje van zijn staart nog boven het gras langs de weg moest uitsteken.

Een paar weken geleden ben ik naar dat dorp toe gereisd en heb die bewuste weg opgezocht en geloof het of niet, die staart stak nog steeds boven het gras uit en om het te bewijzen heb ik er een foto van gemaakt. En als je het nu nog niet gelooft, weet ik het niet meer.

Copyright Jan Rood

De bal is zoek

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

De bal is weg, de bal is zoek
Hier, daar of in de andere hoek
Waar is hij nou?
Hij glipte door mijn mouw

De bal is maar klein
Niet groter als een muis
Ik zoek buiten op het plein
In de tuin en achter het huis

De bal is blauw met een rode streep
Eerst kapot maar geplakt met een stukje tape
Nu stuitert hij weer hoog in de lucht
Kom ook t’rug, zeg ik met een zucht.

Maar nu is hij echt weg, foetsie
Ik vind hem wel terug, een makkie
Hij zal niet ver weg zijn
Misschien bij mijn speelgoedtrein

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com


Ik loop naar de trein en ik til hem op
Daar achter ligt hij, mijn mooie blauwe ding
Mijn zoektocht is nu klaar, ik lach en ik stop!
Ik ben blij. Hup! Ik dans en ik spring

Ik stuiter nu nog, maar minder hard
Anders gaat mijn zoektocht weer van start

Het koalabeertje

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In het verre Australië woonde eens een koalabeertje genaamd Ko.
Ko leefde daar samen met zijn vader en moeder en nog een paar jongere zusjes. Zoals alle koala’s was hij overdag een paar uur bezig met het oppeuzelen van zijn lievelingseten: de bladeren van een eucalyptusboom. Iets anders lustte hij niet. Maar de rest van de dag verveelde hij zich. Zijn vader en moeder en zijn zusjes lagen bijna de hele dag te slapen en dat vond hij maar een rare gewoonte. Hij zou veel liever de wijde wereld intrekken en daar een heleboel avonturen beleven!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Op een dag had hij meer dan genoeg van zijn saaie leventje tussen al die eucalyptusbomen en hij besloot ervandoor te gaan. Hij nam een paar flinke takken eten mee en vertrok. Hij liep het bos uit en al snel kwam hij bij een weg. Oei, dat was gevaarlijk! Auto’s reden af en aan en hij moest goed oppassen dat hij niet werd aangereden.

Het schaap dat Bèèèèh heette

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Heel hoog in de bergen woonde een arme man met een schaap dat Bèèèèh heette. Nu was Bèèèèh geen gewoon schaap, maar een schaap dat kon praten.
De arme man vond dat niet vreemd. Hij had altijd al met Bèèèèh gepraat en Bèèèèh wist een heleboel te vertellen: over het gras en de wolken en de vogels en nog veel meer dingen die schapen interessant vinden.

Maar op een dag kwam er een man van het circus langs en die vond het wel vreemd dat een schaap kon praten.
“Een schaap dat kan praten!” zei hij bij zichzelf. “Dat moet ik hebben voor mijn circus. Dan komen er een heleboel mensen kijken en word ik rijk.”
Hij bood de arme man twee zilveren munten aan, maar deze glimlachte en zei: “Bèèèèh is niet van mij maar van haarzelf. Als ze met u wil meegaan, dan kan ik haar niet tegenhouden, maar ik zal haar wel missen.”

Bèèèèh dacht dat ze de arme man ook wel een beetje zou missen, maar ze kon alleen maar denken aan al die mensen die naar het circus zouden komen om haar te zien!
“Ik ga mee,” zei ze en stapte in de woonwagen van de circuseigenaar, die natuurlijk heel blij was en haar beloofde dat ze alleen het beste gras te eten zou krijgen.

Na drie dagen reizen kwamen ze aan in een grote stad, waar de circuseigenaar meteen zijn circustent neerzette en overal vertelde dat zijn circus een sprekend schaap had. De mensen stroomden toe om het wonderlijke schaap te zien.

Eerst vond Bèèèèh het allemaal geweldig. Maar na enkele dagen had ze helemaal geen zin meer in al die schreeuwende mensen met hun domme vragen waar geen enkel schaap wat van wist.
“Bèèèèh, zeg eens, vind je dat meisjes lippenstift moeten dragen?”
“Bèèèèh, hoeveel mensen houden van spaghetti?”
“Bèèèèh, waarom is de aarde rond?”

Na een week raakte Bèèèèh helemaal in de war en ze wilde alleen nog maar naar huis. En hoe meer ze in de war raakte, hoe meer ze begon te stotteren tot ze uiteindelijk helemaal niet meer uit haar woorden kon komen.
Toen begonnen de mensen in het publiek te roepen dat ze hun geld terug wilden. “Het schaap kan helemaal niet praten!” schreeuwden ze.

Nu werd de circuseigenaar kwaad op Bèèèèh en hij begon haar te slaan. “Kom op! Geef antwoord als de mensen je wat vragen!” zei hij.
Maar Bèèèèh kon alleen nog maar stotteren dat ze naar huis wilde. De circuseigenaar duwde haar zijn circustent uit en zei: “Nou, dan doe je dat maar. Ik wil je niet meer zien, dom schaap.”

Bèèèèh stond nu helemaal alleen op straat in de grote stad. Een hond rook aan haar benen en dacht: “Dat ruikt lekker, daar moet ik maar eens in bijten.”
Bèèèèh gaf hem een trap met haar achterpoten en rende hard weg.

Daarna kwam plots een man met een mes achter haar aangelopen. Hij had een slagersschort om. Daar moest Bèèèèh niet van weten! Gelukkig ging de zon net onder, zodat ze zich in het donker kon verbergen.

De maan scheen en heel in de verte kon ze de bergen zien. Hoewel ze moe en bang was, wist ze dat ze daar naartoe moest, want daar woonde de arme man en al haar dierenvrienden.
Ze rende zo snel als ze kon de stad uit terwijl het nog donker was. De weg was lang en vermoeiend, omdat hij steeds omhoog ging. Maar dat vond Bèèèèh niet erg. Ze wandelde heuvel na heuvel op en hoe dichter ze bij de bergen kwam, hoe gelukkiger ze zich voelde. Na een week wandelen stond ze weer voor het huis van de arme man. Deze keek blij uit het raam.
“Ik ben terug,” zei Bèèèèh, “en ik ga nooit meer weg. Ik heb je zo gemist. Ik ben toch echt maar een dom schaap.”
“Nee hoor,” zei de arme man. “Je bent helemaal niet dom. Je weet veel meer dingen over het gras en de bomen en waarom de vogels vliegen dan ik. Maar ik ga eerst je wol wassen. Er zitten allemaal vieze dingen uit de stad in.”
“Bèèèèh!” zei Bèèèèh, die het er helemaal mee eens was en nooit meer weg wilde. “Bèèèèh!”

En als je ooit een schaap Bèèèèh hoort zeggen, dan weet je dat het iets probeert te vertellen over de wolken of de vogels of het gras, dus luister dan maar goed!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

De prinses

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In een land hier ver vandaan woonden eens een koning en een koningin. Ze hadden een dochtertje dat Denise heette. Prinses Denise dus!
Nu denk je misschien: ik wou dat ik een prinses was, dan zou ik geld genoeg hebben om allemaal leuke dingen te kopen. En iedereen vindt je dan aardig en het is altijd feest! Maar Denise dacht daar heel anders over. Wat was er aan de hand?

Help! Er zit een muis op het fornuis

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

“Ik heb honger,” jammert kleine muis.
Mama muis geeft haar een dikke kus. “We gaan straks naar het fornuis.”
“Het fornuis? Het fornuis?” vraagt kleine muis. “Het is hartstikke gevaarlijk in het mensenhuis!”
“Gaan we echt?” vraagt papa muis verbaasd.
Maar mama knikt. “Ja heus, ja heus.
Ruik al dat lekkers maar eens met je roze neus.”

Papa ademt diep in en langzaam uit.
Dan roept hij luid: “We gaan eropuit!”
Hij wijst met zijn wandelstok in de lucht.
“Ik kan niet wachten op zo’n lekker knapperig beschuit.
Daar in de keuken achter de kast.
Het is daar zo vol dat de rol er maar net in past.”
“Oh papa muis,” zegt mama muis met een lach.
“Als we extra voorzichtig zijn wordt het een smakelijke dag.”

Als alles stil is komen ze uit hun kleine holletje.
“Pas op!” roept mama muis waarschuwend.
Te laat… Kleine muis stoot zijn kleine bolletje.
“Au, dat doet pijn.”
“Ja dat krijg je nou,” bromt papa muis.
“Het is niet altijd fijn om zo klein te zijn.”

Op hun tenen lopen ze over de stenen grond.
Ze kijken goed in het rond.
Er is niemand te zien, dus nu kunnen ze lekker smikkelen van al dat zoets.
Dat is nog eens iets goeds!

Als papa muis het beschuit heeft gevonden,
schrikt hij plotseling van een hard geluid.
Woef, woef, woef. Oh nee! De grote honden!
Ssst… Daar lopen ze.
Met hun grote snuit voor zich uit.
Ze snuffelen en ze snuffelen… Ze snuffelen en snuffelen…
Ze snuffelen hier. Ze snuffelen daar.
Hmm, denken ze. Het ruikt hier een beetje raar.
Straks hebben ze het nog door!

Kleine muis springt in de la
en mama muis gaat haar achterna.
De hond hoort het geluid van bestek.
Er hangt een klodder kwijl uit zijn bek.
Hij stormt de grote keuken in en zoekt overal.
Dan wordt hij afgeleid door een grote gele bal.

“Hier Fritsie hier!” roept een kleine jongen met een groene tas.
Hij stopt zijn armen in zijn dikke jas.
“We gaan een rondje lopen op het veld.
Er zijn wel vijftig rode bloemen. Ja echt! Ik heb ze geteld.”

De jongen loopt met de hond naar buiten.
De muizen horen de deur achter hem sluiten.
Opgelucht komen ze weer tevoorschijn en verzamelen een heleboel eten.
De koekjes, de chips en zeker de kaas mogen ze niet vergeten.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Dan horen ze een harde gil.
Daar staat een huisvrouw met een bril.
“Dit wordt me echt te veel! Henk help! Een muis op het fornuis!
Oh en daar nog één en daar!
Oh wat vies! Kijk eens wat naar!”

Maar vóórdat de man beneden is, zijn de muizen al verdwenen.
Net zo snel als ze voor de vrouw waren verschenen.
En ze hebben al het lekkers meegenomen.
De mensen kunnen nu niet meer achter ze aankomen.
Nu moeten ze het hele aanrecht afstoffen.
Daar loopt het vrouwtje. Klagend op haar roze sloffen.

“Dat was spannend,” zegt papa muis.
Ze zitten net weer veilig in hun holletje.
“Ja,” zegt kleine muis.
“Nou, nou, nou,” mompelt mama muis.
“Dat was echt geen lolletje.”
“Het is allemaal goed afgelopen. Ik heb zelfs een frikandel,”
giechelt kleine muis. Papa muis kijkt nieuwsgierig op.
“Mmm… dat lust ik wel.”
“Een frikandel. Dat is toch niet gezond?”
klaagt mama muis. “Maak het niet te bont.”
“Wij kunnen alles hebben,” zegt kleine muis. “Ik stop het gewoon in mijn mond.”

“Wow mama moet je dat eens zien!” roept kleine muis.
Hij wijst naar een groot poppenhuis.
“Mag ik daar niet even spelen?”
Mama denkt diep na. “Nou héél misschien.”
“Oh toe nou mama! Ik pas echt heel goed op.”
“Als je dat maar doet mijn kleine schattebout. Want jij bent echt geen pop.”
“Maar ook geen bout,” grapt kleine muis en ze steekt haar vinger op.

Kleine muis gaat het poppenhuis in en speelt uren lang.
Dan huppelt er een groot mensenmeisje uit de donkere gang.
“Nellie, Jos. Ik ben er weer. Nu kunnen jullie gaan trouwen.
En dan zal ik een huis voor jullie bouwen.”

Ze tilt de pop op en strijkt door haar blonde haar.
Kleine muis duikt trillend achter de poppenbank.
Hoe krijgt ze dit nu weer voor elkaar?
Het meisje ziet de muis
en gromt. “Weer een muis. Ksssjt.
Weg! Uit mijn huis!”

Buiten adem komt kleine muis
weer aan in zijn eigen huis.
“Rustig maar,”
troost papa muis. “Je hebt het goed gedaan. Echt waar.”
Het is al laat en ze gaan eindelijk slapen.
Ze hebben gegeten en gespeeld.
Nu kruipen ze lekker dicht bij elkaar.
Want al het zware werk is weer klaar.

Een modderbad voor Biggetje Bee

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

‘Het stinkt, mama’. Biggetje Bee trekt haar neus op.
‘Ach nee, Biggetje Bee. Het is verkoelend en goed voor je huid’. 
Mama Big zoelt nog eens lekker door de modder. Zoelen is modderbaden. Je neemt dan een modderbad. 
En papa en mama Big doen dat altijd in de zomer. 
Dan is het warm en dan heb je wat verkoeling nodig. 

‘Ik ga er niet in, hoor!’
Biggetje Bee rent naar binnen. Ze pakt haar boek en begint te lezen. Buiten hoort ze Mama en Papa Big plezier maken in het modderbad. 
Ze maken elkaar nat en tekenen gekke figuren op hun buik.

Binnen moet Biggetje Bee lachen. Die malle Papa en Mama toch.
Ineens is haar boek niet meer zo leuk. Biggetje Bee kijkt alleen maar naar buiten.
Dan springt Biggetje Bee ineens uit haar stoel. Ze is dapper en wil ook in het bad. Ze trekt haar kleren uit en rent naar buiten. 
Biggetje Bee doet haar ogen dicht. Ze wil niet zien hoe ze de modder in gaat. Met een modderplons springt ze het modderbad in en….

Biggetje Bee is helemaal bruin. Ze zit helemaal onder de modder.
Waar is Biggetje Bee toch gebleven?

Mama en Papa Big lachen en samen maken ze plezier.
‘Het is helemaal niet eng. Het is leuk. Mag ik op je buik tekenen, Papa?’ 
Biggetje Bee kijkt vrolijk en Papa Big wordt een zebra. Biggetje Bee tekent allemaal strepen op zijn buik en rug. Dat is grappig. 
‘Nu ben je Papa-zebra-Big!’ En alledrie moeten ze hard lachen. 

Wat is het fijn om in het modderbad te zijn.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

De tovenaar

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

De tovenaar had heerlijk geslapen. Hij wreef zijn ogen uit en stapte toen uit zijn bed. Zo, nu eerst een lekker maaltje, dan werd het vast weer een fijne dag!

Toen hij zich had gewassen en aangekleed ging hij naar beneden. Daar stond op de tafel zijn bord al klaar. Waar zou hij vandaag nu eens van gaan smullen?
Ah, hij wist het al: heerlijke muesli met yoghurt en natuurlijk wat suiker. Hij hield zijn beide handen boven zijn bord en hij sprak een geheimzinnige toverspreuk uit. En wat er toen gebeurde? Helemaal niets! Dat was een tegenvaller! Elke morgen had hij voor zichzelf een heerlijk ontbijt getoverd, elke middag een verrukkelijke lunch en ’s avonds nog eens een fantastisch lekker diner! Wat was er aan de hand? Kon hij niet meer toveren?

Hij probeerde het nog een keer, maar weer bleef zijn bord leeg. Iets anders proberen dan maar. Hij had zijn haar nog niet gekamd. Toch nog maar eens de haarkamspreuk proberen. Maar na zijn toverwoorden zat zijn haar nog net zo slordig als daar­voor. De arme tovenaar snapte er niets meer van.

Hij besloot maar eens een bezoekje te gaan brengen aan de man die hem de toverkunst had geleerd: Matak, de grote tovenaar.
Hij stapte in zijn autootje en reed naar het huis van zijn grote voorbeeld. Gelukkig was de beroemde Matak thuis. “Wat kan ik voor je doen?” vroeg hij.
“Ach, grote tovenaar,” zei de tovenaar, “ik kan het niet meer. Geen één toverkunst lukt me meer!”

“Wat heb jij de laatste tijd getoverd?” vroeg Matak.
“Nou, lekkere ontbijtjes, heerlijke lunches en fantastische diners! En ik kam elke morgen mijn haar met een toverspreuk.”

“Ik snap het al,” zei Matak toen. “Je hebt je toverkunst alleen maar voor jezelf gebruikt en elke keer dat je voor je eigen plezier tovert, verlies je er iets van. Ga naar huis en doe eens iets voor anderen! Dan zal je vast wel weer kunnen toveren.”

Onze tovenaar wist niet hoe hij het had. Iets voor anderen doen! Daar had hij nog nooit aan gedacht! Maar hij wilde toch proberen zijn toververmogen terug te krijgen. Met zijn hoofd vol vragen reed hij naar huis terug. Hij zette zijn auto in de garage en ging lopend de stad in. Nu moesten er goede daden gedaan worden, en vlug ook!

Plotseling zag hij iets. Aan de kant van de weg stond een oud vrouwtje, dat kennelijk niet durfde oversteken. Hij pakte het oudje bij haar arm en toen er even geen auto’s aankwamen, nam hij haar mee naar de overkant.
Het vrouwtje stribbelde wel tegen, maar daar trok hij zich niets van aan! Aan de overkant begon ze tegen hem te schreeuwen: “Stoute meneer, ik wil hele­maal niet naar de overkant!” En voor hij iets terug kon zeggen, rende ze alweer terug naar de plaats waar ze eerder had gestaan.

De tovenaar wandelde verder. Daar zag hij een koopman, die een handkar tegen de helling van een brug op probeerde te duwen. Onze tovenaar kreeg medelijden met de man en hielp hem de kar te duwen. Bovenaan de brug bedankte de man hem heel hartelijk. Als dank kreeg hij een paar wortels.
“Voor uw avondmaal!” zei de koopman.

Even later zag de tovenaar hoe twee grote jongens een veel kleinere jongen aan het pesten waren. Hij sprong ertussen en de kleine jongen kon ontkomen aan zijn belagers. “Dank u wel!” riep hij.
Zozo, alweer een goede daad, dacht onze vriend en hij wandelde weer verder.

Langs de kant van de weg was een meisje de ramen aan het wassen. Ze stond bovenaan de ladder toen er een hond kwam aanrennen. Die botste tegen de ladder aan en het meisje viel naar beneden. De tovenaar rende erop af en kon het meisje nog net op tijd opvangen. Ze vloog hem om zijn hals, zo blij was ze! De tovenaar begon er nog plezier in te krijgen om anderen te hel­pen!

Aan de overkant van de straat stond een klein jongetje. Naast hem stond een driewieler­tje. Het kind huilde tranen met tuiten. De tovenaar ging erop af.
“Waarom huil je zo?” vroeg hij.
Het jongetje antwoordde: ”Mijn fietsje is kapot. Ik kan er zo niet meer mee thuiskomen!”
Uit gewoonte sprak onze tovenaar een toverspreuk. En waarachtig, het fietsje was weer heel! Hij kon weer toveren! En één ding wist hij zeker. Hij zou voortaan zoveel mogelijk zijn tover­kunst gebruiken om anderen te helpen!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Prinses Varia is verliefd

CC Creative Commons - bron: pixabay.com

Vrolijk zingend huppelt Prinses Varia door de paleistuin. Het is een mooie dag, het zonnetje schijnt en vlinders dartelen om Prinses Varia heen.
Opa Koning bekijkt het glimlachend en loopt naar haar toe.
“Goede morgen, prinses. Wat ben jij vandaag vrolijk?”
“Hmm, hmm,” klinkt het dromerig en Prinses Varia danst verder door de tuin.
Dan blijft ze ineens staan. “Opa, jij vind oma lief, he?
“O, ja, zeker.”
“En wat geef je iemand die je lief vindt?”
“Dat is makkelijk. Oma wordt altijd blij van bloemen. Vooral als ik ze zelf voor haar geplukt heb.”
“Oh, wat een goed idee, opa.” En weg rent Prinses Varia.

VOLG ONS

529FansLike
6VolgersVolg
38VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN