1.1. Marga en de ongewone dag

Copyright Petra van Engelenburcht

“Bah! Bah en nog eens bah. Die gemene pestkopperige naarlingen. Wat zijn ze toch gemeen, die rottige kevervreters. Ik geef ze de prikkietel als ze me weer pesten.”

Een klein mager meisje met rode krullen en groene ogen in een roze nachthemdje stampvoet boos. Dat is eigenlijk heel gewoon. Maar het is echt niet gewoon voor een klein meisje van acht jaar om de deur van haar kamertje te ontvloeken als ze net is opgestaan. Dat moet wel, want haar vriendjes vinden het altijd leuk om te plagen.

Nu ook weer. Kijk toch wat ze haar nu weer hebben aangedaan. Die gemene valse watervlooivangers. Het heksje kijkt naar haar voeten. Het zijn geen gewone kleine meisjesvoeten. Nee, allebei haar voeten zijn zo groot als een brood! Aan één grote teen bungelt nog net een klein paars pantoffeltje. Het kleine driftige heksje stampvoet weer en alles in haar kamertje rammelt en klingelt ervan.

Copyright Petra van Engelenburcht

“Bleh,” zucht Marga diep, “die flauwe plaagkoppen zijn altijd gemeen tegen mij.”
Boos zijn helpt niet. Het kleine heksje denkt even diep na, tot ze weet wat te doen tegen die gekke grote voeten. Na drie tovergebaren zijn ze gelukkig weer weg.

~~~

Marga woont in Wekasy. Ken je dit kasteel? Wel eens van gehoord? Misschien hebben ze op school wel eens aangewezen op de kaart waar het zou kunnen liggen? Nee? Wel, dat is misschien maar beter ook.

Wekasy is namelijk een groot kasteel waar iedereen kan toveren. Echt iedereen is heks of tovenaar, eigenlijk al vanaf de geboorte. Dat kan best gevaarlijk zijn. Kom je als tante of oom, je nieuwe nichtje of neefje een kadootje brengen en wil je de kleine even gezellig kietelen? Voor je het weet, veranderen al je vingers in snoepen of worteltjes. Krijg je ineens een olifantenslurf of verander je zelfs in een konijntje!

In Wekasy is iedereen daar wel aan gewend, eventjes de onttoveringsspreuk zeggen, drie keer achter elkaar, en er is niets meer aan de hand. Hoewel, als konijntje is dat niet zo gemakkelijk, dan moet iemand je even helpen. En als het misgaat, is iedereen ergens in veranderd en kan niemand de onttoveringsspreuk zeggen! Tja, toveren kan best gevaarlijk zijn. Vooral als het door een boos iemand wordt gebruikt. Dan kunnen er de engste dingen gebeuren.

Daarom ligt het kasteel Wakasy ergens waar niemand er zomaar even langs kan komen. Dus als je het kasteel toch op een of andere vakantie tegenkomt? Ga dan niet eventjes een selfie maken of wat foto’s. Gewoon doorstappen en vergeten waar je Wakasy juist vond.

Marga zit er op de toverschool om te leren toveren en eigenlijk… Ja, het is helemaal niet leuk om dat te moeten zeggen… Eigenlijk is Marga de slechtste van de hele klas!
Oh jee, dat vindt het kleine heksje helemaal niet leuk. Ze wordt zelfs heel erg boos als ze haar daarmee pesten, want Marga is het meest driftige heksje dat je jezelf maar voor kan stellen. Als ze staat te stampvoeten en haar gezicht knalrood wordt, als er vonken van haar vingers afspringen en ze allemaal boze woorden schreeuwt, dan wordt er al gegiecheld. En als ze daarbij als een driftig stuiterballetje op en neer springt? Dan schreeuwt iedereen het uit van het lachen!

~~~

Marga zou het liefste op haar kamer willen blijven, daar is ze tenminste veilig, maar ja, ook kleine heksjes moeten naar de wc. Marga moet plassen. Ze is nu extra voorzichtig. Als ze de deur maar heel lichtjes aanraakt? Hé. Gelukkig, er gebeurt niets.

Ze doet de deur op een kiertje open en kijkt naar links en naar rechts. Er is nergens iemand te zien die haar wil pesten. Wel ziet ze een lange gang met een boel deuren met vrolijke kleuren. Eén deur is zo breed, dat je er met twee tegelijk door kan. Die deur is van de kleefaan-tweeling, Medusa en Zedusa. Zij zijn de gemeenste pestkoppen van allemaal.

Voorzichtig doet ze de deur verder open. Er groeien boompjes met paarse bloemen in de gang en de vloerbedekking is van fris groen gras vol bloemetjes. Drie witte eenhoorntjes met gouden manen, niet hoger als haar knie, rennen spelend voorbij.

Copyright Petra van Engelenburcht

Vóór Marga weer een stapje naar buiten doet, kruist ze haar beide wijsvingers over elkaar. “Abracadabra,” fluistert het kleine heksje. Dat is de sterkste bezwering om je te beschermen tegen tovenarij, het meest belangrijke toverwoord dat er maar bestaat. “Abracadabra”, fluistert Marga weer. Ze doet opnieuw een pasje naar voren. Ze wil het toverwoord net weer zeggen; en dan…!

“Booeehhh!”
Met geklauwde vingers springt een pestkop naar voren. Hij had zich verstopt achter de kleine struik met de mooie paarse bloemen naast de deur.

“Rudy!” Marga bedekt vol schrik haar bonkend hart en kijkt hem boos aan. Haar broer is al veertien jaar oud. Drie keer zo groot als zij, met zwart krullend haar en blauwe ogen. Zijn benen zijn erg lang en mager in zijn zwarte broek en op zijn rode trui staat een springende eenhoorn.
“Boeh,” zegt haar broer grinnikend nog een keer. Hij heet eigenlijk Rudolf, naar zijn vader, maar iedereen noemt hem Rudy. Rudy lacht omdat hij haar te pakken heeft.

Copyright Petra van Engelenburcht


“Rudy! Jij gemene lelijke briepekop! Krijg de prikkietel!” Marga begint in haar nachtponnetje op en neer te springen. Ze wordt knalrood en schreeuwt, “jij akelige gemene pestkop! Zwarte vleerkop!”
Rudy moet steeds meer lachen als zijn zusje zo kwaad wordt.
Marga wijst boos naar hem, “Krijg de prikkietel, Fliffelfluffie!” schreeuwt het springende heksje haar toverwoord.

Copyright Petra van Engelenburcht

Oh ja, elke heks of tovenaar heeft een eigen toverwoord, waarmee alleen zij kunnen toveren. Probeer het maar, zeg gerust drie keer achter elkaar Fliffelfluffie, dat helpt niets als je niet kan toveren.

“Had ik jou lekker te pakken, zusje,” zegt Rudy tevreden en hij grinnikt, maar… Uit het niets duiken een paar grote handen op. Die handen gaan naar hem toe en de grote vingers geven Rudy van links een por tussen zijn ribben. “Ho! Dat is niet eerlijk,” roept Rudy, als hij ook van rechts door een hand gekieteld wordt.
Marga lacht tevreden. Ze had niet verwacht dat haar betovering veel zou doen, maar Rudy roept, “ih,” en, “ah,” en springt gekieteld door de twee handen heen en weer. Tot hij zijn wijsvingers tegen elkaar kan drukken en “abracadabra” uit hijgt tussen het lachen door. Rudy moet het nog twee keer zeggen voor Marga’s betovering verdwijnt.

Het Toverpotlood

Ella wordt vandaag vijf. Zij ziet er prachtig uit in haar prinsessenjurk en tiara in haar haar.

Ella’s tante heeft een pakketje voor haar bij de voordeur achtergelaten. Ze maakt het open. Het is een potlood en op het gummetje staat geschreven: ‘Geniet ervan!’.
‘Wat is DIT nou, een potlood? Ik heb daar nooit om gevraagd!’, zegt Ella verbaasd.
Zij probeert er mee te schrijven of mee te kleuren, maar…dat lukt niet.
‘Dat is gek, ik kan hier niks mee doen. Er komt niks uit’, en ze gooit het potlood, hup, zo in een hoek.

Ding dong! De deurbel gaat.
Jasmijn, Sterre en Hanna zijn er.
‘Oh nee! Jullie hebben óók al prinsessenjurkjes aan! Dat mag niet hoor!’, zegt Ella teleurgesteld.
Iets later belt Isabella aan. Zij heeft een prachtige tiara en glitters in haar haar.
Op dat moment komen Mark, Tom en Daan de tuin binnen scheuren op hun fietsen en ze
maken nog een paar rondjes door het gras. Het gras en modder vliegt achter hun banden
omhoog.
‘NEE! Niet fietsen!’, roept Ella boos.
Even later gaat de deurbel nog een keer.
‘Oh! Het busje met de verjaardagstaart is er’, zegt Mama opgewekt en ze loopt naar de
deur om de taart aan te nemen.
‘Kijk, prinsesje, je taart is er’, zegt ze en zet de taartdoos op tafel.
Alle kinderen gaan om de tafel heen staan en kijken nieuwsgierig naar de doos.
‘Hè, een VOETBALtaart?!? Ik vroeg toch om een prinsessentaart!?’, roept Ella.
‘Ah, liefje, ik zie het probleem niet. Taart is taart en deze is vast net zo lekker’, zegt Mama.

‘Ik wil geen voetbaltaart, ik wil een PRINSESSENTAART!’ roept Ella boos.
‘Stomme dag!’
‘Stomme taart!’
‘Stom potlood, of…. weet ik veel wat dat is’.


Zij pakt het potlood weer en deze keer kijkt ze van heel dichtbij naar het zachte gummetje.
Er staat heel klein ‘3x’ op geschreven.
Ella drukt op de gum.
Een keer… Twee keer… Drie keer…
Ineens ontstaan er glitters en sterretjes rond het gummetje.
‘Wow, een prinsessentaart!’, roepen alle kinderen nu verbaasd.

‘Nu snap ik het, het is een toverpotlood!’ zegt Ella glunderend.
‘Dan ga ik iets leuks proberen!’ en ze drukt weer 3 keer op het gummetje…
Ineens staan Jasmijn, Sterre en Hanna in hun pyjama’s.
‘Hahaha, ze staan in hun slaapkleren’, zegt Mark hard.
‘Ja, dat is grappig!’ Tom en Daan lachen nu ook hard.
Maar Sterre kijkt met gepruilde lippen naar Ella en Jasmijn begint te huilen.
Ella drukt het gummetje nóg drie keer in.
De broek van Mark valt omlaag en hij heeft ineens een luier om.
Daan krijgt een rol wc papier op zijn kop en het wc papier wikkelt zich helemaal om hem
heen.
En Tom krijgt een dikke speen in zijn mond.
‘Ik ben de hele dag de baas’, zegt Ella en ze drukt weer op het gummetje.
Isabella’s haar gaat helemaal slordig omhoog staan.
‘Ella? Wat ben jij aan het doen?’, zegt Mama verbaasd.
‘Alles leuker maken’, zegt Ella, en drukt nog drie keer het gummetje in.
Mama krijgt nu een hele dikke bibs, zo groot dat haar rok helemaal scheurt.
Woepie het hondje rent blaffend naar Ella toe.
Nu is Woepie aan de beurt!
Ella drukt 3 keer en Woepie wordt ineens een kat!
Woepie schrikt er zelf zo erg van dat hij het gordijn in springt.
‘Ik wil naar huis’, zegt Isabella met trillende stem.
‘Ik ook, ik ook…’, zeggen de anderen.
‘Ik vind het ook niet meer leuk’, zegt Mama.
‘Maar ik wil niet dat iedereen weg gaat. Dan heb ik geen vrienden meer’, bedenkt Ella snel
en ze drukt nog drie keer op het gummetje.
Dan krijgen Jasmijn, Sterre en Hanna hun mooie prinsessenjurken terug.
En Isabella krijgt mooi stijl haar met een schitterend grote tiara.
Marks luier, Toms speen en Daans wc papier zijn hup… weg.
Mama wordt weer zoals ze altijd was. Zij staat met een prachtige jurk in de kamer.
En Woepie staat naast Ella en kwispelt met zijn staartje.

‘Zullen wij nu gaan zingen?’, zegt Mama terwijl ze een diepe zucht slaakt.
‘Nou… Wacht nog even’, zegt Ella en ze drukt nog drie keer op het gummetje.
De hele kamer wordt tot het plafond gevuld met cadeautjes.
Op de cadeau’s staan geschreven: ‘Voor Ella’.
Zo’n leuk verjaardagsfeestje heeft Ella nog nooit gehad.

De tractor

Afbeelding van ambermb via Pixabay

Op een morgen liep Erik met zijn opa door de buurt waar hij met zijn vader en moeder woonde. Opa was een keertje verkeerd gelopen en Erik begon moe te worden. Maar toen ze bijna aan het einde van de lange wandeling waren, zag Erik opeens iets heel bijzonders. Hij kon zijn ogen bijna niet geloven! Daar, aan de rand van de stoep, met nog wat andere rommel, stond een TRACTOR! Erik had altijd al een tractor willen hebben!

Opa bekeek de tractor en zag al snel waarom het voertuig bij het grofvuil was gezet.
Er zaten wel trappers aan om met de tractor te kunnen rijden, maar de stang waarmee de achterwielen konden draaien, was afgebroken.
“Kan hij nu nooit meer rijden, opa?” vroeg Erik.
Opa keek nog eens goed en zei toen: “Ik denk wel dat ik dat karretje weer aan het rijden krijg.”

Opa tilde de tractor op en droeg hem naar Eriks huis. Zijn grootvader dook meteen de schuur in. Hij draaide een paar schroeven los en even later lag de hele aandrijving van de tractor al op de werkbank.

Afbeelding van ambermb via Pixabay

Die middag ging hij samen met Erik naar de smid in het dorp.
“Beste smid,” zei opa, “kunt u deze twee stukken ijzer weer aan elkaar lassen?”
Welnu, dat kon de smid wel. “Kom morgen maar weer terug,” zei hij.

De volgende dag gingen ze weer terug naar de smid. Gelukkig had hij alles keurig netjes kunnen repareren en nog diezelfde middag had opa het karretje weer in elkaar gezet. Trots als een pauw zat Erik op het stoeltje van de tractor en reed hij rond zijn huis. O, wat was hij blij met zijn mooie groene tractor!

Er gingen een paar dagen voorbij en Erik speelde elke dag met zijn nieuwe tractor. Ook zijn vriendjes mochten er af en toe een ritje mee maken. De ene dag maakten ze een reis door de wijk waar Erik woonde en de andere dag reden ze weer door een andere wijk.

Op een dag gebeurde er echter iets verschrikkelijks! Die middag was Erik weer met zijn tractor gaan rijden. Na een uur kwam hij opeens hard huilend naar huis gelopen. Zijn moeder schrok ervan! Zo had ze haar zoon nog nooit horen brullen. Eerst kon ze absoluut niet verstaan wat Erik haar probeerde te vertellen. Maar na een kwartiertje begreep ze eindelijk wat er gebeurd was. Tijdens een ritje met zijn tractor was Erik in de buurt gekomen van de straat waar hij met zijn opa de tractor had gevonden. Opeens was er een grotere jongen op hem afgerend en die had geschreeuwd: “Wat doe jij met mijn tractor? Geef hier dat ding! Die is van mij! Die tractor heb jij van ons gestolen! Gewoon van de straat gepakt en mee naar huis gesleept!”
Voor Erik wist wat er gebeurde, had de jongen hem van de tractor afgetrokken en was hij er met zijn mooie groene karretje vandoor gegaan. Erik had nog geschreeuwd:
“Die tractor heeft mijn opa zelf gemaakt!”, maar de jongen had hem al niet meer gehoord.

“Weet je nog bij welk huis de tractor toen stond?” vroeg Eriks moeder.
Nee, dat wist hij niet. Hij had toen meer naar de tractor gekeken dan naar de omgeving. Zijn moeder pakte meteen de telefoon en belde opa op. Ze vertelde het hele verhaal.
Opa was woedend. “Zomaar de tractor afpakken! Ik wil die knaap wel eens spreken!” riep hij door de telefoon. “Ik kom er meteen aan!”

En ja hoor, een uurtje later liep Erik al met zijn opa door de straten. Opa keek goed naar de huizen en opeens riep hij: “Daar staat die rode bloem voor het raam! Daar zocht ik naar! Hier gaan we aanbellen.”

Een vrouw deed de deur open. Opa vroeg: “Hebt u vorige week een tractor bij het grofvuil gezet?”
De vrouw deed net alsof ze van niets wist.
“Ik zal het eens aan mijn man vragen,” zei ze.
Op dat moment ging er een deur achter in de gang open. Een jongen vroeg:
“Wie is er aan de deur?”
Erik had nog net gezien dat er achter die deur iets groens stond en hij wist zeker dat dit de jongen was die zijn tractor had afgepakt. “Jij hebt mijn tractor gepikt!” riep hij boos.
“Ik zag hem net achter die deur daar staan!”

De jongen begon vreselijk te huilen. Zijn moeder trok hem naar zich toe. Toen vertelde zij haar verhaal: toen de tractor kapot was gegaan, had de jongen, die Kees heette, zo gehuild. Maar zijn vader wist niet hoe hij de tractor moest repareren. Kees had dat zo erg gevonden dat hij er een paar nachten niet van had kunnen slapen. Toen hij vanmiddag zijn tractor weer terug had gezien, had hij hem van Erik afgepakt.
“Je mag hem weer terug hebben, hoor,” zei Kees. “Jouw opa heeft hem voor jou gerepareerd en misschien krijg ik ooit wel eens een nieuwe.”
Kees had tranen in zijn ogen en het scheelde maar een haartje, of Erik was mee gaan huilen. Toen zei Erik: “Als je weer eens een stukje met je oude tractor wil rijden, kom dan gerust maar bij me langs!”

En zo werden Erik en Kees dankzij de tractor de beste vrienden!

Het vrolijke meisje

Afbeelding van Mimzy via Pixabay

Op een hele saaie dag,
in een heel saai dorp,
in een heel saai land,
hier heel dichtbij,
zat een meisje reuzeblij.

Haar haren waren lang en krullerig,
haar jurkje sierlijk en rood.
Haar verhalen waren vol met kleur,
haar gedachten vrij en rijk,
maar een ding vond ze vreselijk.

Kon ze haar geluk maar delen,
zouden anderen ook maar zien,
wilden zij ook maar verwonderen,
al was het maar heel kort misschien,
al was het maar een seconde of tien.

Op en dag liep zij langs ’t putje
waar ze heel vaak zat,
te denken aan de mooie wonderen,
op haar gezicht een lach,
maar wat ze nu toch zag.

In het putje lag een glimmend dingetje,
te blinken in de plas,
ze bukte zich en pakte het,
om te zien wat dit voor wonderlijks was,
toen viel het in het gras.

Het begon meteen te fonkelen,
verspreidde felle kleuren,
het kleurde heel de wereld vol
en eindelijk was alles goed,
eindelijk had iedereen moed.

Barend het bokje

Het is wel meer dan een miljoen jaar geleden dat er grote dinosaurussen op de wereld waren. In diezelfde tijd liep ook een klein bokje genaamd Barend op de aarde rond. Barend was soms een beetje eigenwijs en deed dan precies wat hij wilde.

Op een dag liep hij door een stuk grasland en probeerde hij wat mals gras te vinden. Van dat lekkere, sappige groene gras. Maar het enige gras dat hij vond was geel en droog. Hij at het wel op want hij had honger, maar lekker vond hij het niet.

Opeens begon het hevig te regenen. En weet je wat raar was? Tegelijk met al die regen bleef toch de zon nog schijnen! Toen zag Barend een wonder gebeuren. Aan de hemel stond een grote boog met de prachtigste kleuren die je bedenken kunt! Rood, oranje, geel, groen en nog veel meer kleuren. Barend vroeg aan een oude bok, die vlak bij hem aan het eten was:
“Wat is dat nu voor moois?”
De oude bok zei dat hij het ook niet wist en maakte een grapje: “Als je de plaats kunt vinden waar het einde van die boog op de aarde staat, dan vind je daar het sappigste gras van de hele wereld!”

Die avond verliet Barend de kudde. Hij trok eropuit om het einde van de regenboog te vinden. Al gauw kwam hij bij een rivier. Daar moest hij overheen, maar hoe? Gelukkig stond er vlak bij de waterkant een grote brontosaurus, een dinosaurus met een hele lange nek. Barend vroeg aan de brontosaurus:
“Zou u mij naar de overkant kunnen brengen?”
Dat wilde het dier wel. Het ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Barend wipte met een flinke sprong boven op zijn rug. Samen liepen ze naar het water en de brontosaurus liep er een eindje in. Toen het te diep werd, deed de dinosaurus zijn nek recht naar voren zodat die een smalle brug vormde naar de overkant en zo wandelde Barend heel voorzichtig naar de kop. Toen hij halverwege was, draaide het dier zijn kop om.
“Duurt het nog lang?” vroeg de brontosaurus. “Ik begin een stijve nek te krijgen!”
Eindelijk was Barend aan de overkant en hij sprong van de kop op de grond.
“Nog bedankt, hè!” riep hij. Barend kon weer een eindje verder!

Al snel was er een tweede hindernis. Nu lag er een heel groot meer voor hem. Barend wist zeker dat hij over het water moest om het malse weitje te vinden. Maar kijk, daar zag hij een paar pteranodons! Dat zijn hele grote dinosaurussen met brede vleugels met een soort klauwen aan het uiteinde ervan. Hij stapte op het tweetal af en vroeg of ze hem naar de overkant van de rivier wilden vliegen. De kleinste van de twee vond dat wel een leuk idee. Zomaar met een bokje op je rug vliegen! “Stap maar op!” zei hij.
Barend sprong op de rug van het dier. De vliegende dinosaurus sloeg zijn grote vleugels uit en weg vloog hij. Maar zonder Barend! Die was van schrik van zijn rug afgevallen!

Met een bocht kwam de pteranodon teruggevlogen en meteen daarna stegen ze samen op. Bokjes hebben geen klauwen waarmee ze zich kunnen vasthouden, maar ze kunnen wel op gladde rotsen klauteren! Nu bleef Barend stevig op de rug van het beest staan. Af en toe keek hij even naar beneden en dacht: “Waar ben ik toch aan begonnen?” Maar na een kwartiertje vliegen daalde de dinosaurus en kon Barend zijn reis vervolgen. Maar eerst ging hij wat uitrusten. Barend ging liggen en was al snel in bokjesdromenland.

De volgende dag stapte hij stevig door. Toen hij boven op een heuvel kwam, zag hij opeens dat er voor hem een groot veld lag met allemaal dezelfde struiken. Hij liep eropaf en toen hij er dichtbij was, zag hij dat de struiken allemaal scherpe dorens hadden. Daar kon hij nooit doorheen! Maar wat liep daar? Een styracosaurus! Dat is een grote dinosaurus met een hele rij horens op zijn kop. Het dier liep recht op de doornstruiken af!
“Mag ik meerijden?” vroeg Barend. Het mocht gelukkig en al snel was hij op de rug van het dier geklommen. Hij drukte zich tegen de horens zodat hij niet zou vallen. Met een vaart stormde de styracosaurus door de struiken. Toch duurde het wel een uur voor ze er helemaal door waren. Barend bedankte het dier en vervolgde zijn tocht naar het einde van de regenboog.

En toen gebeurde er iets vreselijks! Het begon te regenen, maar de zon bleef ook schijnen. En wat zag Barend in de lucht? Juist, een prachtige regenboog. Maar nu stond die boog achter hem! Precies in de richting waar hij vandaan was gekomen! Zou de oude bok hem beetgenomen hebben? Daar leek het wel op. O, nu moest hij dat hele eind weer terug!

Maar zover kwam het niet. Opeens merkte hij dat hij aan de rand stond van een heerlijk malse weide! En hij was niet alleen! Ook in dit deel van het land woonden bokjes. Al gauw kon Barend heel goed opschieten met zijn nieuwe vrienden. Hij vond er ook nog een lief geitje en samen leefden ze daar nog lang en gelukkig.

Koning Daan moet nodig

Zoals elke dag was koning Daan
precies om acht uur opgestaan.
Hij deed zijn gouden slippers aan
en nadat hij zijn kroon had opgezet,
liep hij haastig naar het toilet.

Maar op het koninklijk toilet
hing een bordje met: BEZET!
De koning brulde kwaad:
‘Wie houdt daar mijn wc bezet?!
Dit is een koninklijk toilet!
Het is verboden wat u doet,
vooral omdat IK nodig moet.’ 

Maar het bleef merkwaardig stil.
Wie zat daar op zijn gouden bril?
Wie plaste in zijn pot van goud?
Wie was daar zo ontzettend stout?

Hij klopte op de deur en luisterde
toen hoorde hij een stem die fluisterde: 
‘Papa..?’
De deur klikte zachtjes van het slot
en wie zat daar snikkend op de pot?

‘t Was het kleine prinsje Jelle
hij huilde:’ ik moet je wat vertellen
er is daarnet iets misgegaan
ik heb het in m’n broek gedaan.’ 

‘Ach’, zei de koning en gaf Jelle een kus,
‘joh, dat overkomt iedereen wel es.
Zelfs een prins en zelfs een koning,
ik geef je zo wel een verschoning.
Wacht maar op de gang op mij
want ik moet er even bij.’ 

De koning deed de deur op slot
en ging snel zitten op zijn gouden pot.
Maar ‘ t was te laat, want voordat hij zat
was plotseling zijn broek kletsnat!

OEPS!!! 

Dus hier een goede raad van koning Daan:
altijd op tijd naar het toilet toe gaan!
Maar gaat het toch mis, dan weet je dus:
het overkomt iedereen wel es.

Mini-monster en de slakken

“Hè, bah!” Mama loopt het huis binnen nadat ze de krant uit de brievenbus heeft gehaald. Met een vies gezicht kijkt ze naar haar pantoffels. Het is een beetje vochtig buiten en er glijden allemaal slakken over straat. Ze is per ongeluk op ééntje gaan staan. Haar pantoffel is helemaal slijmerig vies geworden.
“Die moet eerst schoongemaakt worden,” zegt mama, terwijl ze op de deurmat haar pantoffel uittrekt.

Mini-monster vind slakken wel leuke diertjes. Sommige slakken hebben van die grappige huisjes op hun rug. Kleine slakken hebben kleine huisjes en grote slakken grote huizen. Sommige hebben helemaal geen huisjes, mama noemt ze naaktslakken. Naaktslakken zijn heel groot, zwart met oranje.
Soms, als het geregend heeft en de zon weer gaat schijnen, ziet hij allemaal zilveren lijntjes glimmen in de tuin. Mama heeft hem verteld dat dat slijmsporen zijn die de slakken achterlaten als ze zich verplaatsen. Hij heeft ook weleens een slak opgepakt en toen werden zijn kleine monster vingers ook helemaal glibberig.
Soms zit er wel eens een slak op het raam. Hij gaat dan binnen kijken hoe de slak er aan de onderkant uitziet.

Mama-monster houdt niet van slakken. Ze maken alles vies met hun slijmsporen en ze eten de bladeren van de planten in de tuin. Sommige planten hebben grote gaten in hun mooie bladeren, dat komt omdat de slakken de bladeren opeten.
Mini-monster wil mama graag helpen om de slakken uit de tuin te houden maar hij weet niet zo goed hoe hij dat moet doen. Terwijl hij zijn boterham eet en een beker melk drinkt, denkt hij na over het probleem.

Opeens heeft hij een idee. Hij gaat een slakkengevangenis maken. Dan kan hij daar alle slakken in doen en kunnen ze niet meer van mama’s mooie planten eten. Als hij zijn lunch op heeft, doet hij zijn jas en schoenen aan en gaat naar buiten. Hij heeft het zandemmertje uit zijn zandbak meegenomen en hij zoekt de hele straat af naar kiezelstenen.
Als zijn emmertje half vol is gaat hij naar de tuin. In de hoek van de tuin legt hij de stenen in een mooie cirkel. Daarna legt hij er nog een randje met stenen tegenaan. Als hij nog stenen over heeft legt hij bovenop de beide cirkels weer een laagje stenen. Dan is hij klaar. Tevreden kijkt hij naar zijn bouwwerk. Hij vindt dat hij een mooie gevangenis gemaakt heeft en dat het tijd is om de slakken uit de tuin in zijn gevangenis te doen. Hij neemt zijn emmertje weer in de hand en gaat op zoek naar slakken. Hij vindt er wel twintig. Grote en kleine met huisjes en ook een paar naaktslakken. Voorzichtig legt hij ze één voor één in zijn zelfgebouwde gevangenis.

Afbeelding door cablemarder op Pixabay 

Het wordt al donker als mama hem naar binnen roept. Hij legt nog vlug een paar blaadjes van een plantje uit de tuin in zijn gevangenis en hij vind ook nog een dop van een fles, in een waterplas vult hij de dop met water en zet die ook bij de slakken. Dan kunnen de slakken eten en drinken.

Eenmaal thuis moet hij wel drie keer zijn handen wassen voordat alle slakkenslijm van zijn handen gepoetst is. “Mama, nu heb je geen last meer van de slakken. Ik heb ze in mijn slakkengevangenis gedaan.”
Mama vraagt hem of dat niet een beetje zielig voor de slakken is.
“Nee, hoor mama, ik heb ze blaadjes gegeven om te eten, ze kunnen samen spelen en morgen mogen ze er even uit.”

Na het eten gaat hij met zijn blokken spelen. Als hij naar bed moet, kijkt hij nog even door het raam de donkere tuin in maar hij kan zijn gevangenis niet meer zien. Het is al veel te donker geworden.


De volgende ochtend kleedt hij zich snel aan en wil naar buiten om de slakken nieuwe blaadjes te geven. Maar hij moet eerst ontbijten van mama.
“Misschien hebben mijn slakken wel heel erge honger mama,” sputtert hij nog tegen. “Eerst je ontbijt eten, monsterlijk monstertje van me,” zegt mama.

Als hij dan eindelijk naar buiten mag, doet hij snel zijn jas en schoenen aan. Hij rent de tuin in om bij zijn gevangenis te kijken. Bij het bouwwerk gekomen schrikt hij. De gevangenis is leeg. Waar zijn alle slakken gebleven? Er is geen slak meer te zien in zijn gevangenis. Ook de blaadjes die hij er gisteren ingelegd had zijn weg. Hij ziet dat de vloer en de muur van zijn gevangenis glinsteren van alle slijmsporen. Maar er is geen enkele slak in zijn bouwsel te vinden.

Mama komt bij hem staan. “Zijn ze weg?” vraagt ze.
Mini-monster knikt een beetje verdrietig. “Ik wou je helpen, zodat ze je planten niet zouden opeten,” zei hij met een bibberig stemmetje.
“Ach weet je monsterlijk mini-monster van me, alle dieren verdienen een plekje op de wereld en soms vinden wij ze een beetje lastig. Maar ze horen er wel allemaal bij. Mijn planten krijgen wel weer nieuwe bladeren. Maar zie je hoe mooi ze de vloer en de muren van je bouwwerk versiert hebben met hun slijmsporen? Het lijkt wel een glinsterende feestzaal.”

Nu mini-monster weet dat mama het eigenlijk helemaal niet zo erg vindt dat slakken van haar planten eten, doet hij de stenen weer in het emmertje en gaat hij een kasteel bouwen in de zandbak. En het kasteel versiert hij met de van slakkenslijm glinsterende stenen.

Op stap met Zibo

Zibo is een kleine zebra. Weet je wat een zebra is? Juist. Het is een wit paard met zwarte strepen. Of is het omgekeerd, een zwart paard met witte strepen? Ach, wat maakt het uit.

Afbeelding door Guido Aerts

Zibo gaat vandaag de wereld verkennen. Hij stapt vrolijk hinnikend door de velden. Vele dieren verstaan de mensen als ze praten. Een hond weet wat hij doen moet als je hem een pootje vraagt. Een paard die een kar trekt, weet wanneer hij moet stoppen.

Maar mensen weten niet precies wat de koe bedoelt als ze loeit. Als een kat miauwt weet je misschien dat ze eten wil, maar wat heeft ze precies gevraagd? Misschien miauwt ze wel dat ze een stukje van jouw lekkere wafel wil, die je aan het eten bent Wie zal het zeggen?

Maar nu verder over onze Zibo de zebra, die door de natuur wandelt. In een weide ziet hij een koe staan. Hij stapt er naar toe en zegt: “Dag beest.”
De koe kijkt op en antwoordt: “Ook een goeiedag.”
“Wat ben jij en hoe heet jij?” vraagt Zibo.
“Ik ben een koe en mijn naam is Bella,” zegt Bella.
“Ben jij een nuttig dier?” vraagt Zibo verder.
“Vast en zeker,” knikt Bella, “ik geef melk aan mijn kalfjes en aan de kinderen. Maar wat is jouw naam?”
“Ik ben Zibo. Zeg Bella, geef jij je melk ook aan de grote mensen?”
“Ja, hoor, Zibo, er zijn wel duizenden koeien over heel de wereld en die geven per dag miljoenen liters melk aan alle mensen en dieren.”
“Dat is super, denk ik. Dag Bella,” zegt Zibo en hij stapt verder.

Afbeelding door nyochi op Pixabay 

Daar ziet hij hoe uit een bloem een diertje kruipt. Het heeft vleugels en een geel achterlijfje waarop zwarte streepjes staan, net als bij hem.
“Hoi,” zegt Zibo, die zijn neus vlakbij de bloem brengt.
“Zoem zoem,” antwoordt het diertje.
“Wat ben jij en hoe heet jij?” vraagt Zibo.
“Ik ben een bij en heet Angèle. En wie ben jij dan wel?” vraagt Angèle.
“Ik ben Zibo, de Zebra. Maar… ben jij wel een dier?” twijfelt Zibo.
Het bijtje springt op de neus van Zibo en zegt: “Natuurlijk ben ik een dier! Ze noemen mij een insect.”
“Zo, dat is straf,” zegt Zibo, “en wat doe jij zoal en hoe kom je aan die mooie naam?” “Ze hebben mij Angèle genoemd omdat bijen een angel hebben. Daarmee kunnen wij steken als iemand ons pijn wil doen. Maar als men ons rustig laat werken gebruiken wij onze angel nooit. Dat is anders bij wespen. Die zijn gevaarlijk en prikken veel.  Een wespensteek doet best pijn.”
“Dat is goed om te weten. Welk werk doe je dan, Angèle?” vraagt Zibo nieuwsgierig.
“Wij halen nectar uit de bloemen en daar maken wij honing van. Dat is heel gezond om te eten voor klein en groot,” zegt de bij en ze zoemt weg.
Honing, dat ken ik niet, denkt Zibo. Maar dat ga ik vast eens proeven, zeker als het zo gezond is.

Even verder ontmoet Zibo een schaap. “Dag beest,” zegt Zibo.
“Bèèèh, hallo,” zegt het schaap.
En wat denk jij dat Zibo vraagt? Wat ben jij en hoe heet jij? natuurlijk.
“Ik ben een schaap en heet Krul,” antwoordt het dier.
“Mooie naam,” zegt Zibo, “ik ben Zibo. Zeg ben jij een nuttig dier?”
“Natuurlijk, ik geef wol aan de mensen die er lekker warme truien kunnen mee breien,” antwoordt Krul.
“Dat is fijn, maar niets voor mij,” zegt Zibo: “ik vind een trui veel te warm.”
“Heb jij het dan niet koud zo?” vraagt Krul.
“Waarom zou ik?” vraagt Zibo.
“Zo in jouw streepjespyjama?” lacht Krul.
Zibo denkt even diep na en dan schatert hij het uit en zegt: “Natuurlijk, Krul, dat heb jij goed gezien, jij dikke krollebol.”
Als de beide dieren bekomen zijn van het harde lachen, stapt Zibo tevreden terug naar huis. Wat een heerlijke dag was dit, denkt hij.

Zevelientje

Pixabay License

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was, noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Dan deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp.
Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis.

Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit.
Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was.
“Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…”
“Of anders wat?” vroeg Zevelientje.
“Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?”
“Zal ik helpen?” vroeg Zevelientje.
“Nee, hier ben jij veel te klein voor!” zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus?
Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!”
De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Pixabay License

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje:

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te huppelen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield.
De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij weer kwam! Snel sprak Zevelientje nog een spreuk:

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree!
De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en opnieuw dichterbij kwam…

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam.
De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in.
De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk.

En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen. Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!”
De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!”

Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?”
Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Erik de eekhoorn

Ergens in een groot bos woonde eens een groep eekhoorns. Er stonden een heleboel verschillende soorten bomen in het bos, waaronder veel dennen. Je weet vast wel dat eekhoorns het allerliefst noten eten, maar ze halen ook heel graag de kleine zaadjes uit dennenappels.

Eén van de eekhoorns heette Erik. Erik was een tamelijk grote mannetjeseekhoorn en hij had iets heel bijzonders! Erik had namelijk de mooiste staart van het hele bos. Tenminste, dat vond Erik zelf. Zo’n prachtige pluim had niemand! Altijd als Erik iemand tegenkwam vroeg hij: “Wie van ons tweeën heeft de mooiste staart?”
Meestal vond de andere eekhoorn dan de staart van Erik voller, mooier van kleur of langer dan zijn eigen staart. Erik kon er geen genoeg van krijgen en telkens weer vond hij een andere eekhoorn om staarten mee te vergelijken.

eekhoorn met mooie staart
Pixabay License

Maar toen gebeurde er iets vreselijks! Een meisjeseekhoorn had een vriend gevonden bij een andere groep eekhoorns en die vriend was met haar meegekomen naar haar eigen bos: het bos waar Erik woonde. De eerste keer dat Erik de nieuweling tegenkwam, speelde hij zijn spelletje weer. “Wie van ons beiden heeft de mooiste staart?”
De nieuwe eekhoorn, die Eddy heette, keek eerst eens naar de staart van Erik en toen naar zijn eigen staart en zei toen: “Mijn staart is langer dan die van jou. Mijn staart is ook breder dan die van jou. Ik heb dus de mooiste staart!”

Erik wist niet wat hem overkwam. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt! Wat een brutale vlegel! Maar in zijn eekhoornhartje wist hij wel dat Eddy gelijk had. Hier moest iets aan gedaan worden! Erik ging naar de rand van het bos, waar de mensen wonen, om daar eens wat rond te kijken. En wat zag hij daar? Bij een huis stond een man bij een raam. Naast hem stond een blikken bus. Daarin doopte de man een stokje met een pluim van haren eraan en vervolgens streek de man met die pluim over het hout dat om het raam heen zat. Op datzelfde ogenblik veranderde de kleur van het hout van een vaalgrijs in prachtig rood!
O, als hij nu eens zo’n mooie rode staart zou kunnen krijgen! Dan was hij meteen weer de mooiste eekhoorn.

Terwijl hij naar de schilder stond te kijken, hoorde hij hoe een vrouw naar de man riep: “Hans, kom je theedrinken?”
Hans zette meteen de kwast in het verfblik en liep het huis binnen. Zo gauw als hij kon, rende Erik op het blik en de kwast af. Hij gooide de kwast aan de kant en doopte vlug zijn staart in de rode verf. Hij zag dat hij een prachtige rode staart had gekregen. Hij schudde zijn staart eens flink. De druppels verf spatten in het rond en het raam zat vol rode vlekjes. De vrouw kwam naar buiten gestormd en Erik ging zo snel als hij kon naar zijn eekhoorngroep terug.

Zo trots als een pauw liep hij met zijn rode staart rond. Nu zullen ze toch wel vragen hoe ik zo’n mooie staart heb gekregen, dacht Erik. Maar nee, hoor. De eerste die hem aansprak vroeg: “Erik, wat is er met je staart gebeurd?!”
Erik keek achterom en toen schrok hij toch wel heel erg. In plaats van een prachtige rode pluimstaart zag hij een staart met allemaal aan elkaar gekleefde, harde rode haren. Nu de verf droog was leek het niet eens meer op een eekhoornstaart! Hij was zo beschaamd dat hij wegvluchtte, diep het bos in. Hij durfde de andere eekhoorns niet meer onder ogen te komen.

Met die harde staart kon hij niet goed meer van tak tot tak springen. Hij had daardoor al een hele tijd niets meer gegeten en was heel mager geworden. Hij lag uitgeput op de grond. Zo vond op een dag Marieke hem. Ze nam Erik mee naar huis en gaf hem aan haar vader. “Ach, kijk nu toch eens!” riep haar vader. “Ze hebben die arme eekhoorn met zijn staart in een pot met verf gestopt! Moeder, waar is de wasbenzine?”
Mariekes moeder kwam meteen met een fles en met een oude lap aangelopen. De vader goot een flinke scheut benzine over de staart en veegde voorzichtig de natte staart af met de doek. Er waren heel wat wasbeurtjes nodig om de staart weer helemaal schoon te krijgen, maar uiteindelijk lukte het toch. Erik had weer een gewone eekhoornstaart: mooi oranjerood en lekker pluizig.

Maar het arme beest was te zwak om op zijn pootjes te staan. Marieke ging noten voor hem pellen en je kon wel zien dat de eekhoorn dat lekker vond! Ze stopten Erik in een oud konijnenhok, gaven hem te eten en te drinken en na een week was hij weer helemaal de oude. Marieke zette het hok open en Erik wipte vlug naar buiten. Met een paar grote sprongen was hij het dorp uit en zoefde hij al weer van boom tot boom.

Even later zag hij zijn groepsgenoten weer. Wat was hij blij dat alles zo goed was afgelopen! En dacht je dat hij nu nog langer met zijn staart liep te pronken? Nee, hoor. Van hem mocht Eddy de mooiste staart van de groep hebben. Hij was allang blij dat hij zijn eigen fraaie staart weer terughad!

VOLG ONS

536FansLike
48VolgersVolg
8VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN