De struik die omwaaide

Pixabay License

Er was eens een huis met langs de zijkant een lange muur zonder ramen. Tegen die muur had de vader van Guus en Jaap heel lang geleden een struikje geplant. Dat struikje was elk jaar een stuk groter geworden en als je het nu zag, kon je je haast niet voorstellen dat er ooit een klein struikje had gestaan.

In de struik gebeurde vanalles. Natuurlijk groeiden de takken en de blaadjes en elk jaar kwamen er in de lente een heleboel bloemen in, maar dat bedoel ik niet. Ook krioelde het in de struik van de kevertjes en torretjes, maar die zie je overal. Nee, ik heb het over grotere dieren.

Toen Guus in het voorjaar naar de struik keek, had hij al gezien dat een merelmannetje en een merelvrouwtje samen heel druk bezig waren geweest om aan de linkerkant van de struik een nest te bouwen. En onderin de struik woonde een veldmuizenfamilie. Aan de rechterkant zat een wespennest. Dat vond Guus niet zo leuk, maar meestal vlogen de wespen ver weg en had hij er weinig last van.

Guus had, samen met zijn grote broer Jaap, gezien hoe moeder merel een hele tijd op erg kleine eitjes had zitten broeden. En later, hoe in het nest jonge mereltjes uit het ei waren gekropen. De vader- en de moedermerel vlogen nu de hele dag af en aan om de jonge mereltjes eten te geven. Wanneer één van de twee bij het nest kwam, dan piepten de mereltjes uit alle macht en vochten ze om de lekkerste hapjes.

De muisjes daarentegen, zagen de jongens niet zo vaak. Die waren erg schuw. Ze hadden een holletje gemaakt tussen de dikke stam van de struik en de muur. Er stonden wat planten om de struik heen en zo af en toe rende er een muisje over de stenen op weg naar zijn veilige huisje. Een enkele keer had Jaap een kat in de buurt van de muisjes gezien, maar die had hij met een bezem weggejaagd!

Op een zonnige dag in juni waren de twee jongens buiten aan het spelen. Het was de hele morgen prachtig weer geweest maar nu leek het weer te gaan veranderen.
Guus riep tegen Jaap: “Kijk eens wat een donkere wolken daar aankomen!”
Nu zag Jaap het ook. Hij voelde ook dat het wat harder begon te waaien.
“Er komt storm!” riep hij naar Guus.
Het begon nog harder te waaien en de lucht was nog donkerder geworden. Plotseling leek het wel of er in de verte een vliegtuig aankwam.
“Dat is de wind!” schreeuwde Jaap.

Maar nog voor de twee jongens het huis in konden vluchten, brak de storm in alle hevigheid los. De wind rukte aan de bomen en aan het dak en terwijl ze stonden te kijken, kwam er een hevige windvlaag aanzetten. Voor ze het wisten, lag de grote struik plat op de grond. Gelukkig regende het nog niet en Jaap en Guus renden naar de struik om te kijken wat er met de bewoners was gebeurd. Welnu, dat zagen ze al gauw. Het wespennest was van de takken losgescheurd en werd met de vaart van een snel rijdende auto ver van het huis weggeblazen.
“Zo, daar hebben we geen last meer van!” riep Guus.

Maar ook met het merelnest was het niet zo goed gegaan. Het nest hing scheef tussen de takken en bladeren op de grond en de jonge vogeltjes waren eruit geblazen. Die lagen als zielige hoopjes veren in de buurt van het nest. Jaap ging eerst de vogeltjes helpen. Voorzichtig raapte hij ze één voor één op en zette ze terug in het nest, dat Guus losgemaakt had van de takken. Dat ging nog niet zo gemakkelijk, want het nestje was niet zo stevig meer! Jaap rende de garage in en kwam terug met een rol plakband. Daar werd de buitenkant van het nest steviger mee gemaakt. Nu moest het nest nog ergens komen te hangen. Achter in de tuin stond een stevige appelboom. Papa werd erbij gehaald en met wat ijzerdraad werd het nest met de jonge mereltjes in de appelboom gehangen. De twee oude merels vlogen de hele tijd om de jongens heen. Toen het nest op de nieuwe plaats hing, begonnen de kleintjes alweer om eten te piepen en even later vlogen pa en ma merel weer af en aan! Dat was gelukkig goed afgelopen.

Nu gingen ze nog even naar het muizennestje kijken. De oude struik was vlak boven de grond van zijn wortels afgescheurd en het muizennestje was nu volledig zichtbaar.
De muisjes waren nergens te zien, maar dit nestje was niet meer te repareren.
Guus scharrelde wat rond in de garage en even later kwam hij weer naar buiten met een oranje stenen bloempot. Onderin zat een klein gaatje. Te klein voor de muisjes.
Maar gelukkig, papa wist raad! Met een hamertje maakte hij voorzichtig het gaatje wat groter. “Zo is het wel goed,” zei Guus even later.

Pixabay License

Het muizennestje werd in een hoekje van de tuin onder wat struiken en planten neergezet en toen Guus twee dagen later de tuin inliep, zag hij opeens een klein muisje dwars over het pad in de richting van het bloempotje rennen. Oef, ze hadden hun nieuwe huisje gevonden!

De verjaardag van Prinses

Pixabay License

Vandaag is Prinses jarig. De Drakenridder is al van vroeg in de weer om er een schitterende dag van te maken voor zijn geliefde.

Ken je de Drakenridder nog niet? Dat is geen ridder die jaagt op draken hoor. Het is een ridder die rijdt op draken. Of beter gezegd, vliegt! Door de Drakenridder en de door hem opgerichte Drakenbrigade wordt het koninkrijk niet meer geterroriseerd door wilde draken en worden ze ook van andere indringers gespaard.
Als jongen kon hij op de rug van zijn draak bij de toren komen waar de Prinses in woonde. Ze werden goeie vrienden en later… geliefden. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

De jongen van toen werd een beroemde ridder, en het meisje van toen werd de slimste en knapste prinses die de wereld ooit had gezien. De Prinses krijgt veel aandacht van prinsen en ridders van andere koninkrijken, en ook de Drakenridder heeft een prinsessenfanclub. Maar Prinses en Drakenridder hebben enkel oog voor elkaar…

~~~

De Drakenridder heeft z’n mooiste picknickdeken gewassen en vouwt het netjes op. Dat gaat straks in de mand. Hij kijkt even rond. Wat nog? Hij stapt naar zijn ijsdoos en haalt er gefermenteerd druivensap uit. Dat had hij onlangs van de boselfen gekregen in ruil voor zijn hulp met een slechte toverknol. Dat was een spannend avontuur! Maar ook dat is niet het verhaal van vandaag.
De fles gaat in een ronde doos en de Drakenridder schept er een paar ijsbolletjes uit zijn ijsdoos bij. “Zo, dat blijft lekker koel,” zegt hij tevreden tegen zichzelf.

Vorken, messen, lepeltjes. Borden en glazen. Alles wordt klaargezet, ingepakt en op de rug van zijn draak geladen. Dan komen ook de hapjes. En tenslotte… Het cadeau. Het is een heel speciaal cadeau. Het is…
Tja, aan jou kan ik het wel vertellen hé? Je verklapt het niet aan Prinses? Nee? Goed dan. Het cadeau is de verloren kroon van de prinses van Mayasarena, een koninkrijk uit lang vervlogen tijden. Sommige geleerden twijfelen er zelfs aan of dat koninkrijk ooit echt heeft bestaan, of alleen maar in legenden voorkomt. De Drakenridder weet het wel: dat koninkrijk bestond echt, en het verzonk naar de bodem van de zee. Daar vond hij die kroon terug… En dat, ja, dat is het verhaal van vandaag.

“Help! Help!” kwam Kleine Dondersteen de Drakengrot binnengerend.
De Drakenridder zag de paniek op het gezicht van Kleine Dondersteen en trok meteen zijn harnas aan, terwijl hij riep: “Wat en waar?”
“De… hijg… vulkaan in… hijg… het Land van Ijs… hijg… heeft weer… hijg… kuren!” wist Kleine Dondersteen, die helemaal buiten adem was, nog uit te brengen.
“Alweer! Dat is de derde keer dit jaar,” zuchtte de Drakenridder. Snel hees hij Kleine Dondersteen achter hem op de rug van de draak. “Gaan Bliksem!”
Met een paar slagen van zijn sterke vleugels duwde de draak zich de lucht in.

Snel, ging het. Eens Bliksem uit de grot was en op zijn favoriete hoogte, kon hij bliksemsnel vliegen. Het duurde dan ook niet lang tot ze aan de rand van het koninkrijk kwamen en de zee onder zich hadden.
De Drakenridder riep over zijn schouder naar zijn vriend: “Dondersteen! Wat scheelt er met opa Smeul?”
Opa Smeul is de naam van de oude vulkaan in het Land van Ijs.
“Klaagt over koude tenen! Wil gaan vuurspuwen om ze warm te krijgen!” riep Kleine Dondersteen terug.

Opa Smeul die wou vuurspuwen, dat was een ramp! Er woonden mensen in het Land van Ijs. Die zouden hun huizen verwoest zien door de lava!
De Drakenridder nam zich voor er alles aan te doen dat te vermijden. Alleen wist hij nog niet hoe hij dat zou moeten doen…

Even later waren ze geland bij de top van de vulkaan. Er was een gezicht zichtbaar in de wand van de vulkaan. Je ziet zoiets soms wel eens waar een standbeeld is uitgehouwen in een bergwand. Maar dit gezicht was niet uitgehouwen, het was het gezicht van Opa Smeul!

“Mijn tenen, Drakenridder, mijn tenen hebben zo’n koud! Ik hou het niet meer!”
“Opa Smeul, dat begrijp ik best, maar er moet toch een andere oplossing zijn dan lava spuwen? Al die mensen en hun huizen…”
“Ach, had ik maar enkele vuurstenen,” klaagde Opa Smeul, “dan zou ik van de kou geen last hebben!”
De Drakenridder en Kleine Dondersteen keken elkaar aan. Vuurstenen?
“Opa Smeul, ik haal je vuurstenen!” zei de Drakenridder. “Alleen, waar vind ik zoiets?”
“In mijn tijd,” begon Opa Smeul, die het graag over ‘zijn tijd’ had, maar daarmee eigenlijk gewoon lang geleden bedoelde, “kon je die dingen in Mayasarena halen. Maar ach, dat land is er nu al eventjes niet meer.”
“Opa Smeul, dat koninkrijk is er al zo lang niet meer dat er mensen beginnen twijfelen of het zelfs ooit echt heeft bestaan! Niemand weet waar het lag!”
“Meen je dat? Ach, jullie jonkies ook. Geen besef van geschiedenis. En niemand die ‘ns met een arme oude vulkaan komt babbelen. In mijn tijd… In mijn tijd lag Mayasarena zo’n 80 mijl oostelijk van hier, denk ik zo, ja, daar moet het geweest zijn. Richting de ochtendzon.”
“Hmh… Daar liggen alleen enkele eilandjes,” bedacht Kleine Dondersteen. “Geen koninkrijk meer.”
“We zullen daar gaan kijken, Opa Smeul, maar belooft u ons dan dat u geen lava spuwt tot we terug zijn?” onderhandelde de Drakenridder.
“Nou goed, nou goed, ik wacht het even af. Het zal me benieuwen,” antwoordde Opa Smeul knorrig.

Op de rug van de trouwe Bliksem vlogen de twee vrienden naar de plek die Opa Smeul had aangewezen. Zoals Kleine Dondersteen al had voorspeld, waren daar alleen maar enkele rotsige eilandjes te zien. Toch gingen ze op onderzoek.
“Dit is nu al het vijfde eilandje,” zuchtte Kleine Dondersteen. “Er is hier niks meer.”
Er kwam geen antwoord.
“Drakenridder? Waar ben je?” riep hij, rondkijkend.
“Hier,” lachte de Drakenridder, die uit een rots leek te komen.
Kleine Dondersteen schrok. “Waar kom jij vandaan?”
“Er is een goed verstopte spleet in deze rots, kom maar kijken. En er is een gang… Naar beneden!”
Samen daalden de Drakenridder en Kleine Dondersteen de lange gang af. Het was zo’n eind stappen dat Kleine Dondersteen de tel kwijtraakte! Ze moesten wel al heel diep onder de zee zijn, nu. Hij werd er een beetje zenuwachtig van.

Uiteindelijk kwamen ze aan een grote poort. Er zat een stevig slot op die poort, maar de poort zelf was verrot. Met hun zwaarden konden ze er zo doorheen prikken! Na een half uurtje hakken, hadden ze een gat gemaakt en konden ze verder.
Achter de deur was een versierde grot gemaakt. In de wanden van de grot waren taferelen gebeiteld, en namen.
“Koninkrijk Mayasarena…” las Kleine Dondersteen, die veel oude talen kende. “We hebben het gevonden!” riep hij blij uit.

In de grot vonden ze vuurstenen, ronde keien die een aangename warmte afgaven. Ze namen er elk enkele mee en keerden dan op hun stappen terug. Wat zou Opa Smeul blij zijn!
“Hé, wat is dat?” zei de Drakenridder, net voor ze de grot uitgingen. Hij had iets zien fonkelen in een kast. Het was een mooie glazen kast, maar het glas hing vol stof. Je kon er niet goed doorheen kijken. Maar er glinsterde iets in die kast…
De Drakenridder kon de kast open krijgen en vond daar een zilverwitte kroon, versierd met afwisselend groene smaragden en blauwe saffieren, die op een of andere manier de indruk gaven van het eerste groene blaadje van de lente en een helderblauwe hemel bezaaid met kleine witte wolkjes.
Bovenop de kroon, als pronkstuk, een gele diamant die schitterde alsof het de zon in zich had.

“Is dat…” vroeg Kleine Dondersteen stamelend, “is dat de kroon van… van… van M…?”
“Zeker wel!” knipoogde de Drakenridder, “dat is de kroon van… mijn Prinses!”

~~~

Met Opa Smeul liep alles goed af. En de kroon? Die zit in een cadeauverpakking, veilig in de mand en vastgebonden op de rug van Bliksem.

Na nog een laatste keer rond te kijken, klimt de Drakenridder op zijn draak. “Gaan Bliksem!” roept hij, “gaan, naar de hoogste toren van het kasteel! Gaan, naar mijn Prinses!”

Gelukkige verjaardag, Prinses!

Bilal wil geen broer

Bilal is op de mat aan het spelen. Met zijn auto gaat hij tekeer. “Vroem, vroem, tuut-tuut.”
Plots hoort hij mama en papa roepen. Ze vragen hem om bij hen in de zetel te komen zitten want ze hebben hem iets te vertellen. Bilal kijkt op, legt zijn auto opzij en gaat tussen hen in zitten.
“Hebben jullie een verrassing voor mij?” vraagt hij.
“Ja, en je zal het vast heel fijn vinden,” lacht mama.
“Is het iets leuks? En waar heb je het verstopt?” vraagt hij verbaasd.

Mama kijkt naar Bilal, terwijl papa over mama’s buik wrijft.
“Mama, je hebt zo’n dikke buik! Heb je een stuk speelgoed opgegeten? Dat mag niet hoor! Daar word je ziek van!” zegt papa.
Bilal is stil. Hij houdt zijn vinger op zijn mond en denkt heel diep na. “Wat zou dat toch zijn?” vraagt hij in zichzelf. “Maar mama, heb je dan mijn verrassing in je buik verstopt? Hoe kan ik die daar dan uithalen? Dat is heus veel te moeilijk voor een kleine jongen zoals ik.”
Mama en papa glimlachen, maar zeggen niks.

Pixabay License

De spanning wordt Bilal te veel en springt hij uit de zetel. “Nu wil ik het weten! Mama, wat zit er in je buik?”
Papa schrikt zo hard dat zijn kaken er rood van zien. “Oh, je mag mama niet zo laten schrikken jongen. Dit vindt de baby niet leuk,” geeft zijn papa mee.
“Wat? Een baby?” vraagt Bilal. “Maar dat mag helemaal niet! Hoe is die baby daarin gekomen? En hoe geraakt die baby daar dan uit?”

Bilal blijft maar vragen stellen. En de zweetdruppels lopen van hem af. “Ik dacht dat jullie mij een hond beloofd hadden!”
“Haha,” lacht zijn mama. “Neen jongen, jouw mama en papa zijn allebei klaar om je nog een broertje te schenken.”
“Een broertje?” vraagt Bilal verbaasd. “Maar ik wil helemaal geen broertje, ik heb het goed alleen.”

Zijn mama begrijpt Bilal niet en krijgt er tranen in de ogen van.
“Niet huilen schat, Bilal is nog klein en moet het allemaal nog laten bezinken,” troost papa. “Hij zal het heus wel aanvaarden eens de baby er is.”
“Niets van papa, ik wil geen baby!” roept Bilal. Hij kruist zijn armen en gaat terug met zijn auto op de mat spelen.

“Je hebt geen keuze”, antwoord zijn mama vanuit de zetel. “Eens de baby er is, zal je er heel veel plezier aan beleven.”
“Nee! Nee en nog eens nee!” roept Bilal. “Ik wil het niet meer horen!”
Bilal gaat verder spelen en doet alsof hij niets meer hoort. Tuut-tuut. Berg op, berg af, tuut-tuut. Hij heeft veel plezier. Maar Bilal blijft boos en wil nog steeds geen broer!

Terwijl mama met een zakdoek haar tranen afveegt, vraagt ze aan Bilal wat hij zal doen als zijn broertje er binnen enkele maanden is.
“Ik ga het weggeven! Aan ouders die geen kindjes kunnen krijgen.”
Zijn mama haalt haar schouders op en zegt dat dit zomaar niet kan. “Je broer is heel erg welkom! Net zoals jij hier welkom bent!” zegt ze.

Bilal blijft spelen met zijn auto. Hij begrijpt het nog steeds niet. Plots gaat hij rechtstaan.
“Het is goed mama, je mag de baby houden”, wijst hij met zijn vinger. “Maar van mijn auto’s blijft hij af!”
“Superrrrrrrrr!”, roepen zijn mama en papa samen. “Berg dan straks al je speelgoed op en binnen enkele maanden verwelkomen we je kleine broer.”
“Zal ik doen!” roept Bilal terug.  “Maar kleine broer zal goed moeten luisteren, hoor”, lacht hij.
“Hihi, net zoals jij dus!” lacht zijn papa.

~~~

Enkele maanden later. Kleine broer is geboren. Hij heet Khaled. Bilal kijkt over het wiegje heen.
“Oh, wat een mooie jongen, ik zie precies mezelf,” lacht hij. “En omdat hij zo mooi is, mag hij later toch met mijn auto’s spelen! Tof van mij, hè!” lacht Bilal.

Hij kijkt nog eens naar zijn kleine pasgeboren broertje. Hij zwaait naar hem. “Welkom lieve broer. We gaan samen de wereld verkennen, hè. En morgen toon ik mijn speelgoedkamer.”

Gigantic or super smart

Once upon a time there was a Giant who was so big that he could see  across the highest mountain of the country.

One day the Giant meets a girl that is very small. No, not as small as Tom Thumb in the fairy tale but she is not that much taller.

“Hello, mister Giant,” says the girl when she sees the Giant: “gosh, you are tall, man!”

“Hello, sweet girl,” says the Giant: “that is because you are so tiny.”

The Giant and the little girl burst of laughing.

 “Say, Giant, what can you do what I cannot do?” asks the girl.

“I can run very fast,“ answers the Giant.

“But, not as fast as I can,” says the girl.

“Oh, no, I will show you,” says the Giant and he prepares to take an enormous step of one mile.

Because she is so tiny, the Giant does not notice that she grabs the lace of his shoe.  Just before  he puts down his foot, the girl let go the lace and lands just in front of the Giant.

“What took you so long?” asks the girl to the Giant, who cannot believe his eyes that she is standing in front of him.

“Are you the same girl as before or are you her  twin sister?” he stammers.

“I have no sister, “ says the girl: “but I do have a brother who is even smaller than I am, because he has just been born.”

The Giant laughs out loud: “So, he is not as tiny as you are, but he is an itsy bitsy  teeny weeny tiny.”

“Are you sure you can do something better than me? “ the girl asks.

“Of course, little darling, I can see across that high mountain over there.”

“All right, go ahead and tell me what you have seen,” replies the girl.

“I will first put on my hat because the sun shines into my eyes,” says the Giant.

The girl is standing next to the Giants big hat.  Just before  he picks it up to put it on his head, she quickly holds herself at the edge of the hat.  

On top of the Giants head she can look behind the mountains.  Far away she can see the blue sea with a white lighthouse.  On the water lays a red painted ship with brown  sails.

She hears  the Giant sigh and when she sees his big hand reaching towards his hat, she firmly holds the edge.  Fortunately,  the Giant puts his hat gently down on a chair.  He does not notice how the girl slides down a leg of the chair.

“Where are you gone?” asks the Giant,  who looks around to find the girl.

“I am here, Mister Giant,” says the girl: “I will tell you three things that you saw across the mountain.”

The Giants belly is embarrassed by laughter.  He says: “All right, little wise thing, tell me.”

“First of all there was a mighty blue sea,” says the girl

The Giants eyes open wide.

“Secondly there was a huge white lighthouse”

He now raises his eye brows.

“Thirdly there was a beautiful red coloured ship on the sea.”

The Giants mouth falls open in surprise.

“That is impossible.  This is witchcraft,” he babbles.

“Oh, my darling Giant, did you notice the weird colour of the sails of that ship?  They were not white as usual but they were brown.”

The Giant can’t believe his ears.

“How can this be, this is impossible,” he says desperately.

The girl mocks: “Shall I give something away, sweet Giant?” 

“Oh, yes, please tell me how this works,” begs the Giant.

“Well, Giant dear,” the girl smiles: “who is not big has to be smart!”

Copyright Guido Aerts

De gestolen hoest

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

De broertjes Bart en Koen zijn ziek. Allebei tegelijk. Ze zijn verkouden, snotteren, hoesten en proesten. Ze liggen beneden in de kamer op de bank onder een dik deken. Mama brengt ze wat water. En zakdoekjes. Soms komt ze een heel vies drankje brengen. Mama zegt dat dit helpt tegen het hoesten. Ze slapen veel, hebben het heel erg warm en zijn niet blij. Bart krijgt hoofdpijn van het hoesten en Koen pijn in zijn keel.

Plotseling verschijnt er een klein mannetje in de deuropening. Hij heeft een knalblauw broekje aan en een blauw jasje. Zijn wangetjes zijn net zo rood als tomaten. Op zijn hoofd staat een blauwe muts. Ook zijn schoenen zijn blauw.
Met een heel hoog piepstemmetje zegt het mannetje: “Hai Bart en Koen, ik hoor dat jullie zo moeten hoesten, zijn jullie ziek?”
Bart en Koen schrikken een beetje. Ze lagen net lekker te slapen. Het lijkt wel een droom!
“Wie ben jij?” vraagt Bart.
“Ik ben kabouter Kuch,” zegt het mannetje.
Koen kijkt verbaasd op en vraagt met een schorre stem wat hij komt doen. Met een heel hoog piepstemmetje zegt de kabouter: “Ik kom jullie hoest stelen!”
Bart schrikt en vraagt of hij een dief is. De kabouter knikt, “ja, ik ben een dief.”
Bart zegt dat dat helemaal niet kan, hij heeft namelijk geen zwart wit gestreept boevenpak aan en geen zwart masker voor de ogen. Kabouter Kuch begint te lachen, terwijl hij aan zijn jasje trekt. “Vind je mijn jasje niet mooi dan?”

De kabouter gaat naast Bart op het bed zitten en kijkt hem aan. Hij ziet een rode, schrale neus en kleine traanoogjes. Dit verraadt dat Bart ziek is. Plotseling krijgt Bart een enorme hoestbui. Hij hoest zo hard dat Kuch van het bed geblazen wordt, tot op de grond.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Bart kijkt geschrokken over de rand van zijn bed. Daar ligt de kleine kabouter. Zijn blauwe mutsje ligt naast hem op de grond.
Kabouter Kuch gaat zitten, zet zijn mutsje op, trekt zijn jasje recht en gaat weer staan. “Hier is echt werk aan de winkel.”

Kabouter Kuch probeert het opnieuw. Hij wil weer naar de zieke Bart toelopen, maar deze begint nog eens enorm hard te hoesten. Kuch slaat zijn armpjes voor zijn gezicht. En probeert gewoon door te lopen. Zijn mutsje vliegt door de lucht. Het blauwe jasje wappert. Steeds komt hij een ieniemienie stapje dichter bij de hoestende jongen. Net als hij er bijna is, wordt hij weer omvergeblazen door de keiharde hoest van Bart. Koen kijkt toe en moet heel erg hard lachen om de stuntelende kabouter. Lachtranen stromen over zijn rode wangetjes. Zijn buikje doet er gewoon pijn van. Kabouter Kuch vindt het helemaal niet zo grappig. Hij wil maar één ding, en dat is Bart en Koen van hun gehoest afhelpen, en dat lukt niet op deze manier. Hij moet iets anders bedenken.

Ineens krijgt de kabouter een super goed idee. Uit zijn broekzak haalt hij een piepklein stokje. Hij houdt het in de lucht en vraag de jongens heel hard te roepen: “Zi-za-zetje, ik wil een netje!”
Bart en Koen kijken elkaar aan, ze vinden het maar een stomme spreuk. Hoezo wil die kabouter, die ineens in hun slaapkamer staat, een netje?
Kabouter Kuch kijkt wat geïrriteerd. Hij zegt streng: “Willen jullie van dat gehoest af of niet? Ik kom jullie hoest stelen. Hup, zeg de spreuk hardop.”
Bart en Koen schrikken een beetje van de toon van Kuch. Snel zeggen ze hardop: “Zi-za-zetje, uhhhh, wat was het ook alweer?”
“Ik wil een kroketje!” roept Koen.
“Neehee,” zucht Kuch, “ik wil een nètje.”
De jongens roepen heel hard de spreuk van het kleine kereltje. In een flits verandert het stokje in een groot schepnet.
“Jaaaa, goed zo,” juicht Kuch.
Tegelijkertijd beginnen Bart en Koen nog eens superhard te hoesten. Meteen zwaait Kuch het schepnet in het rond. Super veel lichtflitsen vliegen door de kamer. Bart en Koen knijpen hun ogen dicht.

“Jaaaaaaaaaaa het is gelukt, ik heb weer super veel nieuwe hoesten hahahahah!” roept het blauwe mannetje. En weg is hij.
Hij laat de twee jongens vragend achter. Ze weten niet wat er is gebeurd.
Bart kijkt naar zijn broer. “Moet jij nog hoesten?”
Koen denkt even na, maar nee, er komt geen hoest meer. Hij probeert er nog eentje uit te persen, maar er komt echt niets meer. Ze zijn allebei hun hoest kwijt. Was het een droom?

De elfjes

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het was een warme zomeravond. Op de grote wei in het bos wemelde het van de elfjes.
Er waren er, geloof ik, wel duizend! In een hoek van de wei stond een troon en op die troon zat de koning van alle elfen: Oberon.

Het was een lawaai vanjewelste, daar op die wei. Iedereen praatte door elkaar heen tot er opeens hard trompetgeschal klonk. Een heraut van de koning had daarmee om stilte gevraagd, dat wist iedereen! En meteen was het doodstil.
Je kon bijna een speld horen vallen. Toen begon de koning te spreken:
“Jullie hebben natuurlijk allemaal die rommel gezien, die de mensen in de bossen hebben achtergelaten,” zei hij.
Welnu, daar had elke elf zich al járen aan geërgerd. Maar ja, wat kon je daar als elfje nu tegen doen?

“Ik wil graag ideeën horen om van die rommel af te komen!” riep koning Oberon. “Wie heeft er een goed plannetje?”
Eén elf, een mannetje, stapte naar voren. “Als we nu eens zelf die rommel gingen opruimen?” vroeg hij aan de koning. “We kunnen bijvoorbeeld konijnen vragen om mee te werken. Dan maken we een mandje van riet vast op de rug van een konijn en daar kunnen we dan de rommel ingooien.”
Iedereen klapte hard in zijn elfenhandjes.
“Goed,” zei Oberon, “laten we dat eens gaan proberen.”

Aan de rand van de wei zaten een paar konijnen nieuwsgierig naar alle drukte te kijken. Eentje stapte naar voren om te helpen. Hij kreeg een bloemenmandje op zijn rug en een paar elfen, waaronder de elf die het plannetje had bedacht, gingen met het konijn het bos in. Al gauw hadden ze een bergje afval in het mandje verzameld. Eén van de elfjes keek nog eens in het rond en ontdekte toen nog een leeg ijsbekertje.
“Hier ligt nog wat!” riep hij.
Met een grote sprong was het konijn op het plekje waar het bekertje lag. Maar helaas! Door de sprong was al het afval dat in zijn mandje had gelegen, er terug uit gevallen. De elfjes konden weer opnieuw beginnen.

Koning Oberon riep ze bij zich. “Zo gaat het niet goed, geloof ik,” zei hij. “Wie weet wat er mis is met dit plan?”
Even was het stil. Toen riep elfje Twaalfje: “Als wij alle rommel opruimen, dan leren die domme mensen er niets van! Dan blijven ze gewoon hun afval in het bos gooien!”
“Juist,” zei Oberon. “We moeten een manier vinden om de mensen te leren hun rotzooi mee naar huis te nemen en het daar in de vuilnisbak te gooien! Wie heeft daarvoor een plannetje?”

Nu bleef het wel erg lang stil. Tja, hoe moest je domme mensen omtoveren in mensen die goed voor hun omgeving zorgen? Eindelijk stond er iemand op.
Het was weer elfje Twaalfje! “Misschien weet ik wat!” zei ze.
Alle elfjes keken haar nieuwsgierig aan. Zo’n klein elfenmeisje. Zou die dé oplossing voor het probleem gevonden hebben?

Elfje Twaalfje keek eens om zich heen. Alle elfjes staarden haar aan.
Ze werd er zenuwachtig van en opeens was ze niet meer zo zeker van haar plan. Toch begon ze haar idee te vertellen:
“Eigenlijk zouden wij elfjes die domme mensen erop moeten wijzen dat ze foute dingen doen,” zei ze. “Als alle elfjes, wanneer ze zoiets zien, nu eens naar zo’n mens toevliegen en hem in zijn oor fluisteren dat hij zijn rommel moet opruimen, zou dat dan niet helpen? Alleen hele lieve mensen kunnen ons zien, die rommelmakers vast en zeker niet. We lopen dus geen gevaar en wanneer het bij de ene mens niet helpt, dan misschien wel bij een andere!”
Alle elfjes waren stomverbaasd over zo’n goed plan. Ze besloten het meteen in de praktijk te gaan brengen.

Wilbert en Jan-Kees liepen samen over het bospad. Jan-Kees had een zakje chips in zijn hand en om de beurt namen ze er eentje. Toen het zakje leeg was, gooide Jan-Kees het naast het pad.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Dan klonk er een stemmetje in zijn oor: “Mensenkind, zou jij je rommel niet eens netjes thuis in de vuilnisbak gooien?”
De jongen schrok ervan! “Hoorde jij ook wat, Wilbert?” vroeg hij.
Nee, Wilbert had niets gehoord, maar die had ook niets stouts gedaan!
Jan-Kees deed een paar stappen terug en raapte het zakje weer op. Hij stopte het in zijn broekzak. Deze keer had het plannetje van de elfjes gewerkt. Maar zou het altijd werken? Er waren natuurlijk altijd jongens en meisjes die zo’n elfje een grote mond teruggaven: “Waar bemoei jij je mee?”

Maar ach, alle beetjes helpen!

Vos is zijn staart kwijt

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Er klinkt gerommel en gestommel ver achterin het bos.
Waar komt het vandaan?
Hoor jij het?
Het komt uit het huisje van Vos.

Hij is in paniek.
Hij zoekt in alle hoeken.
Onder de bank, op de tafel, onder zijn bed,
achter de boeken.

Je vraagt je af, waarnaar zoekt Vos al die tijd.
Wel het zit zo, Vos is zijn staart kwijt.
Vos zegt: “Ik snap er niks van. Waar is mijn staart? Hij is niet in huis.
Misschien ligt hij wel in het holletje van Muis.”

Vos loopt naar het gaatje in de muur.
Hij klopt op het deurtje. En roept: “Muis ben je thuis!”
Muis komt naar buiten en vraagt wat er is.
Vos draait in het rond.
Muis kijkt naar zijn kont.
Ze roept: “ik weet het al… Daarom hoor ik al dat gerommel de hele tijd!
Je bent je staart kwijt!”

“Ja,” zegt vos, “het is echt iets wat ik mis.
Ik ben zo vos niet. Weet jij waar mijn staart is?”
Muis zegt: “Nee, maar ik zal kijken in al mijn hoeken.”
Ze gaat haar holletje in en begint te zoeken.
Vos kijkt naar buiten en hoort de vogels fluiten.
Misschien weten zij wel waar mijn staart is, denkt Vos.

Vos loopt naar de vogels toe en vraagt “hebben jullie misschien mijn staart gezien?”
“Nee,” fluiten ze alle tien.
“Maar als we hem vinden zullen we naar je toe komen.”
En ze beginnen met zoeken tussen de bomen.

Vos kijkt om zich heen.
“Zonder staart,” snikt hij, “voel ik me alleen.”
Hij loopt verder en kijkt of hij zijn staart ziet.
Want zonder staart, vindt vos, is hij vos niet.

Hij loopt verder vooruit.
Ineens hoort hij roepen: “Stop, kijk uit!”
Hij kijkt naar beneden onder zijn voet.
Daar zit egeltje opgerold onder haar hoed.

Ze kijkt op en vraagt wat er is.
Vos draait zich om en zegt: “Kijk het is mijn staart die ik mis.
Heb jij misschien mijn staart gezien?”
Egeltje zegt niets en verdwijnt.
Tot ze na een paar minuten weer verschijnt.
Ze kijkt vos aan en zegt: “Ik heb overal gezocht in mijn holletje, lieve vos.
Maar ik heb hem niet gezien. Hier heb je een lang stuk mos.”
En ze geeft het aan Vos.

Vos pakt het mos en zegt: “hé, dat is een goed idee.”
Hij plakt het achter op zijn kont.
Maar ojé, het valt weer op de grond.
Egeltje zegt: “wacht maar, ik weet wel wat.”
Ze komt terug met een grote pot lijm.
En ze plakt het zo achter op zijn gat.
Vos die zegt: “dank je wel Egeltje!”

Hij loopt verder en ziet de hond van de herder.
Die begint meteen te lachen, heel hard.
“Haha! Haha! een vos met een staart van mos.
Wat is die heel erg de klos!”
Niemand wordt graag gesard.
Vos begint te huilen en loopt maar door.
Dan ineens hoort hij de tien vogels zingen in koor.
“Vosje Vosje Vosje Vos! Niet huilen hoor!
Wij brengen je op ‘t juiste spoor!”

Vos kijkt op en lacht.
Ze vliegen naar hem toe.
Hij vraagt zacht:
“Waar dan? Ik ben ‘t zonder staart nu moe!”
Een vogel gaat voor hem zitten
en geeft hem een ansichtkaart.
Daarop staat: “Lieve vos, niet vitten:
ik ben op reis, ‘t ligt in mijn aard.
Ik wil de wereld zien, van Spanje tot de Britten.
Wanneer ik terug ben weet ik niet, misschien in maart.
Groeten van je vriend Staart.”

Vos kijkt naar de kaart.
En naar zijn staart.
Hij denkt, wat moet een vos
met een staart van mos?
Sip loopt hij verder door het bos.
Af en toe laat hij een traan.

Ineens ziet hij daar vriend Uil staan.
Die komt naar Vos toe en zegt:
“Ik heb het gehoord van je staart.
Het verhaal kwam van vriend Specht.
Moeder Gans en ik hebben een verrassing voor je, en taart.”

Dat laat Vos zich geen twee keer zeggen en gaat mee.
Binnen zitten al zijn vriendjes aan de tafel van moeder Gans en drinken thee.
Na de taart komt een cadeau.
Alle vriendjes roepen “Oh!”

Vos maakt het pakje open en vindt…
Een mooi gebreide staart met een lint.
Heel erg zacht, net als zijn vacht.
En als moeder Gans die op z’n kont vastbindt,
kijkt vos om en roept: “Dag staart van mos!”
Want die moest natuurlijk eerst los.

“Met deze staart zo zacht als mijn vacht,
ben ik heel erg blij, moeder Gans, en wacht…”
Hij kust moeder Gans heel lief op de wang,
en barst daarna uit in vossengezang.

Hij ging trots naar buiten. En ging naar huis.
Lekker samen knuffelen met vriend Muis.

Misschien ben jij ook wel een keertje aan het wandelen in het bos.
Als je een oranje dier ziet met een gebreide staart, dan is het Vos.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Biggetje Bee – Carnaval

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het is bijna carnaval. Tijd om de verkleedkist van de zolder te halen.

Biggetje Bee is door het dolle heen. Ze mag zich gaan verkleden op school. De juf wil iedereen in de mooiste pakjes zien.

Papa Big komt met de kist naar beneden.
‘Zit er mijn prinsessenjurk nog in?’ vraagt Biggetje Bee hoopvol.
Mama Big haalt de deksel van de kist en kijkt. Ze haalt er allemaal pakjes uit. Een stoer cowboypak, een schattig konijnenpakje, een elfenjurkje en een donzig berenpakje.
Helemaal onderin de kist ligt een mooi roze prinsessenjurkje. Een prachtige jurk met glitters en parels.

Biggetje Bee trekt het jurkje aan. Het past gelukkig nog. Ze draait een paar rondjes voor de spiegel en poseert als een echte prinses. Wat doet ze dat goed. Papa en Mama Big kijken vrolijk naar Biggetje Bee.
‘Ik mis nog iets, Biggetje Bee. Weet jij wat?’ Mama Big kijkt haar vragend aan.
Biggetje Bee denkt na. Ze bekijkt zichzelf nog eens in de spiegel van top naar teen. ‘Ah, het kroontje. De tara!’
‘Je bedoelt de tiara, dat is inderdaad het kroontje van de prinses’. Mama Big loopt naar de kist. Weer zoekt ze en haalt allemaal spulletjes eruit. Een nep pistool, een toverstaf, een mooie ketting met witte parels. Er zit zelfs een hele lange sjaal in met drie kleuren: rood, geel en groen.

Biggetje Bee weet dat het de kleuren zijn van Carnaval. Eén keer in het jaar vieren ze feest, daar waar Biggetje Bee woont. Dan dansen ze op vrolijke muziek. Dan lopen ze optochten met grappige praalwagens en mag je je verkleden als iemand of iets wat je graag wilt zijn. Een prinses of een konijn. Cowboy of indiaan.

Mama Big haalt er plotseling een mooie zilveren kroon uit. De kroon heeft drie mooie rode diamanten en er zit zelfs een beetje glitter erop. Wat ziet hij er mooi uit.
Mama Big zet hem op het hoofd van Biggetje Bee.
‘Kijk nu maar eens in de spiegel’, zegt Mama Big.
Biggetje Bee draait zich om en kijkt verwonderd in de spiegel. Daar staat een mooie prinses.
Ze blijft maar rondjes draaien en Biggetje Bee voelt zich nu als een echte prinses.

Het is tijd om naar school te gaan.
Op school is alles versierd. Er hangen slingers en ballonnen in allerlei kleuren. Rood, blauw, groen, oranje, geel en paars. Allemaal kleuren war je vrolijk van wordt.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Het is feest en Biggetje Bee hoort de muziek. Ze gaat naar haar vriendinnen en samen beginnen ze te dansen.

Papa en Mama Big kijken vrolijk en zwaaien naar Biggetje Bee. We komen je na school weer samen ophalen. Veel plezier Biggetje Bee. Alaaf!

De olifantjes

CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

In een grote dierentuin in een stad hier heel ver vandaan, verwachtten twee olifantenmoeders allebei een olifantenkind. Voor het personeel van de dierentuin was het erg spannend, stel je voor dat ze tegelijk zouden worden geboren!

Het eerste olifantje werd op een woensdag geboren. Alles ging prima! Moeder en kind maakten het heel goed en al snel was het jonge dier lekker melk aan het drinken bij zijn moeder. Zijn tante, de andere aanstaande moeder, kwam even kijken. Die dacht natuurlijk: Straks heb ik ook zo’n leuk beestje!

Wel, dat klopte precies! De maandag daarop werd het tweede olifantje geboren. Ook nu ging alles goed. De oppassers moesten ervoor zorgen dat de vaders er niet bij in de buurt konden komen en dat lukte. O, wat was al het personeel van de dierentuin blij dat alles zo goed was verlopen!

Het publiek kreeg er nog een paar weken niets van te zien. Eerst moesten de jonge dieren – samen met hun moeders – nog wat sterker worden en dan konden de nieuwe aanwinsten aan de bezoekers worden getoond.
Eén dag voor het zover was, stond er een groot artikel in de krant: KOM NAAR DE DIERENTUIN! KOM NAAR DE JONGE OLIFANTJES KIJKEN! stond er boven het verhaal. Dat hebben ze in de dierentuin geweten! De volgende dag stonden er een uur voor de dierentuin openging, al dikke rijen bezoekers voor de poort. Allemaal wilden ze als eerste de olifantjes gezien hebben. Toen de poort openging, stroomde de mensenmassa naar het gedeelte van de dierentuin waar de olifanten waren.

O, wat een teleurstelling. Het was net of de olifantenmoeders in de gaten hadden wat er aan de hand was. De kleintjes stonden wel in de olifantenweide, maar niemand zag er ook maar iets van! De beestjes stonden vlak bij het olifantenhuis en de twee moeders stonden voor de jonge dieren. Het enige dat het publiek kon zien, waren een stel kleine pootjes tussen de grote poten van de oudere dieren. Eén man schreeuwde: “Aan de kant met die dikke olifantenbillen!”
Maar de twee moeders deden net of ze gek waren. Ze bleven gewoon staan.

Toen kwam er een oppasser aan. Hij had een grote zak bij zich met allemaal lekkere groenten en lekker fruit erin. Al dat heerlijke eten strooide hij zo’n 20 meter van de olifanten vandaan op de grond. Dat bleek een goed idee te zijn! Langzaam maar zeker schuifelden de grote olifanten naar het eten toe. De kleintjes bleven eerst nog een poosje bij de muur van hun verblijf staan, maar toen gingen ze samen aan de wandel. Alle mensen juichten. Van schrik stoven de kleintjes weer naar achteren. Het publiek bleef nu stil toekijken wat er verder gebeurde. Na een tijdje liepen de jonge dieren overal op de olifantenweide rond. Iedereen vond het een prachtig stel.

De jonkies groeiden goed. Ze kregen nu niet meer alleen moedermelk, maar aten ook al van de groenten en het fruit, dat alle olifanten als voer kregen.
Ze waren nu niet meer zo heel erg klein en niet bang meer voor het publiek. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze een beetje ondeugend werden.

Tussen de olifantenweide en het publiek was een strook water. Toen de kleintjes op een dag gezien hadden, hoe een ouder dier met zijn slurf water opzoog om dat daarna over zichzelf heen te sproeien, wilden ze dat ook wel eens proberen. Wat hadden ze daar een plezier in! Ze spoten zichzelf nat en daarna alle ooms en tantes die in het olifantenverblijf woonden. Op een dag kreeg er één een geweldig idee. Hij zoog zijn slurf goed vol met water en sproeide toen alle mensen, die voor het water stonden te kijken, drijfnat! Dat vond het andere olifantje ook wel een leuk spelletje! En weer ging er een dikke straal water over het publiek heen. De mensen stoven alle kanten op! En de olifantjes? Sommige mensen wisten zeker dat ze die twee hard hadden horen lachen.

De kleintjes hadden trouwens nog een leuk grapje! Als ze hun slurf uitrekten om iets lekkers van iemand uit het publiek aan te pakken, dan hielden ze hun slurf vlak bij het hoofd van die man of vrouw en pakten dan niet het lekkers, maar begonnen hard te trompetteren. Wat een deugnieten!
Als je ooit hoort dat er ergens jonge olifantjes in een dierentuin zijn, dan moet je beslist eens gaan kijken!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Onder de grond

Copyright Jan Rood

Een enkele keer heb ik het volgende verhaal weleens aan grote mensen verteld, maar niemand geloofde me. Sterker nog, ze lachten me uit en dat terwijl ik kon bewijzen dat het waar was.

Maar misschien komt dat omdat oudere mensen geen fantasie hebben. Ze kunnen het zich gewoon niet voorstellen en dan is het voor hen niet waar. Maar kinderen hebben wel fantasie en daarom zal ik het nog één keer vertellen. Het verhaal gaat over een olifant die een mol wilde zijn.

Een olifant is, zoals we weten, een heel groot dier. Het heeft een slurf zodat de olifant zowel takken uit hoge bomen kan eten alsof het struiken waren die op de grond groeiden. Heel handig voor dat soort dingen. Maar hij is dus een planteneter. Je ziet ze ook weleens in ons land, dan staan ze in een dierentuin of circus.

Maar wat misschien niet iedereen weet, is dat zo’n olifant een staart heeft met een borstelig uiteinde. Nu bezocht ik eens een dierentuin waar ik een olifant zag staan zonder zo’n borsteltje en omdat ik dat vreemd vond, vroeg ik hem hoe dat kwam. De olifant vertelde me het volgende:

Voordat ik hier in de dierentuin rondliep, was ik circusolifant. Ik deed kunstjes voor het publiek en vond dat best leuk. Het circus waar ik bij hoorde, reisde het hele land door. En als ze soms in een rustig dorp waren, mocht ik ook weleens los lopen, zodat ik wat van bomen en struiken kon eten. Zo gebeurde het dat ik op een dag langs de kant van de weg een mol in het gras zag. Nu zitten mollen normaal gesproken altijd onder de grond om gangen te graven om zo wormen te kunnen vangen.  Maar soms komen ze ook weleens boven de grond, bijvoorbeeld, om een brede weg over te steken. En op zo’n moment zag ik hem. Ik besnuffelde hem wat met mijn slurf en vroeg: “Hoe is dat, de hele dag onder de grond. Vind je dat niet eng?”

“Nee hoor”, antwoordde hij, “het is juist spannend. Het is donker en je weet nooit wat je in een gang tegenkomt”.
“Dat wil ik dan ook weleens meemaken”, zei ik toen, “maar daar ben ik als olifant niet geschikt voor”.
“Onzin”, zei de mol. “Weet je hoe je dat doet? Je steekt je slurf in een molshoop en zuigt dan zo hard als je kunt en voor je het weet zit je onder de grond”. 

Zo gezegd, zo gedaan en nadat ik ontzettend hard gezogen had en na enig wroetwerk om mijn grote lichaam zo’n mollengang in te persen, ja hoor, zat ik met mijn hele lijf onder de grond. Alleen het puntje van mijn staart bleef nog boven de grond uitsteken. Maar inderdaad, het was daar pikkedonker en best wel een beetje eng.
“En nu?” vroeg ik toen aan de mol die naast me in de gang zat.
“Wormen vangen, natuurlijk”.
“Ik vind het hier best spannend”, antwoordde ik, “maar ik lust helemaal geen wormen. Ik houd van takken en bladeren en fruit vind ik ook heel lekker, maar wormen, nou nee.”
“Tja”, zei de mol, “dan heb je hier verder weinig te zoeken”.
“Nou, dan ga ik maar weer”, zei ik en perste mezelf weer naar buiten. Alleen het puntje van mijn staart moest eerst onder de grond en toen weer naar buiten en dat lukte niet zodat de kwast bleef steken en losliet.

“Vandaar dat je nu een kale staart hebt”, zei ik toen tegen de olifant, “maar deed dat geen pijn?”
“Nee hoor, en bovendien zat hij al een beetje los en als het goed is groeit hij na verloop van tijd gewoon weer aan”.
“Ik geloof niks van je verhaal”, antwoordde ik.
“Eigenlijk kan me dat niet schelen. Maar ik kan het toevallig bewijzen”.
“Huh?”

Nu is het bekend dat olifanten een heel goed geheugen hebben en dat klopt, want hij noemde de naam van het dorp en de weg waar het gebeurd was en waar volgens hem het puntje van zijn staart nog boven het gras langs de weg moest uitsteken.

Een paar weken geleden ben ik naar dat dorp toe gereisd en heb die bewuste weg opgezocht en geloof het of niet, die staart stak nog steeds boven het gras uit en om het te bewijzen heb ik er een foto van gemaakt. En als je het nu nog niet gelooft, weet ik het niet meer.

Copyright Jan Rood

VOLG ONS

532FansLike
42VolgersVolg
7VolgersVolg

POPULAIRE VERHALEN