Er was eens een jongen die gek was op ridders. Zijn naam was Florian en hij was net 5 jaar geworden. Toen Florian jarig was, kreeg hij superleuke cadeaus. Alles had te maken met ridders: hij kreeg van zijn ouders een ridderkasteel en van zijn meter en peter een heel dik boek over ridders en kastelen, oma had een ridderpak gemaakt en opa een zwaard en een schild van hout.
Voor zijn verjaardagsfeest had mama bij de bakker een taart besteld in de vorm van een kasteel. En daar stonden twee poppetjes op, een ridder en een jonkvrouw. Het was een superfeest met supercadeau’s.
De dagen na het feest, telkens als Florian thuiskwam van school, speelde hij met zijn kasteel en verkleedde zich als ridder. En als Florian ging slapen, lazen mama of papa voor uit het dikke boek.
Het was een mooie zomerse dag vandaag. Dat kon je merken aan de warme zon die scheen, de bloemetjes die in volle bloei stonden en natuurlijk de vogels die aan het fluiten waren. Het was de perfecte zomerdag om te gaan varen. Daar hield Alana van!
Ze zouden een hele dag op de boot zijn en daarom hadden ze eten en drinken nodig voor onderweg. Alana had gisteren al cola en limonade in de ijskast in de keuken gezet. En oh, ook een flesje champagne voor haar ouders.
Vandaag is het zover. Joost zit met papa en mama in de auto om voor het eerst te gaan kamperen. De auto zoeft over de snelweg. Ze zijn op weg naar de camping en het is ver rijden. De kofferbak van de auto is helemaal volgeladen met camping-spulletjes. Er zit zelfs een grote reiskoffer op het dak van de auto. Joost denkt aan zijn buurjongen Finn, die met het vliegtuig op vakantie gaat.
“Je zult kamperen erg leuk vinden,” hoort hij mama zeggen.
“Autorijden is saai,” antwoord Joost.
“Zullen we een spelletje doen?”
Joost zegt niks.
“Ik zie, ik zie…” probeert mama.
“Ik heb hier echt geen zin in hoor, mama.”
“Kom op jongen. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en de kleur is… groen.”
“Jaaaa, dat is de kleur van draakje, die op mijn schoot ligt.”
“Goed zo!”
“Hee, zie ik daar een lachje? Wie lacht daar nou?” vraagt papa vanachter het stuur.
Joost probeert snel zijn glimlach te verbergen door zich achter zijn draakje te verstoppen.
“Dat is Joost,” zegt mama vrolijk.
Het is al bijna donker wanneer ze bij de camping aankomen. Joost kijkt nieuwsgierig door het raam naar buiten. Ze zijn op een groot grasveld aangekomen met enorme kale stukken zonder gras. Er staan een aantal tenten met auto’s op het veld.
“Is dit dan die mooie camping? Waar zijn al die kinderen waarvan mama heeft gezegd dat ik er mee zou kunnen spelen?” vraagt Joost.
“We moeten de tent opzetten en opschieten voordat het helemaal donker wordt, hoor,” zegt papa en hij opent de kofferbak. In een paar seconden liggen er allemaal spullen rond de auto.
“Joostje, geef je mij die tentstok aan? Kom maar even helpen!”
“Draakje vindt het een beetje eng, ik blijf liever even bij hem in de auto.”
“Maar je wilde je slaapkamertje toch zelf inrichten?”
“Kom op jongen, het wordt al een beetje donker en het gaat sneller als we samen de tent opzetten.” Joost geeft een paar haringen aan papa aan en probeert met mama de scheerlijnen strak te trekken.
“Zie je wel? Het gaat sneller als wij samen werken,” zegt mama.
Die nacht begint het hard te waaien en de tent begint een beetje te wiebelen. Soms schudt de tent plotseling en flappert het tentdoek.
Tik.
Tik, tik.
Tik, tik, tik, tik.
“Papa, wakker worden, het regent,” fluistert Joost geschrokken.
“Jaja, ga maar weer lekker slapen jongen…” mompelt papa slaperig. “Hier in de tent blijft het wel droog.”
Joost blijft luisteren naar de regen die nu steeds harder begint te tikken op de tent.
“He papa, het is hier nat!” zegt Joost nu bezorgd. Aan de binnenkant van de tent zijn donkere natte plekken te zien. Ook op de vloer is het hier en daar nat.
“Wat zullen we nu doen?” vraagt papa.
“Draakje is ook helemaal nat en kijk: mijn mooie slaapzak is óók al nat. Ik ga niet meer in de tent zitten en ik neem mijn slaapzak ook mee,” zegt Joost en hij probeert de rits van de tent te openen.
“Nee, nee, dat kan niet!” zeggen mama en papa tegelijkertijd.
“Ik weet wat beters: We gaan allemaal in de auto zitten, het wordt al een beetje lichter,” stelt mama voor.
In een klein restaurant in de duinen zit Joost met papa en mama lekker te ontbijten.
Het is nu eindelijk droog maar het waait nog steeds hard. Donkergrijze wolken bewegen zich snel van links naar rechts.
“Wat jammer dat alle spullen zo nat zijn geworden,” zegt mama.
Joost denkt aan zijn slaapzak die misschien wel nooit meer droog wordt.
“Wat een wind! Ik wou dat we je vlieger hadden meegenomen, net als toen op het strand. Weet je dat nog? Die vlieger ging helemaal naar boven in de lucht!” zegt papa.
Joost knikt en glimlacht. “Ik heb een idee,” zegt hij opeens.
“Oh?”
“Wel, als we mijn slaapzak als vlieger gebruiken, dan droogt ‘ie vast heel snel.”
“Dat is geen goed idee want we hebben geen touw,” zegt mama.
“Met mijn handen, net als een vlieger, mama! Anders moet ik hele vakantie in die natte slaapzak slapen. Geloof me, het lukt.”
“Het is buiten droog nu en we kunnen het proberen,” zegt papa.
“Als je straks je slaapzak kwijt raakt of deze stuk gaat, mag je niet klagen!” zegt mama een beetje streng.
“Je hebt hem losgelaten!” roept Joost.
Papa krabt met zijn vinger achter op zijn hoofd en haalt eens heel diep adem. Hij zet zijn voeten heel voorzichtig in de struiken om de slaapzak te pakken, maar het is niet makkelijk om daar te lopen.
“Je kan het papa,” moedigt Joost hem aan. Op het moment dat papa bukt om de slaapzak te pakken, waait ‘ie net weer de lucht in en valt deze keer in het zand van de hoge duinen. Papa rent er achteraan.
“Ik ga hem pakken,” zegt Joost. Hij springt boven op de slaapzak en juicht: “Paap, ik heb hem!”
“Hou hem vast, jongen! Hou hem vast,” hijgt papa.
Papa en Joost proberen de slaapzak nu samen vast te pakken, maar ze glijden allebei over het zand omlaag langs de hoge duinen, bovenop de slaapzak.
“Aiaiaiaiaiai!!!” roepen zij hard.
Wanneer de slaapzak tot stilstand komt, liggen Papa en Joost allebei op de slaapzak op het strand met hun ogen dicht.
“Gaat het goed hier?” vraagt mama bezorgd terwijl ze er aan komt rennen.
Dan hoort ze gegiechel van Joost en papa en ze doen hun ogen open.
“Dat was gaaf, nog een keer!” roept Joost.
“Ja, hallo, echt niet!” lacht papa. “Gelukkig is je slaapzak nu wel droog.”
“Nou mannetjes! Wij hebben nóg twee natte slaapzakken in de tent liggen. Zullen wij die ook laten drogen?” vraagt mama met een knipoog naar Joost.
Joost en papa kijken mama aan en zij barsten alledrie in lachen uit.
“Kamperen is leuk!” roept Joost vrolijk.
Er was eens een kaboutertje. Hij heette Oelewoelewap en woonde in een groot, donker bos, onderaan een eikenboom. Bovenin de eikenboom woonde zijn beste vriendje, het eekhoorntje Ekipeki.
“En zorg dat jullie in de vakantie niet alles vergeten wat jullie dit jaar geleerd hebben.”
Het was vandaag de laatste schooldag en juf An nam afscheid van de kinderen. Hoewel het geen gemakkelijk jaar was geweest, zou ze de kindjes toch best missen.
Het waren niet altijd lieverdjes hoor. Ze maakten soms ruzie om een kleurpotlood, of om wie de tikker is, maar toch hadden ze allemaal een goed hartje. Juf An hoopte dat ze een mooie vakantie tegemoet gingen.
“Mama! Ik ben thuis!” Vrolijk komt Lex de kamer binnengelopen. Zijn haren zijn nog nat van de zwemles. “Ik heb onder water gezwommen, helemaal door het gat heen! En volgende keer gaan we oefenen met kleren aan.”
Mama zet twee grote glazen drinken en twee koekjes op tafel. “Dan zal je wel honger gekregen hebben!”
Lex neemt een grote hap. “Hmmmm!” grijnst hij met volle mond.
Toen ze prins Lodewijk ontmoette, was het liefde op het eerste gezicht. Ze vertelde niet dat ze kon toveren maar op een mooie zomerdag kwam prins Lodewijk het toch te weten. Het verliefde koppeltje zat onder een oude eikenboom. Toen ze elkaar kusten, hoorden ze iets kraken. Sylvia keek omhoog en zag dat een grote tak afbrak!
Er was eens een meisje. Haar naam was Brinta. Ze had een pony. Zo’n lange pony dat je haar ogen maar amper zag.
Brinta woonde vlak bij boer Joop. Iedereen noemde die meneer zo, omdat hij Joop heette en omdat hij altijd buiten aan het werk was. Zijn handen waren vies, onder zijn nagels zat zand. Maar boer Joop was een aardige man. Hij zwaaide naar je als je langs kwam fietsen en als het mooi weer was, zong hij liedjes.
Brinta had een liedje van hem geleerd: ‘Zeg, ken jij de mosselman’ heette het. Ze zongen het weleens samen. De meisjesstem van Brinta en boer Joop met zijn luide mannenstem.
Op een dag wilde Brinta naar het bosje bij hen in de straat. Ze wist niet waar papa en mama waren. Brinta riep: “Daag, ik ben naar het bos!” maar niemand zei iets terug. Papa en mama waren altijd druk, dus kon ze mooi haar eigen gang gaan.
Er was eens een beertje. Zijn naam was Bob. Samen met mama en papa beer woonde hij in een groot hol in de rotsen in het Noord-Amerikaanse Yellowstone.
Bob was nog veel te klein om alleen op stap te gaan. Hij mocht wel mee met papa beer als die op zoek ging naar eten voor zijn gezin. Bob mocht dan bessen plukken. Zalm vangen zoals papa deed, kon hij nog niet.
“Kijk maar goed hoe ik het doe! Dan kan je dat later, als je groot bent, ook proberen.”
Bob was een ongeduldig beertje. Hij vond het niet leuk om klein te zijn. Mama en papa zeiden vaak “nee, Bobje nu nog niet, later als je groot bent…”