CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het verhaal begint hier.

Wat moest ik doen? Het roze licht werd grijzer. Nog heel even en dan zou het donker zijn. Het hertje kneep zijn oogjes even dicht en toen weer open en keek me smekend aan. Ik voelde iets fladderen in mijn borst, onder mijn jas: alsof er een vogeltje in mijn hart zat dat heel erg graag naar buiten wilde. Mijn keel zat dicht, ik slikte. Ik deed een stap naar voren en het water spatte op mijn laars. Ik had geen keus: ik moest hem helpen.

De rivier was breed en er lagen flinke stenen in. Grote rotsblokken dicht bij de kant en dieper in het water ronde keien, waar het water de scherpe kanten afgesleten had. Als ik over die stenen naar het hertje kon lopen, zou ik mijn laarzen droog houden. Maar dan moest ik wel heel voorzichtig zijn.
Ik stapte op de dichtstbijzijnde rots en balanceerde even voor ik verder ging. Een grote stap naar de volgende steen, die al wat kleiner was. En nog één naar weer een kleinere steen. Toen moest ik zoeken hoe ik verder moest, want ik zag alleen maar gladde, ronde keien waar ik vast en zeker af zou glijden. Het hertje keek naar me met grote, bruine ogen die glansden alsof er tranen instonden. Hij rilde van de kou en van de pijn. Ik zag dat zijn geklemde pootje in een rare hoek gebogen stond, alsof het gebroken was.
Mijn hart bonsde. Ik was bang om verder te gaan, bang om te vallen, bang om zelf een been te breken. Maar het moest. Dus ik deed een schietgebedje en stapte weer een steen verder. Nog een stap en ik zou bij het hertje zijn. Ik maakte sussende geluidjes en hij jankte zachtjes terug, zijn oogjes hoopvol aan mij vastgeplakt. Ik ademde diep in en stak mijn voet uit naar die laatste steen, maar toen ik neerkwam gleed mijn voet weg op een dun laagje ijs dat op de natte steen lag. Ik gilde van schrik en viel met een harde plons in het ijskoude water.
Ik hapte naar adem, want het was alsof er duizend naalden in mijn lijf prikten. Zo verschrikkelijk koud. Mijn tanden begonnen te klapperen en ik wist dat dit heel erg was: zonder droge kleren zou ik zo koud worden dat ik niet mee kon bewegen en hier nooit meer weg zou komen. Vlak voor mijn ogen trilde het bruine vachtje en even later voelde ik iets zachts en warms langs mijn gezicht. Het diertje likte met zijn tongetje de traan weg van mijn wang. Zijn oogjes keken zo lief dat ik me heel even niet alleen voelde. En toen kwam er een grote kracht in mij naar boven: ik had alles gedaan om hier te komen en het hertje te redden en dat was wat ik zou doen.

Even later was ik overeind gekrabbeld. Ik hield me wijdbeens staande in de wilde stroom. Ik trok uit alle macht aan de steen waaronder het pootje vast zat en kreunde van de pijn in mijn bevroren handen. Er zat een grote snee in mijn hand waaruit helder rood bloed over de stenen droop. Alles deed pijn, maar ik mocht het nu niet opgeven.
De steen was zwaar en het kostte me nog een enorme duw voordat hij bewoog. Het pootje van het hert schoot los en het dier jankte luid en viel tegen mij aan. Ik sloeg mijn armen om hem heen om te zorgen dat hij niet in het water viel en voelde zijn warme lijfje mijn koude lichaam opwarmen. Zo stonden we een tijd tegen elkaar. Ik liet hem heel voorzichtig los en keek in zijn glanzende ogen. Hij duwde zijn fluwelen neus tegen mijn wang. Hij hield zijn kopje schuin en keek me nog een laatste keer aan en toen draaide hij zich om en hinkelde op drie pootjes naar de overkant. Daar trapte hij een paar keer met een hoef hard op een steen, alsof hij iemand riep. Hij jankte met zijn kopje in de lucht. Tenslotte sprong hij weg en verdween tussen de struiken.

En toen was het stil, op het bruisen van het water na. Er stond een volle maan die over het witte landschap scheen en lange schaduwen om de bomen toverde. Ik was alleen. Mijn tanden klapperden en ik kon mijn voeten niet meer voelen van de kou. Mijn hand brandde. Met mijn allerlaatste kracht sleepte ik me langs de keien naar de kant, waar ik uitgeput neerviel en mijn ogen langzaam dicht voelde glijden. Mijn lichaam rilde en het laatste wat ik hoorde was het klapperen van mijn tanden in het donkere bos…

~~~

Toen ik wakker werd, wist ik niet waar ik was. Ik deed een oog open en zag de gouden zonnestraal die me gewekt had. Ik kneep mijn oog snel weer dicht: wat een fel licht!
Ik lag in iets warms en zachts en voelde me heerlijk loom. Eigenlijk wilde ik doorslapen, maar er was een stemmetje in mijn hoofd dat allemaal nieuwsgierige vragen stelde: waar ben ik? Wat is gebeurd?

Ik zei tegen het stemmetje dat het weg moest gaan en dat ik verder wilde slapen. Ik keek door mijn oogharen en dacht heel even dat ik een piepklein figuurtje zag, met een kommetje in zijn handen waar stoom af kwam en een wit doekje over zijn schouder. Het mannetje had een witte baard en een puntmuts op. Ach, dacht ik, ik slaap alweer. Want kabouters bestaan niet, dus dit is een droom.

Het verhaal gaat hier verder.

Vorig verhaalBoris en de flesjes (1/2)
Volgend verhaalBoris en de flesjes (2/2)

Reageer!