Wie ben ik?

“Vandaag gaan we een spelletje spelen,” begon de juf in de klas.
“JEEJ!” riep de klas luid. De klas hield wel van spelletjes.
“En volgende week is er het thema Wat betekent jouw naam?,” zei de juf, terwijl ze de vraag groot op bord schreef. “Maar eerst een spelletje met namen. Het spelletje heet Wie ben ik?
Juf keek de klas rond. Iedereen was goed aan het luisteren. “Laten we allemaal in een kring gaan zitten.”

De kindjes schoven hun banken allemaal aan de kant van de klas. De stoelen zetten ze in een kring. Ze keken elkaar aan en hier en daar was er wat gefluister. Ze waren nieuwsgierig naar wat komen ging. Ze vonden het allemaal spannend. Want ze hadden nooit eerder het spelletje Wie ben ik? gespeeld.

“Nemen jullie allemaal een blaadje en schrijf er een dier op, zonder dat iemand het kan zien.”
De leerlingen deden wat hen gevraagd werd. Ze namen allemaal een blaadje papier en een balpen. Ze dachten even na en schreven er een dier op. Een paar minuten later vroeg de juf of iedereen klaar was.
“Ik weet niets,” zuchtte Niels.
“Dat is niet erg hoor, ik geef jullie nog even tijd,” zei de juf vriendelijk.
Een paar minuten later zei Niels weer: “Juf, ik weet echt niets.”
“Denk maar aan de dierentuin. Ben je daar ooit al geweest, Niels?” vroeg de juf nog altijd even geduldig.
“Neen nog nooit.” Hij keek een beetje triest.
“Dat is niet erg hoor,” zei juf, “we gaan in maart met z’n allen naar de dierentuin!”
Niels keek blij. “Echt waar?” vroeg hij.
“Echt waar,” zei juf. “En jij mag zelfs mee! Alleen als je een dier opschrijft,” knipoogde ze. Ze fluisterde iets in zijn oor. “Schrijf maar ‘varken’ op.”
Niels was flink en schreef op zijn papiertje ‘varken’.

“Is iedereen klaar?” vroeg de juf.
“Iedereen is klaar!” riep de klas.
Juf pakte de plakband en gaf iedereen een stukje.
“Zo, heeft iedereen een stukje plakband?”
“Ja,” knikte de klas met z’n allen.
“Nu mag je alle papiertjes aan mij geven.”
Iedereen gaf zijn papiertje aan de leerkracht.
“Nu ga ik ze willekeurig uitdelen, maar je mag zelf niet kijken naar je papiertje!” waarschuwde ze. Ze gaf iedereen terug een papiertje. “Plak nu allemaal jullie papiertje maar op je voorhoofd, je mag elkaar helpen. Je mag elkaars papiertje zien, maar niet je eigen papiertje hoor,” zei ze, “anders is het spel verpest!”

“Nu iedereen een papiertje heeft geplakt op zijn of haar voorhoofd, kan het spel beginnen,” verkondigde juf. “Het is de bedoeling dat jullie om de beurt een vraag stellen aan iemand. Niet vragen ‘Welk dier staat op mijn voorhoofd?’ dan zou het te makkelijk zijn. Vragen zoals: ‘Kan mijn dier springen? Heeft mijn dier 4 poten?’. Dat soort vragen. Het moeten allemaal ja-nee-vragen zijn, dus vragen waarop het antwoord alleen ja of nee is. Heeft iedereen dat begrepen?”
“Juf?” vroeg Youssef, “Aan wie moeten we de vraag dan stellen?”
“Je mag zelf kiezen,” antwoordde de juf, “maar neem niet altijd je vriendjes en vriendinnetjes en zorg dat iedereen eens aan het woord komt. Ik zal beginnen, zodat jullie weten hoe het moet. Ik stel mijn vraag aan Amélie. Heeft mijn dier 4 poten?” vroeg juf.
Amélie dacht na en schudde haar hoofd “Nee hoor juf”.
“Oke, Amélie, nu is het aan jou om een vraag te stellen.”
“Ik stel mijn vraag aan …” Amélie keek de kring rond. Ze wilde niet haar beste vriendin Sophie nemen, dus keek ze maar naar Andreas. “Andreas, kan mijn dier zwemmen?”
Amélie hoopte dat ze een dolfijn had. Wat hield ze van dolfijnen!
“Eehm, dat is een beetje moeilijk,” zei Andreas. “Juf? Wat moet ik daarop zeggen?”
“Dat is inderdaad moeilijk Andreas, hierop hoef je niet te antwoorden met een ja-nee-vraag.”
“Wel,” begon Andreas, “je dier kan niet echt zwemmen in het water, maar wel op het water.”
“Wat?” riep Amélie. “Hoe moet ik dat ooit raden?”
“Geen zorgen Amélie, je kan daarna nog vragen stellen die duidelijkere antwoorden zullen hebben,” stelde juf haar gerust. “Oké Andreas, nu is het jouw beurt voor een vraag.”

Zo ging het spelletje nog wel even door, tot ze allemaal hun dier konden raden. Niels had een olifant, Amélie een eend, Andreas een varken, juf een slang, Sophie een paard en Youssef een konijn. Uiteindelijk was Sarah gewonnen. Maar nadien ging het spelletje gewoon door.

“Zo,” zei juf, “vonden jullie dat een leuk spelletje?”
“Jaaa!” riepen ze allemaal in koor.
“Goed, want dat was de inleiding op het thema van volgende week. Weet je nog wat ik in het begin van de les heb gezegd? Het staat nog op bord. Youssef?”
Youssef keek naar het bord en las het luidop voor: “Wat betekent jouw naam?”
“Goed Youssef. Tegen de volgende les, zou ik graag hebben dat jullie samen met jullie ouders op het internet of in boeken gaan opzoeken wat jullie namen betekenen. Bijvoorbeeld mijn naam betekent krans, maar daar zullen we het dan de volgende les over hebben.”
“Dat klinkt superinteressant,” zei Sophie tegen Amélie.
“Dat is het ook hoor,” zei juf. “Dus tegen de volgende les allemaal informatie mee hebben! Tot volgende week!” zei de juf.
“Tot volgende week juffrouw Stéphanie!” riepen ze in koor.


Wil je ook weten wat jouw naam betekent? Zoek het hier even op!