Het is wel meer dan een miljoen jaar geleden dat er grote dinosaurussen op de wereld waren. In diezelfde tijd liep ook een klein bokje genaamd Barend op de aarde rond. Barend was soms een beetje eigenwijs en deed dan precies wat hij wilde.

Op een dag liep hij door een stuk grasland en probeerde hij wat mals gras te vinden. Van dat lekkere, sappige groene gras. Maar het enige gras dat hij vond was geel en droog. Hij at het wel op want hij had honger, maar lekker vond hij het niet.

Opeens begon het hevig te regenen. En weet je wat raar was? Tegelijk met al die regen bleef toch de zon nog schijnen! Toen zag Barend een wonder gebeuren. Aan de hemel stond een grote boog met de prachtigste kleuren die je bedenken kunt! Rood, oranje, geel, groen en nog veel meer kleuren. Barend vroeg aan een oude bok, die vlak bij hem aan het eten was:
“Wat is dat nu voor moois?”
De oude bok zei dat hij het ook niet wist en maakte een grapje: “Als je de plaats kunt vinden waar het einde van die boog op de aarde staat, dan vind je daar het sappigste gras van de hele wereld!”

Die avond verliet Barend de kudde. Hij trok eropuit om het einde van de regenboog te vinden. Al gauw kwam hij bij een rivier. Daar moest hij overheen, maar hoe? Gelukkig stond er vlak bij de waterkant een grote brontosaurus, een dinosaurus met een hele lange nek. Barend vroeg aan de brontosaurus:
“Zou u mij naar de overkant kunnen brengen?”
Dat wilde het dier wel. Het ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Barend wipte met een flinke sprong boven op zijn rug. Samen liepen ze naar het water en de brontosaurus liep er een eindje in. Toen het te diep werd, deed de dinosaurus zijn nek recht naar voren zodat die een smalle brug vormde naar de overkant en zo wandelde Barend heel voorzichtig naar de kop. Toen hij halverwege was, draaide het dier zijn kop om.
“Duurt het nog lang?” vroeg de brontosaurus. “Ik begin een stijve nek te krijgen!”
Eindelijk was Barend aan de overkant en hij sprong van de kop op de grond.
“Nog bedankt, hè!” riep hij. Barend kon weer een eindje verder!

Al snel was er een tweede hindernis. Nu lag er een heel groot meer voor hem. Barend wist zeker dat hij over het water moest om het malse weitje te vinden. Maar kijk, daar zag hij een paar pteranodons! Dat zijn hele grote dinosaurussen met brede vleugels met een soort klauwen aan het uiteinde ervan. Hij stapte op het tweetal af en vroeg of ze hem naar de overkant van de rivier wilden vliegen. De kleinste van de twee vond dat wel een leuk idee. Zomaar met een bokje op je rug vliegen! “Stap maar op!” zei hij.
Barend sprong op de rug van het dier. De vliegende dinosaurus sloeg zijn grote vleugels uit en weg vloog hij. Maar zonder Barend! Die was van schrik van zijn rug afgevallen!

Met een bocht kwam de pteranodon teruggevlogen en meteen daarna stegen ze samen op. Bokjes hebben geen klauwen waarmee ze zich kunnen vasthouden, maar ze kunnen wel op gladde rotsen klauteren! Nu bleef Barend stevig op de rug van het beest staan. Af en toe keek hij even naar beneden en dacht: “Waar ben ik toch aan begonnen?” Maar na een kwartiertje vliegen daalde de dinosaurus en kon Barend zijn reis vervolgen. Maar eerst ging hij wat uitrusten. Barend ging liggen en was al snel in bokjesdromenland.

De volgende dag stapte hij stevig door. Toen hij boven op een heuvel kwam, zag hij opeens dat er voor hem een groot veld lag met allemaal dezelfde struiken. Hij liep eropaf en toen hij er dichtbij was, zag hij dat de struiken allemaal scherpe dorens hadden. Daar kon hij nooit doorheen! Maar wat liep daar? Een styracosaurus! Dat is een grote dinosaurus met een hele rij horens op zijn kop. Het dier liep recht op de doornstruiken af!
“Mag ik meerijden?” vroeg Barend. Het mocht gelukkig en al snel was hij op de rug van het dier geklommen. Hij drukte zich tegen de horens zodat hij niet zou vallen. Met een vaart stormde de styracosaurus door de struiken. Toch duurde het wel een uur voor ze er helemaal door waren. Barend bedankte het dier en vervolgde zijn tocht naar het einde van de regenboog.

En toen gebeurde er iets vreselijks! Het begon te regenen, maar de zon bleef ook schijnen. En wat zag Barend in de lucht? Juist, een prachtige regenboog. Maar nu stond die boog achter hem! Precies in de richting waar hij vandaan was gekomen! Zou de oude bok hem beetgenomen hebben? Daar leek het wel op. O, nu moest hij dat hele eind weer terug!

Maar zover kwam het niet. Opeens merkte hij dat hij aan de rand stond van een heerlijk malse weide! En hij was niet alleen! Ook in dit deel van het land woonden bokjes. Al gauw kon Barend heel goed opschieten met zijn nieuwe vrienden. Hij vond er ook nog een lief geitje en samen leefden ze daar nog lang en gelukkig.

Reageer!