De woensdagwuif

0
Glane23, Toast soldiers, CC BY-SA 3.0

De opa van Wilma is een beetje gek. Niet echt gek, maar leuk gek. Hij zegt soms dat hij Europa heet. Dan tovert hij chocoladen euro’s uit je oren. Hij zegt dat meeuwen schreeuwen omdat ze bang zijn dat ze kunnen vallen.
De oma van Wilma bakt lekkere cake met noten. Die gekke Europa noemt haar soms Aroma omdat het dan zo heerlijk ruikt in de keuken. Ze maakt ook soldaatjes van brood. Die gaan kopje-onder in het geel van een ei. Of in een zeetje van melk.

Reuzegroot of superslim

0
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Er was eens een reus die zo groot was dat hij over de hoogste berg van het land kon kijken.
Op een dag kwam de reus een meisje tegen dat heel klein was. Neen, niet zo klein als Klein Duimpje van het sprookje, maar veel groter was ze ook niet.
“Dag meneer de reus,� sprak het meisje toen zij de reus zag. “Wat ben jij groot, zeg.�
“Dag meisje,� zei de reus, “dat komt omdat jij zo piepklein bent.�
De reus en het meisje moesten daar heel hard om lachen.

“Zeg, reus, wat kan jij zoal dat ik niet kan?� vroeg het meisje.
“Ik, euh, ik kan heel snel lopen,� zei de reus.
“Maar niet sneller dan ik,� zei het meisje.
“Oh, nee, dat zullen wij zien,� antwoordde de reus, die zich klaar zette om een reuzegrote stap te zetten van wel honderd meter ver.
Maar, omdat ze zo klein was zag de reus niet dat het meisje snel de veter van zijn schoen had vastgenomen. Net voor hij zijn voet neerzette liet het meisje zich los en kwam net voor de reus in het zand terecht.
“Zo, waar bleef jij zolang?� vroeg het meisje aan de reus, die zijn ogen niet kon geloven dat zij voor hem stond.
“Ben jij hetzelfde meisje van daarnet of ben jij misschien haar tweelingzusje?� vroeg de reus.
“Neen, ik heb geen zusje,� zei het meisje, “maar ik heb wel een broertje en die is nog kleiner dan ik, want die is nog maar pas geboren.�
“Zo, die is dan niet piepklein als jij, maar pieperdepieper klein,� lachte de reus.

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

“Kan je wel iets dat ik niet kan?� vroeg het meisje opnieuw aan de reus.
“Natuurlijk, kleintje, ik kan over die hoge berg daar kijken�, antwoordde de reus.
“Ok, doe maar en zeg me daarna wat je hebt gezien,� zei de kleine meid.
“Even mijn hoed opzetten want de zon schijnt anders in mijn ogen,� zei de reus.
Het meisje stond naast de grote hoed van de reus. Zij kon zich nog net aan de rand van de hoed vasthouden toen de reus hem op zijn hoofd zette.
Boven op het hoofd van de reus kon zij ver achter de bergen meekijken. In de verte zag zij de blauwe zee met een hoge witte vuurtoren. Op het water lag een groot roodgeverfd schip met bruine zeilen.

Even later hoorde zij hoe de reus zuchtte en toen ze zijn grote hand naar zijn hoed zag komen hield ze zich weer stevig vast aan de rand. Gelukkig legde de reus zijn hoed voorzichtig neer op een stoel en zag hij niet dat het meisje zich snel langs de poot van de stoel naar beneden liet glijden.
“Waar ben jij nu heen?� riep de reus, die rondkeek om het meisje te vinden.
“Hier ben ik, meneer de reus,� zei het meisje. “Ik zal jou drie dringen zeggen die jij achter de berg hebt gezien.�
De buik van de reus schudde van het lachen. “Akkoord wijsneusje, zeg op,� zei hij.
“Ten eerste was er een blauwe zee,� zei het meisje.
De reus deed zijn ogen wijd open.
“Ten tweede was er een grote witte vuurtoren.�
Nu trok de reus zijn wenkbrauwen op.
“Ten derde was er nog een groot rood schip op de zee.�
De mond van de reus viel wijd open van verbazing.
“Dat kan niet. Dat is toverij,� stamelde de reus.
“Oh ja, reusje, heb jij ook die rare kleur van de zeilen van dat schip gezien? Die waren niet wit zoals gewoonlijk, maar bruin.�
De reus kon zijn oren niet geloven.
“Hoe kan dit nu toch, dit is onmogelijk,� sprak de reus ten einde raad.
“Zal ik je wat verklappen, reusje lief?� vroeg het meisje.
“Ja, zeg mij alsjeblief hoe dit allemaal kan,� smeekte de reus.
“Wel, reusje�, lachte het meisje: “wie niet groot is, moet slim zijn!�

Copyright Guido Aerts

Speurneus Biggetje Bee

0
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Biggetje Bee gaat weer naar school.
Ze hangt haar jas aan de kapstok.
De rugzak legt ze netjes op het rek.

Juf Tina Big geeft Biggetje Bee een hand.
“Goedemorgen, Biggetje Bee.”
Biggetje Bee geeft de juf ook een hand.
“Goedemorgen, juffrouw Tina.”

Het voetbaltornooi

0
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het zou vast spannend worden! Op de dag van het Grote Voetbaltornooi was het prachtig weer. Er waren twee teams uit Malden, verder nog teams van NEC en uit Wijchen en uit nog wel 5 andere plaatsen.

Het team van Roel was het eerst aan de beurt. Wat was Roel weer goed! Steeds als er een bal bij het doel kwam, was hij er als de kippen bij. Tijdens die eerste wedstrijd maakte hij al vier doelpunten en de toeschouwers uit Malden stonden bij elk doelpunt te juichen. Het ging geweldig goed! De eerste wedstrijd werd met 4-0 gewonnen.
Ook bij de tweede wedstrijd zag Roel weer kans om een paar goaltjes te maken. De tegenstander was wel wat sterker dan bij de eerste wedstrijd want Roels club won maar net, met 4-3.

In een hoekje van het grote veld stonden twee jongen met elkaar te praten. Het waren Erik uit Wijchen en Daan uit NEC.
“Straks moet jij tegen Malden spelen,” zei Daan tegen Erik. “Heb jij weleens gekeken naar die Roel Krielen?”
“Ja,” zei Erik, “die knaap is verschrikkelijk goed zeg!”
“Denk je dat jullie van die club kunnen winnen?” vroeg Daan.
“Ik ben bang van niet,” antwoordde Erik.

Toen stonden ze even met elkaar te smoezen en even later stapten ze allebei op Roel af.
“Ha, Roel,” zei Erik, “zou jij niet graag 25 euro willen verdienen?”
“Jawel,” zei Roel, “maar wat moet ik daar dan voor doen?”
“O, niets bijzonders,” zei Erik, “je hoeft alleen maar tegen de wedstrijdleiding te zeggen, dat je vreselijke pijn in je buik hebt en dat je verder niet meer mee kunt spelen. Dan kan Wijchen tenminste de volgende wedstrijd winnen!”
“Wat zijn jullie gemeen!” zei Roel, “dat had ik niet van jullie gedacht! Maar ik doe het niet, hoor! Ik laat mijn club niet in de steek. Nog niet voor duizend euro!”
De twee jongens dropen af.

“Wat doen we nu?” vroeg Daan.
“Ik weet wel wat,” zei Erik.
Even later liep Roel naar het clubhuis om even een plasje te gaan doen. Het was stil aan die kant van het veld. Net toen hij langs een klein schuurtje liep, stapten er twee jongens uit de struiken. Daan en Erik natuurlijk!
Ze pakten Roel beet. Erik deed de deur van het schuurtje open en duwde Roel naar binnen! Daarna ging snel de deur op slot.

Daar zat die arme jongen, in een donker schuurtje met wat oude doelnetten en palen. En zijn team moest over een paar minuten tegen Wijchen spelen! Roel kon er wel om huilen. Hij riep en riep, maar niemand hoorde hem…

De wedstrijd Malden – Wijchen begon. “Waar is onze doelpuntenkampioen toch?” vroegen de jongens van Malden. Maar Roel zagen ze nergens. Toen begon de wedstrijd. Een andere jongen viel voor Roel in.
Al na vijf minuten nam Wijchen de leiding. Malden stond met 1-0 achter. Twee minuten later was het al 2-0 voor Wijchen! De jongens van Malden waren radeloos. Het ging tot dusver zo goed! En nu zaten ze zonder Roel.

Een van de Wijchenaren sloeg een keiharde bal tegen het doel van Malden. Als hij niet tegen de paal was gekomen, dan was het nu 3-0 geweest. Maar Malden had geluk. En hoe! De bal schoot het veld af. Een andere voetballer zag de bal langs komen en gaf er nog eens een flinke mep tegen.
Wouter uit Malden, die achter de bal aan holde, schold hem in het passeren nog uit voor stommeling. Gelukkig bleef de bal vlak bij het oude netten schuurtje liggen. Wouter raapte hem gauw op. Maar wat hoorde hij daar? Iemand zat in het schuurtje te roepen! “Help, help,” hoorde hij. De sleutel zat aan de buitenkant. Wouter draaide de sleutel gauw om en wie stormde er naar buiten? Roel natuurlijk. Wat waren ze allebei blij!
Ze holden naar het veld, waar de wedstrijd even was gestaakt. Toen de spelers Roel zagen aankomen ging er een geweldig gejuich op. De scheidsrechter liet weer beginnen. Binnen 10 minuten was het 2-2. En vlak voor het einde kwam alles nog goed. Het werd 3-2 voor Malden. En nu mag je een keer raden, wie die doelpunten maakte. Roel natuurlijk.

“Waar was je toch?” vroeg iedereen na de wedstrijd.
Roel vertelde het hele verhaal. Over die 25 euro die hij kon verdienen en hoe hij in dat schuurtje was gestopt. Hij vertelde natuurlijk ook wie dat gedaan had. Erik en Daan werden onder veel BOE-geroep van het veld afgejaagd! Ze mochten nooit meer bij hun clubs terugkomen en ook nooit meer bij een andere club voetballen. Net goed voor zulke boeven.

Want winnen kan je alleen maar door er hard voor te gaan en door veel te oefenen. En natuurlijk niet met zulke lelijke streken.

Een heel speciale schelp

0
Copyright voorleestuin.be - op basis van een illustratie met CC0 licentie

Bas en Bram zijn twee jongens van 6 jaar. Een vrolijke tweeling met blond haar en sproetjes op hun neus. Vandaag zijn ze op het strand van Zandvoort. Op hun knietjes kruipen ze door het zand, speurend naar de mooiste schelp van het hele strand.

“Hier zijn wel honderd mooie schelpen,” zegt Bram.
“Niet waar, wel duizend,” roept Bas.
“Of miljoenen,” zeggen ze allebei tegelijk.
In ieder geval zijn het er heel erg veel. Schelpen zoeken is leuk, het is net schatzoeken. De broertjes slaan geen stukje strand over, ze zoeken de allermooiste. Opeens stoppen ze allebei tegelijk. Voor hen ligt een hele mooie grote schelp. Deze is wel vijf keer zo groot als alle andere schelpen op het strand. Hij is licht van kleur met allemaal kleine glittertjes.

Copyright voorleestuin.be – op basis van een illustratie met CC0 licentie

“Wauw,” zegt Bas, “deze is echt heel erg mooi!”
Ze zetten hun emmertje een beetje dichterbij. Net als Bram de schelp wil oppakken, begint deze te bewegen. De jongens schrikken zich een hoedje. Ze gaan rechtop zitten en kijken wat er gebeurt. Ze vinden het een beetje eng maar zijn te nieuwsgierig om niet te blijven kijken.
Bram buigt weer een beetje voorover en ziet de schelp omhoogkomen. “Er komt iets onderuit, Bas, zie je dat?” vraagt hij aan zijn broer.
Bas knikt. Ook hij ziet dat er een piepklein mannetje onder de schelp vandaan gekropen komt.

Het kleine ventje rekt zich uit. Het lijkt alsof hij net wakker is. Hij heeft een felrood shirtje aan en een knalblauw kort broekje. En een stoere pet achterstevoren op zijn hoofd. Voor uit de pet steekt een pluk blond haar. Aan zijn voeten draagt hij piepkleine sportschoentjes. Het mannetje wrijft met zijn vuistjes in zijn blauwe oogjes en kijkt vervolgens van de ene naar de andere jongen. Hij schrikt en zegt met een piepstemmetje:
“Oei, wat is er gebeurd, ik zie dubbel!”
Bas en Bram beginnen te lachen. “Hoi, ik ben Bas, en dit is mijn broertje Bram, wij zijn een tweeling. Wie ben jij?”
Het mannetje geeft beide jongens een high five en zegt dat hij kabouter Koen heet en zin heeft om met de jongens mee te spelen vanmiddag. Dat vinden Bram en Bas een heel goed idee.

“Wacht even, ik heb wat leuks,” zegt kabouter Koen. Hij kruipt weer onder zijn glitterschelp en rommelt wat. Met een piepklein vliegertje komt hij weer tevoorschijn.
“Wat is dat?” vragen de broers in koor.
“Dit is een tovervlieger,” verraadt kabouter Koen.
De jongens willen natuurlijk van de kabouter weten waarom het dan een tovervlieger is. Het piepkleine kereltje legt uit dat je op de vlieger moet gaan zitten en dan hoog in de lucht kunt zweven. Zelfs met z’n drieën!
“Kom er maar op,” moedigt Koen de jongens aan.
“Dat kan toch niet, de vlieger is veel te klein!” zegt Bram.
“O ja, dat is waar ook, dom van me,” zegt kabouter Koen. “We moeten hem eerst wat groter toveren door deze spreuk op te zeggen: Hatsie flatsie floep!” Met z’n drieën zeggen ze de spreuk van kabouter Koen hardop: “Hatsie flatsie floep!”
Ineens zien de jongens de vlieger heel erg groot worden. Volgens Koen bezit hij nu ook magische krachten. Bram en Bas kunnen niet wachten om dat eens te testen.

Kabouter Koen nodigt beide jongens uit om bij hem op de vlieger te komen zitten. Ze nemen plaats en Koen vraagt of ze samen met hem weer de toverspreuk willen opzeggen.
“Hatsie flatsie floep!” zeggen ze. De vlieger blijft stilliggen. Koen moedigt de tweeling aan om veel harder te roepen.
“HATSIE FLATSIE FLOEP!” schreeuwen ze zo hard ze kunnen. En jawel hoor, heel rustig begint de vlieger een beetje te zweven. Hij komt los van het strand en zweeft hoger en hoger de lucht in. Bram, Bas en kabouter Koen zien het strand en de zee steeds kleiner worden. “Jaaaaaaaa, we vliegen!”

Het drietal is dolblij. Ze vliegen hoog boven het strand en de zee en vinden het supercool. De mensen zijn kleine stipjes. Ze vliegen een grote ronde boven Zandvoort. Na een tijdje zegt kabouter Koen dat ze weer naar beneden moeten. “We gaan zakken, hou je vast!”
De tweeling doet wat het kaboutertje zegt. Ze landen weer veilig op het strand bij de glitterschelp.
“Hatsie flatsie floep,” zegt kabouter Koen stilletjes. De vlieger wordt weer klein en hij stopt hem onder zijn schelp. Koen neemt afscheid van de jongens door ze beide een boks met zijn kleine vuistje te geven.
“Dag jongens, tot de volgende keer!”

Het kaboutertje kruipt snel weer onder zijn schelp. Ineens horen Bram en Bas achter zich de stem van hun moeder: “Hé jongens, ik was jullie kwijt, wat waren jullie aan het doen?”
Bas en Bam zeggen tegelijkertijd: “We waren aan het vliegen op een grote vlieger boven het strand met een piepklein mannetje. Zijn naam was kabouter Koen, het was heel erg leuk!”
Mama kijkt de jongens verbaasd aan, pakt ze beide bij een handje en neemt ze mee. “Ik geloof dat jullie een zonnesteek hebben!”
De tweeling kijkt nog eens achterom en vanonder de schelp zien ze een piepklein hoofdje vandaan komen. Een piepklein knipoogje volgt. En dan verdwijnt het hoofdje weer onder z’n schelp.

Gaspard n’aboie plus

0
Copyright Guido Aerts

Gaspard est le chien de Jérôme. Jérôme a huit ans. Ses parents et sa petite sœur Marianne viennent de déménager. Sa nouvelle école se trouve à un jet de pierre de sa nouvelle maison.
Mais que signifie : à un jet de pierre? Eh bien, si tu ramasse une pierre tu ne peux pas la jeter très loin. C’est pourquoi on en a fait une ‘expression’. A un jet de pierre signifie donc ‘tout près’.
Dans le monde entier il y a beaucoup de langues avec plein d’expressions qui sont parfois très drôles.
Comme sa maison se trouve si près de son école, Jérôme peut y aller à pied. C’est vraiment derrière le coin et c’est pourquoi son chien Gaspard peut l’accompagner jusqu’à la porte de l’école. Dès que Jérôme entre la porte, Gaspard rentre à la maison.
La plupart du temps, Gaspard joue dans le grand jardin. Il y a au moins dix balles sur la pelouse, des petites et des grandes qui ont toutes sortes de couleurs. Quand Marianne et Jérôme jouent dans le jardin, il s’amusent à frapper les balles et Gaspard court pour les attraper. Il mord dans les petites balles qui sont très dures. Mais il est prudent quand il prend une balle qui est plus grande et plus molle. Quand il mord trop dans une balle molle il y l’air qui s’échappe et la balle est plate.
Parfois on dit : ‘plat comme une figue’. C’est aussi une expression. As-tu déjà vu une figue séchée? Elle est en effet très plate.
Aujourd’hui, Gaspard a un petit plan dans sa tête. Comme tous les jours, le papa de Jérôme est parti travailler. L’année prochaine Marianne passera de la Maternelle à l’école primaire. La maman de Jérôme et Marianne vont à l’école pour inscrire sa petite sœur.
Comme d’habitude, Gaspard peut les accompagner, mais il doit attendre devant la porte.
Dès que Marianne et sa maman sont entrées, Gaspard réalise son plan. Il saute par-dessus la clôture et il longe le mur de l’école pour qu’on ne le voit pas à travers les fenêtres.
Les chiens savent sentir si bien qu’ils peuvent facilement détecter quelqu’un.
Il fait bon et les fenêtres des classes sont ouvertes. Gaspard a rapidement trouvé la classe de Jérôme et se couche en dessous de la fenêtre.
Il entend la voix lourde de l’instituteur qui demande : « Qui connait l’expression : ‘chien qui aboie ne mord pas’ ? »
Gaspard reconnait la voix de Jérôme qui répond : « J’ai un chien et je pense que l’expression signifie qu’il ne faut pas avoir peur qu’un chien te mord quand il aboie souvent . »
Soudainement quelqu’un ferme une fenêtre et Gaspard s’encourt rapidement. Il ne veut pas être vu. Il saute avec souplesse la clôture et se met devant la porte.
Juste à temps, car Marianne et sa maman sortent de l’école.
Rentré à la maison, Gaspard se repose sous un arbre et regarde les balles sur la pelouse.
Il réfléchit profondément et décide : dorénavant je ne vais plus aboyer sinon je ne peux plus mordre dans les ballons.

Copyright Guido Aerts

Kevertje en de magische bellenblaas

2
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Het was vakantie en Kevertje was met zijn vriendje Daniël op het strand aan het spelen. Ze hadden een groot zandkasteel gebouwd en gingen nu op zoek naar mooie schelpen om het kasteel mee te versieren. Kevertje zat op Daniëls rechterschouder en als hij een leuke schelp zag, draaide hij zich naar Daniëls oor en riep dan bijvoorbeeld: “Kijk, Daniël, daar links ligt een mooie roze!”

Toen ze op een gegeven moment vlak langs de zee liepen, riep Kevertje ineens: “Daniël, kijk daar! Een fles met een briefje erin!”

Halloweenoptocht

0
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Sanne en Jasper hebben in de kleutergroep een lampion gemaakt. Het is een pompoen van papier met daarin een kaarsje. Vanavond is het Halloween en mogen ze meelopen in de optocht. De juf, de mama’s van Sanne en Jasper en een heleboel andere kinderen lopen ook mee. De juf heeft verteld dat Halloween wordt gevierd op 31 oktober en dat het feest uit Amerika komt. De kinderen verkleden zich als spoken en heksen en gaan met lampionnen langs de deuren. Ze krijgen dan snoepjes.

Hangslakje

0
Copyright Wilma Eekman

Wat
is
dat??

Kip, Kat en Schaap kijken elkaar aan.
Daarna kijken ze omhoog.
Met drie open monden staren ze naar de hemel.

Prinses Amber wordt zeemeermin

2
CC0 Creative Commons - bron: pixabay.com

Amber doet haar koffertje dicht. Alles zit erin: haar lievelingsnachthemd, een mooie jurk, Pluis het knuffelkonijn en haar nieuwe badpak. Dat heeft ze van oma gekregen, omdat ze samen op zwemvakantie gaan.
Amber loopt naar beneden. Daar zijn papa, mama en Stefan. Hun ingepakte koffers staan al klaar.

Ze trekken hun jas aan en gaan naar de auto. Papa en mama zetten alle koffers in de auto en rijden dan naar het huis van opa en oma. Papa toetert. De garagedeur gaat open en opa en oma rijden naar buiten. De achterbank van hun auto ligt vol met spullen. De garagedeur gaat vanzelf weer dicht.

Papa rijdt weg en opa rijdt achter hem aan. Amber draait zich om in haar stoel en zwaait naar opa en oma. Die zwaaien terug. Amber steekt haar tong uit. Opa en oma steken ook hun tong uit. Amber trekt een gek gezicht. Oma kijkt nog gekker terug. Dat is een leuk spelletje. Maar dan wordt Amber moe en ze valt in slaap. Het is ook zo ver rijden naar het vakantiehuisje.

“Amber, wakker worden, we zijn er,” zegt mama. Amber stapt uit en kijkt om zich heen. Overal staan kleine huisjes. In een ervan gaan ze met z’n allen wonen zolang het vakantie is. Maar eerst moet alles naar binnen worden gebracht. Amber helpt flink mee. Dat kan ze heel goed, want ze is sterk. Stefan kan dat nog niet, hij is te klein.

Als alles netjes is opgeruimd, gaat Amber met papa en mama naar buiten. Stefan moet slapen en ook opa wil een dutje doen. Kleine kinderen en oude mensen moeten ’s middags naar bed, weet Amber. Zij hoeft dat lekker niet, want zij is niet klein en niet oud. Ze is al vier jaar en kinderen van vier hoeven pas naar bed als het buiten donker is.

Ze lopen over een weg van zand. Er zijn geen straten en geen stoepen. Dat hoeft ook niet, want er mogen geen auto’s bij de huisjes komen. Alleen als je aankomt en alles uit de auto moet halen. En als je naar huis gaat en je alles weer in de auto moet zetten. Verder zijn auto’s verboden, want de kinderen hebben voorrang. Die mogen dus lekker rondrennen.

Amber vindt het vakantiepark super. Er is van alles te zien. Een vijver waar je kunt roeien, een kamer waar je spelletjes kunt doen en er is een heel groot zwembad. Nu ziet Amber alleen de buitenkant.
“Straks gaan we naar binnen,” belooft mama.

Als Stefan wakker is, gaan ze met z’n allen naar het zwembad. Ze hoeven maar een piepklein stukje te lopen. In een hokje trekt Amber haar nieuwe badpak aan. Het staat prachtig. Ze doet een grote, roze handdoek om haar schouders: nu is ze net een echte prinses. Prinses Amber.

Met een deftig gezicht loopt ze naar het zwembad. Alle mensen kijken naar haar, zo mooi ziet ze eruit. Amber glimlacht vriendelijk naar ze. Een klein meisje zwaait. Prinses Amber zwaait terug. Niet zoals gewone mensen, maar zoals alleen prinsessen en koninginnen dat doen. Amber weet hoe dat moet, want dat heeft ze op televisie gezien toen de koningin in de koets zat. Die zwaaide precies zoals prinses Amber: heel erg deftig.

Papa en mama hebben een tafel en zes stoelen bij elkaar gezet, vlak bij het zwembad. Vier gewone stoelen, een kinderstoel voor Stefan en een hoge stoel waarin je ook lekker achterover kunt liggen. Snel gaat prinses Amber erop zitten. Dit is een troon en die is alleen voor prinsessen. Gewone mensen moeten op gewone stoelen zitten.

Amber kijkt rond. Ze doet net alsof het zwembad van haar is, alsof zij de baas is van alles. Het is heel mooi in het zwembad van prinses Amber. Overal staan bomen, er zijn rotsen en een echte waterval. En er is een minizwembad voor minikinderen. Daar gaat prinses Amber natuurlijk niet in. Nee, zij gaat straks in het grote bad, samen met papa. Het water is nu nog glad, maar zodra de bel gaat, komen er golven in. Hele hoge golven. Spannend!

CC0 Creative Commons – bron: pixabay.com

Opeens hoort Amber een rinkelend geluid. Het is de bel die verklapt dat het water bijna wild gaat worden. “Golven!” gilt Amber en ze springt van haar stoel. Ze vergeet helemaal dat ze een deftige prinses is.
“Papa, gaan we zwemmen?” Ze springt op en neer, zoveel zin heeft ze erin. Papa moet lachen. “Pak je zwembandjes maar, dan doe ik ze om je armen.”

Als ze in het water zijn, gaat er weer een bel. Nu beginnen de golven echt. Eerst beweegt het water zachtjes, maar dan gaat het harder en harder. Amber zwiept op en neer, hoger en hoger, bijna tot aan het dak!
“Vindt u het niet te eng, majesteit?” vraagt papa bezorgd.
“Welnee,” antwoordt Amber, “want ik ben nu een zeemeermin en zeemeerminnen zijn dol op water. Dus kom maar op met die golven!”