In een diep donker bos stond een hele grote eikenboom. En onderaan die eikenboom, daar waar in de stam een klein holletje was uitgespaard, woonde een kaboutertje. Dat kaboutertje heette Oelewoelewap. Wel een beetje een rare naam, maar toen het kaboutertje geboren werd, was dat het eerste wat in zijn mama opkwam.
Hupsakee
Op een warme zomerdag, toen Hupsakee thuiskwam, vond hij een briefje op de tafel. Daarop stond te lezen: “Hei Hupsakee, heb jij zin om met mij vandaag te gaan zwemmen?”
Met daaronder: “jouw vriend Joepie”.
Daar moest Hupsakee even over nadenken, want eigenlijk kon hij helemaal niet zwemmen. En al kon ie het, waar zouden ze dat dan moeten doen?
De vrienden Hupsakee en Joepie woonden in het Land van Melk en Honing in een tijd toen er nog geen auto’s bestonden, en geen telefoons.
Domme Boris de kater
In onze straat wonen een heleboel katten. Rode, zwarte, met streepjes, bonte, dikke, dunne, lieve, kwaaie, slimme en een beetje domme.
In het gezelligste huis van de straat woont Boris de kater. Het liefste ligt Boris te slapen op het balkon, in de zon. Is er geen zon, dan zit Boris binnen, en moet hij iets anders verzinnen.
De circusvoorstelling
Er is circus in het dorp! Joris is al naar de dieren gaan kijken met vader. Maar het circus staat op stelten, want Igor is weg. En zonder Igor kan de voorstelling niet beginnen…
“Het circus is de dwerg, Igor, kwijt.” Moeder wijst aan hoe klein Igor is. “Zonder Igor kunnen ze geen voorstelling geven. Hebt u hem soms gezien?”
Circus in het dorp
Een stoet bontgekleurde vrachtwagens rijdt langzaam door de Hoofdstraat naar de grote weide net buiten het dorp. In een paar dagen tijd wordt er een gigantische circustent opgebouwd. Joris kijkt zijn ogen uit. Circus Brentz staat er in grote gouden letters op de tent.
Vader heeft hem beloofd dat ze woensdagmiddag naar het kindermatinee gaan.
Op het potje
“Ik moet kaka doen!” roept Job. Hij springt op van zijn stoel en rent naar de wc.
Job zit rustig op de wc en zingt een liedje. En na een tijdje roept Job heel hard: “Ik ben klaar!” Job is klaar en wil dat mama zijn billen komt afvegen.
Mama loopt naar de wc en zegt: “Job, je weet toch dat je zelf je billen af moet vegen? Je bent nu zo groot!”
Maar Job antwoordt: “Ik kan er echt niet goed bij, mijn armen zijn veel te kort.” Job vindt billen afvegen vies. Toch moet hij het leren.
Peigi, het kaboutervrouwtje
Kaboutervrouwtje Peigi heeft honger. Erge honger. Ze is een zwerfstertje. Ze zou graag een woning hebben, maar alle kabouterhuizen zijn al bezet en in de holle bomen wonen oude, norse kabouters, die niks van een zwerfster moeten hebben.
Peigi wil niet opvallen. Daarom draagt ze een groene overall en heeft ze een groene hoofddoek om. Ze verschuilt zich graag tussen de varens in het bos, omdat het daar beschut en donker is. Ze leeft van oud brood dat weggegooid wordt door de mensen. Soms vindt ze ook ander voedsel, zoals bramen of een half opgegeten appel. Ze is nogal verlegen en praat zelden met andere kabouters, omdat ze bang is dat die haar maar vies en raar vinden.
Vliegles
De vogels fluiten, de vlinders dansen in de blauwe lucht, het is weer lente. Wat heerlijk: je ruikt de natuur en je voelt je lekker.
Dat geldt ook voor Lieber de labrador. Elk voorjaar als de zon schijnt, vind je Lieber op het gras in de achtertuin. Eerst rolt hij even lekker op zijn rug en trappelt met zijn poten in de lucht van plezier. Daarna laat hij zich op z’n zij vallen en gaat lekker in de zon liggen.
Als zijn buik na een half uurtje helemaal warm is, draait hij zich op z’n andere zij om ook daar de zonnestralen lekker op zijn buikje te voelen. Lieber geniet ervan om lui te zijn en niks te doen. Hij weet dat hij een hond is en dat hij nooit naar school hoeft.
Cas heeft hooikoorts
Cas kijkt vanuit zijn klaslokaal naar de vogels buiten. Ze vliegen door de bomen en bewegen sierlijk. Hij wil ook naar buiten. Cas wordt altijd heel erg blij van de zomer en de lente. Al kwam daar dit jaar opeens een beetje verandering in. Cas kreeg last van jeukende en tranende ogen en kon ook bijna niet meer stoppen met niezen. Wat vond hij dat vervelend!
Het houthakkershuisje
Een verliefde houthakker kwam moeder om hulp vragen. Zijn Truusje komt morgen op bezoek, maar hij is bang dat ze zijn huisje niet goed vindt. Moeder, Joris en Hondje gaan kijken en inderdaad, het huisje is vies.
Wanneer de houthakker weer het bos in is, tovert moeder: er komt een blauwe mist rond het huisje en dan wordt het helemaal schoon en opgeknapt…
De blauwe mist blijft echter rond het huisje hangen.
Moeder loopt er rond. Het gaat niet helemaal goed. Ze strekt haar armen uit en mompelt een toverspreuk.
Het huis begint te schudden en lijkt te krimpen.
“Moeder, wat gebeurt er?” roept Joris.
Moeder mompelt nog een toverspreuk en nog een.
Het huis wordt alleen maar kleiner en kleiner. Pas als het zo groot is als een hondenhok, trekt de mist op. Hondje loopt er vrolijk kwispelend omheen. Er is geen hond in de wijde omgeving die zo’n mooi huisje heeft. Hij vindt het geweldig.









