Willem Wanne en het rode fietsje

0

Daar gaat Willem Wanne
Op zijn rode fietsje
Twee grote wielen en twee kleine wielen
Een rode fiets met zijwieltjes
Willem Wanne kan al goed fietsen

Mama zegt, ik haal de zijwieltjes eraf
Dan kun je echt leren fietsen
Echt fietsen! Dat wil Willem Wanne graag!
Net als de grote kinderen

Maar wat is dat?
Willem Wanne valt steeds om
Zijn fietsje doet het niet meer!
Willem Wanne moppert
En huilt
En schopt tegen z’n rode fiets

Ho, zegt mama, zo gaat ‘ie stuk
Wacht, ik zal je helpen
Als mama duwt, dan gaat het goed
En dan fietst Willem Wanne alleen
Willem Wanne valt niet om

Daar gaat Willem Wanne
Op z’n rode fiets
Een grote jongen al, die Willem Wanne

En toen was er licht

0

In de holle beuk zitten alle dieren gezellig bijeen. Het is bijna donker tot de gloeiworm zijn lichtje aandoet. In hun midden zit de uil. Hij heeft net zijn leesbril opgezet en slaat een groot, dik boek open. ‘Er was eens…’
Maar dan begint het lichtje van de gloeiworm ineens te knipperen. Aan – uit – aan – uit.
‘Hé, gloeiworm,’ zegt de olifant. ‘Doe eens wat aan die lamp van jou. Zo kan de uil ons geen Kerstverhaal voorlezen.’
‘Ik doe mijn best,’ kreunt de gloeiworm.

Nevit Dilmen, Firefly Nevit 02670 cr, CC BY-SA 3.0

De mier gaat naast hem staan en tikt op de lamp.
‘Dat helpt niet,’ zegt de gloeiworm.
De muis schudt hem voorzichtig heen en weer.
‘Dat helpt ook niet,’ zucht de gloeiworm.
De uil buigt zich naar de gloeiworm toe. ‘Wat is er dan?’ fluistert hij.
‘Tja, ik denk dat mijn gloei op is.’
‘Oei, dat klinkt niet best,’ zegt de muis.
‘Daar heb je helemaal gelijk in, want ik heb geen nieuwe meer.’
‘Ook geen reserve?’
‘Nee, alles is op!’
‘En nu?’ bromt de olifant.

Er valt een diepe stilte in de beuk. Zonder licht voelt het ook wat kouder aan en iedereen kruipt ongemerkt een beetje dichter bij elkaar.
‘Dan halen we toch gewoon nieuwe?’ merkt de uil op.
‘Waar?’
‘Nou, van de zon natuurlijk. Die heeft genoeg licht en kan vast wel wat missen. Wat denk jij, gloeiworm?’
De gloeiworm knikt. ‘Dat zou best eens kunnen lukken.’
‘We vliegen er meteen naar toe,’ besluit de uil.

Even later vliegt de uil met de gloeiworm op zijn rug naar de zon. Het is een verre tocht, maar het heldere licht in de verte geeft de uil extra kracht. Ze landen dan ook sneller dan verwacht op de schitterende bol van licht.
‘Dag mooie lieve zon,’ zegt de uil.
‘Dag mooie lieve uil,’ zegt de zon. ‘Wat leuk dat je op bezoek komt. Ik zie dat je ook de gloeiworm hebt meegebracht.’
‘Ja, de gloeiworm heeft uw hulp nodig,’ zegt de uil. ‘Hij heeft geen gloei meer.’
De gloeiworm schudt zijn hoofd. Een traan valt sissend op de zon.
‘Nou, nou, je hoeft niet te huilen,’ troost de zon. ‘Ik heb meer dan genoeg licht. Pak maar wat je nodig hebt.’
De uil buigt zich voorover en pakt een klein zonnestraaltje op. Hij geeft het straaltje aan de gloeiworm en die slikt het in één keer door. Meteen begint zijn lamp weer te gloeien.
‘Wat geweldig! Mijn lichtje brandt weer. Hartelijk dank, lieve zon!’ roept de gloeiende gloeiworm.
‘Graag gedaan. Kom snel nog eens langs, dan drinken we een kopje thee.’

De uil en de gloeiworm nemen afscheid van de zon en vliegen terug naar het bos waar de dieren nog steeds wachten in de beuk. Ze waren in slaap gevallen, maar zodra de gloeiworm zijn licht laat schijnen, is iedereen klaarwakker.
‘Oooh, wat een prachtig licht,’ zegt de olifant.
De dieren klappen in hun handen en de trotse gloeiworm straalt als nooit tevoren. Het was die nacht nog lang licht en er werden vele verhalen voorgelezen.

Harry, de Snotolf – deel 3/3

0

Dus daar lag Harry, happend naar adem, op de stoep bij het inpakstation regio Zuid-West-Nederland.
Hoe moet dat goedkomen?
Luister:
Langzaam piepte er een straaltje helder licht tussen Harry’s oogleden door. Hij probeerde ze verder open te doen, maar hij werd verblind door het felle licht. Hij kon nog net twee witte handschoenen onderscheiden die naar hem werden uitgestoken met daarachter een wollige witte baard. Ben ik dood? Is dit de Snotolven-kerst-hemel? vroeg Harry zich af.

Toen hoorde hij een vriendelijke, zware stem: “Hallo Harry, ik heb iets voor je.”
En toen werd er heel voorzichtig een soort van vissenkom over zijn hoofd gedaan. Ineens kon Harry weer ademen! Langzaam deed hij zijn ogen verder open en keek om zich heen. Hij zag heel dichtbij het lachende gezicht van de Kerstman. Om zich heen zag hij overal lichtjes en verderop een enorme kerstboom, vol met glimmende ballen en kerstkransjes. En cadeautjes! Stapels en stapels cadeautjes.

Ook zag hij elven met bontgekleurde zakdoeken, die al hoestend en niesend aan het inpakken waren. En hij zag zijn eigen bergje ingepakte mosselen liggen.
“Hoe kan dit allemaal?” vroeg hij.
“Ha Ha Ha, Ho Ho Ho,” zei de Kerstman. “Weet je dan niet dat de Kerstman alle wensen uit kan laten komen? Ik heb een manier gevonden voor jou om te ademen op het land. Zo lang jij dat ding op je hoofd houdt, is er geen probleem. En dat heb ik niet zomaar gedaan. Ik heb een heel belangrijke vraag voor je. Ik heb gezien hoe prachtig jij cadeautjes kan inpakken, en we hebben je hulp hard nodig hier in inpakstation Regio Zuid-West-Nederland. Wil jij ons alsjeblieft komen helpen? In ruil daarvoor mag je met ons kerstmis vieren.”
“Ehm, de, maar, oh, eh, hoe, t.., v.., als, dat…” Harry kwam niet uit zijn woorden, zo blij was hij.
“Je mag er ook nog wel even over nadenken,” zei de Kerstman.
“NEE!” riep Harry. “Ik bedoel: JA! JA! HEEL GRAAG!”
Heb je toevallig wel eens een blije snotolf gezien? Een écht blije snotolf? Dat ziet er dus zo uit:

Jiel, Jielbeaumadier poisson gris 2 paris 2014, CC BY-SA 3.0

Ongelooflijk hè? Wat een blijdschap.
En zo eindigt dan echt het kerstverhaal over Harry de snotolf, die zo van kerst hield.
Hoewel, eigenlijk is er nog iets dat ik je wil vertellen: Harry moest hard werken bij het inpakstation. Maar hij genoot met volle teugen. Hij pakte in, hij zong, hij danste en hij snoepte kerstkransjes met de andere inpakelven.

Toen ze klaar waren met inpakken en alle cadeautjes verstuurd waren, vierde Harry zijn eerste echte kerst samen met de inpakelven. Het waren de mooiste dagen van zijn leven. Toen het allemaal voorbij was, voelde Harry zich verdrietig. Nu moest hij weer terug naar zijn vader en het troosteloze wrak. Zou hij volgende jaar met kerst weer terug mogen komen? Gelukkig kwam de Kerstman naar Harry toe en zei: “Ik ben ontzettend trots op je, Harry. Je hebt hard gewerkt en prachtige cadeautjes gemaakt. Wil je alsjeblieft volgend jaar weer komen helpen?”
“Ja, graag!” antwoordde Harry, glimmend van trots.
“Zullen we je dan vanaf nu inpak-olf noemen? Harry, de inpak-olf van inpakstation Regio Zuid-West-Nederland!”

Harry zwom die avond zingend naar huis. Hij moest nog wel een jaar wachten tot het weer kerst was, maar hij hoefde nooit meer naar zijn vader te luisteren als die zei: “Kerst is niets voor vissen.”
Want dat is het dus wel!
Einde.
Echt.

Harry, de Snotolf – deel 2/3

0

Harry de snotolf was druk bezig met het feestelijk inpakken van kerst-mosselen.
En toen…
“Hmm, wat is dit nu?” hoorde Harry ineens achter zich brommen. Hij draaide zich om en zag vader Snotolf, die verbaasd naar de versierde anemoon en de stapel pakjes stond te kijken.
“O papa!” riep Harry enthousiast. “Ik ga eindelijk kerst vieren. Ik ga voor de Kerstman werken!” En hij vertelde hem wat hij gehoord had bij het inpakstation regio Zuid-West-Nederland en wat hij zelf van plan was.

Vader Snotolf keek zijn zoon aan. “Zoon,” zei hij, “dat is volstrekt onmogelijk.”
Harry keek zijn vader verbijsterd aan. “Jawel papa, ik heb het de Kerstman zelf horen zeggen, hij zocht snotolven om hem te helpen, echt waar!”
Maar vader Snotolf wilde er niets van weten. “Harry, je zult het verkeerd verstaan hebben. Geloof me maar, dit is niets voor snotolven. Vissen vieren geen kerst, dat heb ik je nu al zo vaak verteld. Je gaat vanavond nergens naar toe!”
En met die woorden pakte vader Snotolf Harry vast en plakte hem met zijn zuignap vast aan de wand van het wrak. “Ga slapen, Harry,” zei hij.
Daarna zwom vader Snotolf naar de andere kant van de kamer en binnen vijf minuten hoorde Harry zijn vader snurken.

Hoe kon hij dit nou doen?! Harry probeerde zich los te trekken, maar dat was tevergeefs. Hij zat muurvast. Zachtjes begon hij te huilen. En toen hij eenmaal begon met huilen, leek het alsof hij niet meer kon stoppen. Hij huilde zich helemaal moe. En toen viel hij eindelijk zelf ook in slaap, met de tranen nog op zijn wangen.

Plotseling schrok Harry wakker. Iets of iemand had aan zijn vin getrokken. Hij keek om zich heen. Het was donker in het wrak. Harry zag in de verte de omtrek van een grote vis. Even schrok hij. Was dit een roofvis die hem voor een lekker hapje aanzag? Had deze vis aan zijn vin geknabbeld? Toen hoorde hij een luid gesnurk uit de grote vis komen. Opgelucht haalde Harry weer adem. Gelukkig, het was zijn vader. Maar wie had er dan aan zijn vin getrokken?
“Psst!” hoorde hij ineens. Hij keek rond. Achter hem zat de zeester, de piek van de anemoon. “Psst!” zei hij nogmaals. Harry keek de ster aan. “Ik ga je losmaken,” zei de zeester. Hij sloeg twee van zijn armen om Harry’s lichaam heen en plantte zijn drie andere armen stevig op het wrak. “Ik tel tot drie,” riep de ster, “één, twee, drie…” De zeester trok met al zijn kracht en met een luide plop schoot Harry van de wand van het wrak af. Vader Snotolf werd stil. Geschrokken keken Harry en de ster zijn kant op. Maar meteen daarna begon het gesnurk weer. Opgelucht keken ze elkaar aan.
“Dankjewel, zeester,” zei Harry, “hoe kan ik je ooit bedanken?”
“Maak je droom waar, Harry. Dat kan je voor me doen; maak je droom waar. En ga nu snel.”

Dolgelukkig gaf Harry de gele zeester een dikke knuffel. Hij pakte zijn mossel-cadeautjes mee en zwom toen zo snel als hij kon richting het inpakstation regio Zuid-West-Nederland. “Kerstman, ik kom eraan!” riep hij luid.
Toen hij de lichtjes zag, nam hij een grote aanzwem en sprong zo uit het water van de Oosterschelde de kant op.
“Ik ben er,” dacht Harry. “Ik heb het gehaald!”

Tsja. Nu weet ik natuurlijk niet hoeveel jij van vissen weet. Misschien heb je eigenlijk nog nooit zoveel over vissen nagedacht. Dat zou heel goed kunnen. Dat hebben de meeste mensen. Maar zelfs dan zijn er toch dingen die je weet. Harry had een schitterend plan. Hij had het allemaal uitgedacht. Hij zou zijn droom kunnen waarmaken. Fantastisch!
Maar hij had toch één klein dingetje over het hoofd gezien. Klein, maar van levensbelang.

Weet je het al? Weet jij waar Harry, die zelf een vis is en toch beter zou moeten weten, niet aan gedacht heeft? Juist. Ademen.
Vissen kunnen op het land niet ademen.
Dus daar lag Harry, happend naar adem, op de stoep bij het inpakstation regio Zuid-West-Nederland. Hij zag de mooie lichtjes, hij hoorde het snotterig elvengezang. En toen dacht hij aan de woorden van zijn vader. “Doe het niet, Harry. Kerst is niet voor vissen, Harry.” Misschien had vader Snotolf toch gelijk?
En toen gingen de lampjes langzaam uit. Alles werd zwart.
En dit is het treurige einde van ons kerstverhaal over Harry de snotolf die zo dol was op kerst.
Ja, echt. Dit is echt het einde.
Kijk maar: er zijn bijna geen woordjes meer over op deze pagina.

Wacht! Je hebt helemaal gelijk: er is nog een deel 3, dat had ik helemaal niet gezien!
Logisch natuurlijk. Een kerstverhaal loopt altijd goed af, dat weet iedereen. Zelfs als het over een snotolf gaat. Zelfs als het over een snotolf gaat die zo graag kerst wilde vieren dat ie helemaal vergat dat hij op het land niet kan ademen.
Hoe moet dat nou goed komen?

Harry, de Snotolf – deel 1/3

0

Dit kerstverhaal gaat over een Snotolf.
Wat zeg je? Weet je niet wat een snotolf is?
Nou, dit is een snotolf:

JielJielbeaumadier poisson gris 2 paris 2014CC BY-SA 3.0

Ook wel lompvis genoemd. Je snapt misschien wel waarom. Dit kerstverhaal gaat dus over een snotolf.
Wat een snotolf met kerst te maken heeft, vraag je.
Nou, laat me dan m’n verhaal vertellen, dan weet je het.

Goed, zoals ik al zei, dit kerstverhaal gaat over een snotolf. Een snotolf genaamd Harry. Harry woonde in de Oosterschelde. Harry was dol op kerstmis, maar jammer genoeg werd er onder water nooit kerst gevierd. Toen Harry klein was, vroeg hij wel eens aan zijn ouders of ze niet toch kerst konden vieren, maar dan zei zijn vader: “Nee, nee! Kerst is niets voor vissen!”
Toen hij ouder werd, vroeg hij er maar niet meer naar. Maar elk jaar in december zwom Harry naar de dorpjes langs de Oosterschelde. Hij genoot van de lichtjes en het gezang. Ja, Harry hield veel van kerstmis.

Wat je misschien niet weet, is dat de Kerstman ergens langs de kust van de Oosterschelde een groot inpakstation heeft: Inpakstation Regio Zuid-West. Daar worden alle cadeautjes van heel Zuid-West-Nederland ingepakt.
Harry zwom in december vaak naar het inpakstation. Daar hoorde hij de inpakelven kerstliedjes zingen tijdens het inpakken. Wat wilde hij graag meehelpen en meezingen!
Maar dat kon natuurlijk niet…

Dit jaar zwom Harry weer naar de oppervlakte om te kijken en te luisteren bij het Inpakstation Regio Zuid-West. Maar dit jaar klonk er geen vrolijk kerstgezang en er werden ook geen cadeautjes ingepakt.
Harry zwom zo dicht naar de kust als hij kon, en toen ving hij een gesprek op tussen de Kerstman en de hoofd-inpak-elf. “Wat vervelend dat net nu zoveel elven ziek zijn,” hoorde hij de Kerstman zeggen. “Krijgen jullie alle cadeautjes dan wel op tijd ingepakt?”
De hoofd-inpak-elf antwoordde: “Ik weet het niet hoor. Al die snotelven kunnen hun werk niet goed doen. We zouden twee keer zo veel snotelven moeten hebben om al het werk af te krijgen!”

Snotolven? dacht Harry. Zei hij nou echt dat hij snotolven nodig heeft? Maar… dan is dit mijn kans!
Ok, nu hoor ik je denken. Dat zei hij toch niet? Inderdaad, je hebt gelijk. De hoofd-inpak-elf had het over snotelven, niet over snotolven. Maar Harry hoort niet altijd even goed. Dat kan ook niet anders. Kijk nog maar eens goed naar hem. Zie jij ergens oren?

JielJielbeaumadier poisson gris 2 paris 2014CC BY-SA 3.0

Inderdaad.
Maar goed, Harry was dus door het dolle heen. Dat kun je je misschien wel voorstellen. Elk jaar keek hij verlangend naar de mooi verlichte huizen, naar de vrolijke mensen die in hun mooiste kleren door de sneeuw liepen op weg naar familie en vrienden. Steeds weer zag hij die mooi versierde bomen, volgehangen met slingers en ballen. Altijd was hij een buitenstaander. Kerst was nu eenmaal niet voor vissen. Maar dit jaar zou daar verandering in komen!

Harry dook onder water en zwom zo snel als hij kon terug naar huis. Harry en zijn vader woonden in een oud wrak. Aan de achterkant van het wrak had Harry zijn eigen kamertje. Daar had hij een grote anemoon versierd met verschillende kleuren schelpjes. Op het puntje van de anemoon had hij een gele zeester geplakt. Zo kwam er toch wat kerstsfeer in het nogal grauwe wrak, vond Harry.
Harry zwom naar een hoek van zijn kamertje. Daar pakte hij een hoopje mosselen. Voorzichtig zwom hij naar de grote tafel die in het midden van de kamer stond en legde de mosselen erop. Vervolgens zwom hij naar de andere hoek. Daar pakte hij wat zeewier in zijn vinnen. Hij legde het zeewier netjes op een stapeltje naast de mosselen. En toen begon hij in te pakken.

Harry werkte razendsnel door. Al zingend (‘O, anemoon, o anemoon, wat zijn je takken wonderschoon’) pakte hij de ene mossel na de andere in. Na tien minuten waren alle mosselen veranderd in feestelijke groene pakjes, sommige met strik en sommige zonder. Harry keek tevreden naar zijn werk. Deze pakjes zou hij meenemen vanavond, als hij weer naar het inpakstation regio Zuidwest Nederland zou zwemmen. Hiermee zou hij de Kerstman kunnen laten zien dat hij de juiste snotolf was voor deze klus.

Maar was dat ook echt zo? Wij weten dat de Kerstman snotelven nodig had, en niet snotolven! Hoe moet dit nou aflopen?

Kaatje en Snorretje

0

“Oh, niet alweer he?! Snorretje. Snorretje!”
Snorretje de kat komt voorzichtig de keuken in gelopen. Daar staat Kaatje. Ze kijkt boos. Heel boos.
Snorretje kijkt haar aan met droevige oogjes. Daar trapt ze misschien wel in, denkt hij.

“Die koekjes heb ik speciaal voor mama gebakken! En jij hebt ze op de grond gegooid! Én er ook nog eens van gesnoept!� gromt Kaatje, terwijl ze Snorretje teleurgesteld aankijkt.
Ze trapt er niet in, denkt Snorretje. Hij loopt naar haar toe en begint tegen haar aan te spinnen. Normaal vindt ze het leuk en aait ze hem over zijn kopje.
Nu duwt ze hem weg. Ze pakt Snorretje op en draagt hem naar buiten. Oh nee, niet het hondenhok. Snorretje zet zijn haren op en begint tegen te sputteren.
“Je hebt er om gevraagd, Snorretje! Dat was niet lief van je! Je krijgt straf. Jij blijft een uur in het hondenhok!�

Snorretje ziet Kaatje stampvoetend weer naar binnen lopen. Ach ja, zucht hij. De koekjes waren lekker. En de geur… Oh ja… Die geur…
Snorretje moet toegeven, Kaatje kan goed bakken. Weet hij veel dat ze aan het bakken is voor haar moeder.

Opeens bedenkt hij zich dat Kaatjes moeder vandaag jarig is. Kaatje wil haar verrassen als ze van haar werk terug komt. O jee, wat heeft hij gedaan? Kon hij dat nu niet eerder bedenken…

Hoelang duurt een uur, hij zit hier toch al een tijdje. Snorretje tuurt voorzichtig uit het hondenhok en kijkt richting de keukendeur. Gelukkig kan Snorretje haar goed zien. Hij ziet Kaatje opruimen en schoonmaken.
Snorretje ziet dat Kaatje iets aan het zoeken is. Ze heeft een veger in de hand. Hij denkt en denkt… Wat is Kaatje aan het zoeken? Hoe heet het ook al weer? De veger en het… Dat platte ding…
Jajaja… Daar ligt het! Het platte ding ligt buiten. Kaatje is binnen en ik ben buiten. Als ik haar het ding geef, zal ze me misschien weer vergeven. Oei, maar is het uur al voorbij? Ach, Kaatje zal het niet erg vinden.

Snel rent Snorretje naar het ding. Onderweg weet hij weer hoe het heet. Het ‘blik’, ja het blik. Zo heet het. Een veger en blik. Daar leg je de rommel op met de veger. Het blik hou je boven de afvalbak en dan valt de rommel er zo in.
Snorretje pakt het blik en wacht geduldig bij de keukendeur. Hij probeert wat geluidjes te maken. Zou Kaatje hem horen….?

Al snel wordt de deur opengemaakt. Kaatje komt naar buiten. Ze ziet Snorretje met het blik onder zijn poot.
“Oh, Snorretje! Je bent me er ook eentje. Die was ik aan het zoeken en jij hebt hem gevonden.� Ze geeft Snorretje een aai over zijn kopje en hij krijgt een kus. “Het is je vergeven, maar niet meer aan de koekjes komen, hoor! Ik heb nieuwe gebakken. En die zijn voor mama!�

Kaatje pakt Snorretje op en ze loopt met hem naar binnen. Snorretje is blij dat Kaatje niet meer boos is. Ze heeft hem vergeven en nu zijn ze weer vriendjes.

Het geheim van de verdwenen kousen

0

In de tuin heeft Noortje haar poppen op het speeldeken gelegd. Ze heeft tasjes en bordjes klaargezet. Noortje is echter verdrietig en boos. Ze wil niet met haar poppen spelen.
“Nee! Met jullie kan ik niet spelen,� huilt ze. Boos gooit ze de koffiekan van het speelgoedserviesje in de struiken.
Minou de poes, die lag te slapen, schrikt. Als een wervelwind vliegt de poes naar het tuinhuis achterin de tuin. Eenzaam blijft Noortje achter.
Luna en Sofie zijn haar beste vriendinnetjes. Maar nu…

“Noor! Stop met zeuren. Je mocht naar het feestje bij Luna, maar je wou niet!� roept moeder kwaad vanuit de keuken.
“Luna en Sofie hebben prinsessenkousjes. Die heb ik niet!� roept Noortje en ze stampt nijdig op de grond. “Ze spelen ‘prinsesje’.  Ik mag alleen meespelen als ik ‘tovenaar’ ben. Ik heb geen glinsterende prinsessenkousjes en dus ben ik geen prinses. Maar ik wil geen tovenaar zijn. Ik wil een echte prinses zijn!� klaagt ze.
“Noor! Zeur niet over kousen! Als je niet kan spelen met je poppen, kom je maar naar binnen. Dan kun je me helpen met de koekjes,� roept moeder.
Met een rood gezichtje komt Noortje de keuken binnen, plukt enkele versgebakken koekjes van de keukentafel en ploft zich neer op een keukenstoel.
Moeder noemt haar alleen ‘Noor’ als ze echt boos is. Zoals nu.
“Je hebt genoeg kousen. Oma heeft er voor jou met streepjes gebreid. En met Kerst heb je zelfs K3 kousjes gekregen,� zucht moeder terwijl ze verder werkt.
“Maar ik wil kousjes zoals Luna en Sofie! Ik wil een prinses zijn en geen tovenaar,� weent Noortje.
“Noor! Voor de zoveelste keer: ik koop geen kousen met glitter. Je hebt genoeg kousen.�

De volgende morgen kan Noortje haar K3 kousjes niet vinden.
Ze had die gisterenavond toch klaargelegd? Ze begrijpt het niet. Ze lagen op haar rode jeansbroek samen met haar K3 bloesje. Nu zijn de kousjes weg. Noortje kruipt op de grond, kijkt onder haar bed, tilt zelfs de mat omhoog. Maar ze kan ze niet vinden.
Traantjes staan in haar ogen.
Moet ze nu met haar witte sokjes naar school? Nee! Witte sokjes zijn zo ‘gewoon’, denkt ze en ze doet dan maar de streepjes kousjes van oma aan.

Maar wat gebeurt er?
Op school hebben Luna en Sofie witte kousjes aan! Geen glitterkousjes!
“Spelbreekster! Waar zijn onze kousjes?� sist Luna als ze Noortje ziet. Noortje begrijpt het niet.
“Wat? Ik heb jullie kousjes niet. Ik heb mijn oma-kousjes aan want mijn K3 kousjes zijn weg,� snikt Noortje onbeheerst. Tot haar verbazing voelt ze de troostende arm van Sofie rond haar tengere schouders.
“Mijn prinsessenkousjes zijn ook verdwenen. Deze nacht! Zomaar!� fluistert Sofie en ze kijkt angstig om zich heen.
“Kousen kunnen zomaar niet verdwijnen!� Noortje zegt het héél hard. Het wordt muisstil en dan…
“Ik ben mijn berenkousjes kwijt,� zegt een kindje uit de klas.
“Mijn broer kan zijn kabouterkousjes niet vinden,� zegt een ander kindje.
Iedereen van de klas is kousjes kwijt. Hoe kan dat nu?

Die avond gebeurt er bij Noortje thuis iets héél geheimzinnig.
Vliegensvlug eet Minou haar kommetje gulzig leeg. Noortje kan haar niet aaien, zo vlug is ze weg.
Noortje rent haar nieuwsgierig achterna. De tuin door, tot aan het tuinhuis.
Waar is Minou gebleven? Noortje ziet haar niet meer. Is ze misschien toch door een gat in het tuinhuis kunnen kruipen?
Noortje duwt de struiken weg om door de ramen van het tuinhuisje te kijken.
“Miauw… Miauw… Miauw…� Het klinkt heel zachtjes.
Dan ziet ze het. Op een gekleurd nestje ligt Minou met zes kleine poezenhummeltjes!
De poes heeft een heerlijk zacht bedje gemaakt voor haar kleintjes. Een zacht bedje van kousjes. Wie had dat gedacht?
Prinsessenkousjes…
Noortjes K3 kousjes…
Kabouterkousjes…

De volgende dag nodigt Noortjes moeder alle kindjes van de klas uit. Iedereen krijgt taart en limonade. Noortje en haar moeder hebben een verrassing!
De kindjes mogen door de ramen van het tuinhuis kijken.
Ze moeten wel héél stil zijn.
“Miauw… Miauw… Miauw…� Minou zit nog steeds op het kousenbedje met haar kleintjes.
“Mijn kabouterkousjes…�
“Mijn prinsessenkousjes…!�
“Mijn…�
Elk kindje ziet wel iets dat verdwenen was.
“Minou mag onze kousjes hebben voor haar baby’tjes! Wij spelen wel zonder onze kousjes en iedereen mag meespelen,� zegt Sofie.

Afbeelding van Kruscha via Pixabay

“Joepie! Het is feest. Iedereen mag meespelen!� roept Noortje.
De kindjes mogen in de koekentrommel zelfs lekkere koek met chocolade nemen.
“Zelfgemaakt!� zegt Noor fier en mama glimlacht.
Nu zijn er geen glitterkousjes nodig om samen te spelen. Daar heeft Minou voor gezorgd!

Het mislukte toverdrankje

0

Tovenaar Gigamel was al vele jaren de beste tovenaar van het land. Weet je waar hij vooral beroemd om was? Hij kon mensen veranderen! Zo kon hij voor dames met veel te grote voeten, kleinere voetjes toveren of mannen met punthoofden een mooi rond hoofd geven.

De tovenaar was niet goedkoop en de meeste mensen die bij hem kwamen, waren dan ook hele rijke mensen. Voor een paar kleinere voetjes moest je toch al snel een flinke zak met goud voor de tovenaar meebrengen!

Gigamel had nog nooit een fout gemaakt en iedereen was altijd heel tevreden geweest over zijn werk. Vandaag had de tovenaar wel een heel bijzondere klant. Het was prinses Mara, de jongste dochter van de koning. Zo’n belangrijke klant had hij nog nooit gehad. Als alles nu maar goed ging!

Hij moest ervoor zorgen dat de prinses een mooiere neus kreeg. Het arme kind had namelijk zo’n puntige neus, dat ze soms bang was om mensen pijn te doen wanneer zij ze een kusje gaf. De tovenaar zou haar een mooi klein neusje geven. Hij had alles wat hij nodig had voor zijn toverdrank de vorige dag al klaargezet.

Zodra Mara zijn huis binnenkwam, ging Gigamel aan het werk. Hij roerde de toverdrank nog eens goed door en gaf Mara alvast het eerste bekertje te drinken. Er gebeurde nog niets, maar dat had de tovenaar ook niet verwacht! Pas na het derde bekertje zou het gebeuren. Mara dronk even later ook haar tweede beker leeg. Toen gebeurde er iets dat Gigamel niet had verwacht. Mara liet een zacht geknor horen. Dat was vreemd! De tovenaar gaf haar snel het derde bekertje.

Hij keek eens goed naar de prinses. Maar wat zag hij daar! De neus van Mara werd steeds groter en dikker. Haar neusgaten stonden helemaal vooraan in die dikke neus. Haar benen en haar armen werden kleiner en even later ging ze op handen en voeten lopen.
De tovenaar schrok zich een hoedje! De prinses veranderde langzaam maar zeker in een varkentje! Wat was er nu toch fout gegaan?

Afbeelding van Jazella via Pixabay

Hij ging zo snel mogelijk naar zijn toverwerkplaats. En daar zag hij het meteen. Op zijn takenbord stond: kerrie en gemalen kattenharen kopen. Nu wist hij het weer! De kerrie had moeten zorgen voor een goed ruikende neus en door de kattenharen zou de prinses een leuk poezenneusje krijgen!

Ach, dacht de tovenaar, iedereen maakt wel eens een foutje. Maar hoe kon hij ervoor zorgen dat het varken weer een prinses werd? Hij begon meteen in dikke boeken te snuffelen. Ha, daar stond iets over het omtoveren van een varken in een mens. Hij keek of hij alle ingrediënten voor het drankje in huis had. Ja, hoor, geen probleem. Vlug ging hij aan het werk.

Na een half uur stond er een toverdrankje op het vuur te pruttelen. Toen de drank klaar was, goot hij een flinke slok in de bek van het varken. Hij hield het varken goed in de gaten. Veranderde er al iets? Ja, het leek wel of de neus van het dier wat minder groot werd. Hij gaf het varken nog een slokje. Maar het spuugde de vies smakende drank meteen weer uit. Dan morgen nog maar eens proberen, dacht de tovenaar.

De volgende morgen werd hij al vroeg wakker, omdat er iemand op de deur stond te bonzen. Het was een deftige meneer uit het paleis. Hij wilde weten waarom prinses Mara de vorige avond niet thuis was gekomen. De tovenaar legde uit dat het kleiner maken van de neus van de prinses nu eenmaal niet in één dag lukte en de man vertrok weer.

Snel liep de tovenaar naar de kamer waar hij het varken voor de nacht had opgesloten. Hoera, de drank leek te werken! Het varken had een meisjesgezicht gekregen met een heel mooi neusje. Maar verder was het nog steeds een varken! Met korte pootjes en een krulstaart, die een beetje krap in het broekje van de prinses leek te zitten. Met een schaar maakte hij een gaatje in het broekje. De staart trok hij voorzichtig door het gaatje naar buiten. Het dier keek hem dankbaar aan.

Met veel moeite kreeg de tovenaar weer een paar slokken drank bij het varken naar binnen. Nu het dier het gezicht van een meisje had, ging het gelukkig wel iets gemakkelijker. Weer ging er een dag voorbij. Weer kreeg de tovenaar een boze man uit het paleis aan zijn deur en weer sliep de arme man die nacht slecht.

De volgende dag ging Gigamel al heel vroeg bij de prinses kijken. Ha, dat zag er een stuk beter uit! De korte voorpootjes waren weer armen met handen geworden en aan de achterpoten zaten weer voeten. Maar de achterpoten waren nog wel veel te kort. En het krulstaartje kwam nog steeds uit het broekje! Dus gaf hij nog maar een beetje toverdrank. De prinses dronk het spul met een vies gezicht op. Praten kon ze nog steeds niet!

Gelukkig ging alles nu vlug. Binnen een uur was de krulstaart verdwenen en de achterbenen van de prinses waren nu ook weer zoals vroeger. “Kan je nog steeds niet praten?â€� vroeg de tovenaar.

Toen deed de prinses haar mond voor de eerste keer weer open. Ze zei: “Gemene tovenaar! Ik heb nu al drie dagen geen hap eten van je gekregen en alleen maar af en toe een smerig drankje! En waarom heb je mijn mooiste broekje kapotgeknipt?�

De tovenaar vertelde haar eerlijk wat er was gebeurd en toen Mara alles had gehoord, was ze toch wel erg blij dat Gigamel haar weer had teruggetoverd. Toen ze even later in de spiegel zag hoe mooi haar neus was geworden, was ze dubbel zo blij.
“Ach tovenaar,� zei ze, “een foutje maakt iedereen wel eens!�

Meertje

0

Vosje woont in een huisje met een dak van mos.
Hij is een echte vos, want hij houdt van graven.
Hij houdt van stoute dingen.
Maar ook heel erg van zingen.

Het liefste gaat hij alle dagen.
Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat de kippen op jagen. 
Maar nee, vandaag niet.
Want vandaag is de dag
Dat Vos voor het eerst alleen met zijn vriendjes naar het meertje mag.

Vos die kijkt heel blij en tevree.
En denkt wat moet er eigenlijk allemaal mee. 
Hij loopt naar de badkamer en pakt alvast
Zijn handdoek, borstel en Shampoo uit de kast.

Dan kijkt hij naar de wastafel en daar staat zijn tandenborstel op de hoek.
Op de grond ligt nog een onderbroek. 
Hij doet ze allemaal in zijn tas. 
Hij pakt nog een opblaaseend, een bal, en ow denkt hij ook nog een trein. 

Hij trekt zijn jas aan
En is klaar om te gaan. 
Maar owjee,
Hij krijgt zijn tas niet mee. 

Vos denkt hoe kan dat nou, en kijkt om. 
Vosje vosje vos zegt hij tegen zichzelf wat ben je toch dom. 
Dit kan toch niet allemaal mee. 
Hij maakt zijn tas open. 

En denkt wat heb ik nu allemaal nodig. 
Een borstel? Nee die kan weg. 
En de trein en de bal kan ook weg. 
Alleen de handdoek , onderbroek, opblaaseend, en zwembroek mogen mee. 
Nu kan de tas wel om,
Vos kijkt tevree. 

Dan hoort hij gepiep ,
Vos, piept muis, mag ik ook mee?
Muis heeft zijn zwembroek al aan
En is klaar om te gaan. 
Tuurlijk mag je mee, zegt Vos. 
Dan gaat de deurbel: het zijn egeltje Mos,
en das. 
Vos is helemaal in zijn sas. 

Hij is zo ontzettend blij. 
Samen lopen ze naar het meertje.
Maar dan zien ze Klein beertje. 
Hij is verdrietig en huilt. 
Vos vraagt wat er is. 
Hij zegt, het zijn vriendjes die ik mis. 

Ow, zegt vos, dan ga je toch mee ons mee. 
Er kan altijd een vriendje bij. 
Beertje is heel erg blij. 

Eenmaal bij het meertje aan gekomen
leggen ze de handdoeken en tassen tussen de bomen. 
Iedereen duikt en plonst in het water. 
Vos die neemt een hele grote sprong en duikt zo het water in. 

Afbeelding van Alain Audet via Pixabay

Maar wat is dat nou. 
Waar is vos?
Das duikt zo naar de bodem van het meertje.
En brengt Vos aan de kant samen met beertje. 
Vos die hoest en proest en hij zegt: met die staart kan ik niet zwemmen. 
Ik wil staart terug, snikt hij. 

Nu is hij met zijn nieuwe staart niet zo blij. 
Want de staart is van wol. 
En zuigt zich zo helemaal met het water vol. 
En zakt hij zo naar de bodem van het meertje. 
Ik weet wel wat, zegt beertje. 

Deze staart is nu even overbodig. 
Vos, jij hebt een zwemstaart nodig. 
Beertje rent naar zijn huis. 
Hij komt terug met een schaar,
plastic tasjes en een plastic lint. 

Hij begint te knippen en te plakken. 
En zegt: tadaaa! Kijk maar eens vos wat je hiervan vindt. 
Vos is helemaal blij en legt zijn staart te drogen. 
Hij zegt deze staart kan er ook nog wel bij. 
Nu heb ik twee staarten een voor op het land en een voor in het water. 

Vos neemt weer een hele hoge sprong. 
Plons, hij duikt zo in het water. 
Hij krijgt complimenten van de vissen voor zijn mooie gekleurde staart. 
En de dag gaat zo voorbij met een sneltrein vaart.

Dan pakt iedereen zijn tas. 
En gaat naar huis. 
En vos zegt: dat was
me een dagje he muis. 

En eenmaal thuis hangt vos zijn zwemstaart in de kast.
Zo, nu heb ik er nog een staart bij,
zegt hij. 

En hij gaat naar bed en lekker slapen. 
En dromen over beertje,
zwemstaart en het meertje. 

Je moet trappelen

0

Haar hele bed lag vol met zachte knuffels, maar haar favoriete puppyhond kon ze niet vinden. Ze had onder het bed en dekbed gekeken, maar daar lag hij niet. Waar was puppyhond toch? Het was een kleine, bruin met witte knuffel. Volgens moeder was het eerder donkerbruin met zwart en rook hij vies. Dat vond Sanne helemaal niet. Puppyhond rook gewoon naar puppyhond.

“Je moet nu gaan slapen lieverd,� zei mama.
Maar hoe dan? Slapen zonder puppyhond kan echt niet!
“Eén nachtje. Morgen is puppyhond weer terug.�
Sanne wilde niet morgen, ze wilde nu! Ze was bang in het donker, zonder puppyhond.

Het geluid van de regen tegen het slaapkamerraam en het draaien van de wasmachine waren veel enger dan anders nu puppyhond er niet bij was. En de kleren op haar stoel leken wel een monster. Haar onderlipje trilde.
Nu moest Sanne huilen. Heel hard. Dat wilde ze niet, maar de tranen gleden zo over haar wangen op haar kussen. Ze streek ze weg, maar er kwamen steeds nieuwe tranen. Haar kussen werd natter en natter! En Sanne werd banger en banger. Als het water zo uit haar ogen bleef lopen, dan zou haar kamer helemaal vollopen met water. Vreselijk!

Sanne kroop op haar knieën naar het randje van haar bed. Stevig hield ze zich vast aan de stangen van het hoofdeinde, toen ze voelde dat het bed bewoog. Nu kon ze het water niet meer van haar wangen vegen, want als ze los zou laten dan zou ze van het bed vallen. Ze voelde dat het bed dreef.
Als ze nu eens kon stoppen met huilen, dan zou het water ook niet verder stijgen. Maar de tranen kwamen gewoon vanzelf. Hoe hoger het water kwam, hoe harder ze huilde.

Ze zag, in het zwakke licht van haar nachtlampje, dat het monster op haar stoel in het water zakte. Haar knuffels waren van het bed gevallen en het water had de pijpen van haar pyjamabroekje bereikt.
Ze gilde toen ze haar knuffels zag drijven. Haar natte pyjama voelde erg zwaar. Opeens hoorde ze een zacht stemmetje in haar hoofd, die zei dat ze rustig moest blijven. Je moet niet bang zijn, zei het stemmetje. Wie was dat stemmetje?
Het water was inmiddels gestegen tot aan haar middel. Je moet trappelen, Sanne, fluisterde de stem in haar oor.

Sanne trappelde en het water spetterde. Dat was eigenlijk best leuk. Ze ging zitten en bewoog haar benen heen en weer. Steeds harder, toen ze zag dat het water tegen de muren spetterde en op de knuffels belandde. Ze kon er zelfs een klein beetje om lachen. Toch keek ze nog rond waar het monster was gebleven.
Niet bang zijn Sanne, het monster is alleen eng als je bang voor hem bent. Weer die stem.

De knuffels hadden gezien dat Sanne aan het trappelen was. Dat deden ze nu ook. Beer spetterde naar Konijn. Die keek verontwaardigd. Haar drieling poppen Anne, Hanne en Sanne begonnen te giebelen: het was een grappig zicht, de druppels die naar beneden bengelden aan de snorharen van Konijn. Konijn probeerde z’n verontwaardigde gezicht vol te houden, maar het lukte niet, ook Konijn begon te lachen. En spetterde terug, naar meneer Beer.

Sanne hoorde nu alleen nog het geluid van giebelende spelende knuffels en spetterend water. De enge geluiden waren verdwenen. Het waren alleen nog geluiden plezier.
Er kwam abrupt een einde aan het spelplezier toen haar slaapkamerraam openvloog en ze allen met de stroom van het water naar buiten dreven. Het water verspreidde zich en daar lagen ze dan samen, gierend van het lachen op het grasveld.

Het was al licht toen ze moeders stem hoorde.
“Wat is hier gebeurd!�
Sanne streek met haar vuistjes door haar ogen. Ze zag dat ze tussen haar kleren en knuffels op de grond lag. Haar dekbed lag deels aan het voeteneinde van haar bed en deels op de grond. Ze voelde haar pyjama, haar kussen, alles was kurkdroog.
“Niets,� giebelde ze.
“Malle meid, kijk eens wie ik hier heb.�
“Puppyhond!� Sanne stak haar handen uit. Ze drukte haar favoriete knuffel stevig tegen zich aan, maar hij rook niet meer hetzelfde.
“We moeten opschieten lieverd. Je eerste zwemles vandaag.�
Sanne zette puppyhond op de vensterbank.
“Moet hij niet mee?� vroeg moeder niet begrijpend.
Sanne schudde haar hoofd. “Daar heeft hij niets aan. Hij mag toch niet mee het water in.�
Moeder krabde zich een keer achter haar oren, maar Sanne had geen zin om het uit te leggen. Als ze een nachtje zonder puppyhond kon, dan kon ze ook wel een dagje zonder puppyhond.

Ze huppelde vooruit en moeder had moeite om haar tempo bij te benen.
“Vind je het dan niet eng?�
“Zwemles? Ik ben niet bang voor water.�
“Gisteren zei je nog wat anders.�
“Dat was gisteren. Nu ben ik niet meer bang voor het water.� Wist moeder veel dat ze vannacht al had gezwommen. Het was haar geheimpje. Niets was meer hetzelfde als gisteren.
“Als Jordy bang is, mag hij puppyhond wel hebben hoor.� Jordy was haar kleine broer.
“Dat is lief meisje, maar weet je dat wel zeker?�
Sanne hoorde moeder niet meer. Ze stond al op haar teentjes voor het loket. “Ik kom voor de zwemles,� zei ze trots tegen de mevrouw achter het loket.

Even later liep Sanne in haar badpak met een stel andere kinderen achter de badjuffrouw aan.
“Ik ben voor het eerst,� fluisterde Sanne tegen het meisje naast haar. Een jongetje achter haar huilde.
“Ben jij bang voor water?� vroeg ze het jochie. Hij knikte en streek de tranen van zijn wangen.
“Je moet niet bang zijn. Je moet gewoon trappelen,� fluisterde Sanne.

Afbeelding van Jan Haerer via Pixabay